Boosheid als mensenrecht

De herauten van de democratie

In de jaren zestig was de boze burger een vrolijke rebel, nu wordt hij als rancuneus bestempeld. Maar boosheid moet altijd politiek serieus genomen worden.

Medium schaapherder

De recente verkiezing van Donald Trump als president van de Verenigde Staten heeft de aandacht opnieuw gevestigd op de boze burger en het emotionele karakter van de verkiezingen. De historicus Johan Huizinga typeerde de Amerikaanse verkiezingscampagnes al in 1918 als georganiseerde emotie. Er bestond toen een grote kloof tussen de regenteske politiek die kenmerkend was voor Nederland en de door de Progressive Party aangejaagde emotionele politiek van de Verenigde Staten. Het lijