CHINA EN DE CRISIS 2

De Hemelse Speelgoedwinkel

De recessie zal ook China treffen. Maar het land heeft een economisch systeem dat sterk afwijkt van het Westen, waardoor China beter tegen een stootje kan.

DAT CHINA MET kleerscheuren maar uiteindelijk sterker de financiële crisis gaat doorstaan valt met één woord te verklaren: sparen. In 2007 werd ruim 25 procent van het besteedbaar inkomen van de huishoudens gespaard. In Duitsland was dat tien procent, de spilzieke Amerikaan kwam slechts tot 0,4 procent.
De inwoners van het Hemelse Rijk stoppen al eeuwenlang het geld onder de matras. Roversbenden maakten het platteland onveilig en voor de overheid – verreweg de grootste graaier – was het innen van zo veel mogelijk belasting de maatstaf van succesvol bestuur. Banken speelden in het premoderne tijdperk nauwelijks een rol van betekenis. China was een land van handel en nijverheid, de industriële revolutie die vanaf de achttiende eeuw Europa onherkenbaar veranderde ging aan het land voorbij. De kapitaal accumulerende naamloze vennootschap – waarvan de VOC het eerste, moderne voorbeeld is – bestond in China niet. Ieder bedrijf was een familiebedrijf, dat op basis van vertrouwen geld leende van of uitleende aan clan- of streekgenoten. Dat wil niet zeggen dat er geen banken waren. In de provincie Shanxi ontstonden in de achttiende eeuw de zogeheten piaohao’s, handelsbanken die het goederenverkeer faciliteerden door het uitgeven van wissels die in andere provincies konden worden verzilverd. Een veilige methode, waarvan in het onveilige Hemelse Rijk dankbaar gebruik werd gemaakt. Ook gaven deze banken leningen uit, verdisconteerden ze commerciële vorderingen en drukten geld. Maar het bleef bij kleinschalige ondernemingen. Grote, kapitalistische corporaties kwamen door repressie van de confucianistische autoriteiten niet tot wasdom.
De overheersing van het oude rijk door het Westen in de negentiende eeuw ging hand in hand met de dominantie van buitenlandse banken. De Hongkong & Shanghai Bank financierde de handel tussen China en de rest van de wereld (waaronder de handel in opium) en gaf namens de regering in Peking leningen uit. Ook de Nederlandsch-Indische Handelsmaatschappij, voorloper van de ABN, liet zich niet onbetuigd. Tussen 1903 en 1946 gaf zij de Shanghai-dollar uit, in die dagen een wettig betaalmiddel omdat er op nationaal niveau geen geld werd uitgegeven.

De stichting van de Volksrepubliek China in 1949 bracht een radicale verandering van het financiële landschap teweeg. Het door de westerse invloed opgebloeide kapitalisme werd de nek omgedraaid: alle productiemiddelen kwamen ‘in handen van het volk’ en dat gold ook voor de financiële middelen.
De Volksbank van China was de enige bank van het land. Als centrale bank was ze verantwoordelijk voor het drukken van geld en het beheer van buitenlandse valuta, maar ook ontving ze deposito’s en gaf ze leningen uit, typisch de taken van een commerciële bank. De volksbankiers van die dagen waren niet geschoold in wat de kern is van elke financiële opleiding in het Westen: het kredietenvak. Dat was ook niet nodig. Alle bedrijven waren in handen van de staat, die door middel van vijfjarenplannen tot in detail reguleerde hoeveel elk bedrijf moest produceren of leveren. De bank was slechts een doorgeefluik voor geld, een cruciale functie die niet werd stopgezet als de lening niet werd terugbetaald. In de onwezenlijke wereld van het maoïstische China werden faillissementen gezien als uitwassen van het kapitalisme, een ideologie waarmee voorgoed was afgerekend. Zo leek het althans, want na de dood van de Grote Roerganger in 1976 sloeg China een nieuwe economische weg in die werd geïnspireerd door de beroemde uitspraak van Deng Xiaoping: ‘Het maakt niet uit of een kat wit of zwart is, als-ie maar muizen vangt.’ De zwarte kat van het socialisme had gefaald om China rijk en machtig te maken, het was tijd voor de witte kat van het kapitalisme, ook al werd het nieuwe beleid politiek correct verpakt in de term ‘socialistische markteconomie’.
De door Marx zo verfoeide leer zorgde voor een daverend succes; sinds het begin van de jaren tachtig groeit de economie met gemiddeld tien procent per jaar. Een succes dat gegrondvest is op de spectaculaire groei van de uitvoer: binnen twintig jaar transformeerde het land van een Noord-Koreaanse kluizenaarsstaat tot een van alles producerend power house dat de westerse winkels volplempt met speelgoed, elektronica, kleding en schoenen – kortom, al datgene waar we als consumptieverslaafden niet meer zonder kunnen.
De economische explosie had ingrijpende gevolgen voor de banksector. De Volksbank van China ging zich uitsluitend richten op centrale-banktaken en vier grote staatsbanken namen het commerciële stuk voor hun rekening. Daarnaast kwamen in de jaren negentig de stedelijke banken op, zoals de Bank of Beijing, waarin ING een belang van 25 procent heeft genomen.
Twee fenomenen versterken de financiële positie van het land en die van de banken in het bijzonder. Ten eerste het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. De laatste 25 jaar heeft China bijna jaarlijks fors meer uit- dan ingevoerd. Daarnaast is het land de grootste ontvanger ter wereld van zogenaamd foreign direct investment – geld dat buitenlandse bedrijven steken in het oprichten of overnemen van bedrijven in China. Gevolg is dat de banken bulken van buitenlandse valuta (de huidige stand is bijna tweeduizend miljard dollar), die voor de helft zijn belegd in Amerikaans schatkistpapier of door de Amerikaanse overheid gegarandeerde bedrijfsobligaties.
Het tweede verschijnsel is de strikte controle van de kapitaalmarkt. Bedrijven die geld het land in of uit willen brengen mogen dat alleen doen als er een specifieke commerciële transactie aan ten grondslag ligt, bijvoorbeeld een exportcontract, en de wisselkoersen worden niet door de markt, maar door de staat bepaald. Voor de burger zijn de beperkingen nog strenger, in feite kan hij weinig anders dan zijn spaarcenten op de bank deponeren (de beurzen van Shanghai en Shenzhen vormen een alternatief, maar hebben door hun heftige fluctuaties meer weg van het casino van Macao).
In deze beschermde omgeving is het voor de Chinese banken goed toeven. Misschien te goed: door jarenlang gebrek aan wezenlijke concurrentie is het kredietbeleid te soepel geweest en zijn de banken opgezadeld met grote hoeveelheden non performing loans – leningen aan dubieuze debiteuren die nooit worden terugbetaald. Volgens een rapport van Standard & Poor, een organisatie die de kredietwaardigheid van bedrijven beoordeelt, was in 2004 maar liefst dertig procent van de leningen van de grote Chinese banken niet meer inbaar. Om de banken gezond te maken nam Peking daarom maatregelen die Bush, Bos en Balkenende sindsdien gretig hebben omarmd: versterking van het eigen vermogen, het opschonen van de balans door slechte leningen eraf te halen en door te verkopen aan de markt en het aantrekken van extern kapitaal.
‘Het is ironisch’, aldus een Europese diplomaat in Peking, ‘dat het Westen nu precies dezelfde steun aan banken geeft waar het tot voor kort China om bekritiseerde.’ Het vertrouwen van de belegger in het succes van deze steun is blijkbaar groot: de Industrial and Commercial Bank of China, de grootste van de vier staatsbanken, is wat beurswaarde betreft de grootste bank ter wereld en was met een winst van 9,5 miljard dollar over de eerste helft van 2008 ook de meest winstgevende.
Drie maanden later verduisteren de wolken van de op handen zijnde recessie ook het Chinese landschap: door de wegvallende vraag in Europa en Amerika krijgt de exportindustrie enorme klappen. In de stad Dongguan (vlakbij Hongkong) heeft dit jaar de helft van alle speelgoedfabrieken de poorten gesloten, een dramatische statistiek omdat dertig procent van al het speelgoed in de wereld in die stad wordt gemaakt. De hoofdeconoom voor China van de Deutsche Bank, Jun Ma, ziet het ook somber in. In zijn China Economic and Market Outlook van oktober 2008 voorspelt hij voor 2009 een economische groei van acht procent, voor 2010 slechts zeven procent – cijfers die regeringsleiders in het Westen doen watertanden, maar voor Peking op de rand van het toelaatbare minimum balanceren. Jaarlijks trekken twintig miljoen boeren naar de stad op zoek naar werk en dat aanbod kan alleen met een forse groei van de economie worden opgevangen.
Om het tij te keren heeft de overheid een serie maatregelen getroffen, waaronder verlaging van de rente, verhoging van de inkomensdrempel waarboven de burger belasting moet betalen en belastingvoordelen voor exporterende bedrijven. Spectaculairder zijn de onlangs aangekondigde maatregelen om de plattelandseconomie te stimuleren. De boeren hebben nu voor het eerst in de geschiedenis van de Volksrepubliek het recht – met bepaalde restricties – om het land dat ze pachten van de staat te verkopen of te gebruiken als onderpand voor leningen. De daarmee beoogde productiviteitsstijging moet in 2020 leiden tot een verdubbeling van het inkomen van de boeren – een injectie voor de economie die het verlies aan exportinkomsten moet compenseren.
De Chinese banken gaan de crisis niet ongeschonden doorkomen; hun winsten zijn in het derde kwartaal van dit jaar sterk teruggelopen. Toch zullen ze om structurele redenen het beter doen dan hun peers in het Westen. Ze hebben veel minder besmette obligaties en andere producten van Amerikaanse banken op de balans staan, en dus hoeft er minder te worden afgeschreven. Bovendien gaan Chinese banken met het financieren van huizen conservatief te werk. De koper moet dertig procent aanbetalen voordat hij een hypotheek kan krijgen en er wordt goed gekeken naar het terugbetalend vermogen van de leningnemer. Gezond beleid dat door de Amerikaanse banken jarenlang werd genegeerd, met alle nare gevolgen van dien.
Maar de banken gaan het vooral goed doen door het krachtige samenspel tussen overheid en bedrijven. In de keizertijd waren kooplui en bankiers de parasieten van de samenleving, onder Mao werden ze als dienaren van de communistische partij gedegradeerd tot machteloze pionnen. In het huidige China hebben staat, banken en bedrijfsleven in een evenwicht van wederzijds voordeel elkaar gevonden: in ruil voor patronage en privileges erkennen banken en bedrijven de suprematie van de partij. Een kongsi van geld en macht die in tijden van crisis garant staat voor effectief beleid, zeker als gebruik kan worden gemaakt van het spaargeld van honderden miljoenen landgenoten, waardoor de banken niet afhankelijk zijn van de interbancaire markt voor het aantrekken van geld. De in China opererende westerse banken zijn dat wél en dat plaatst ze in een zwakke positie. ‘Sinds de kredietcrisis maken wij ons zorgen over de kredietwaardigheid van westerse banken, we zijn bang om geld aan ze te lenen’, aldus een Chinese bankier in Peking.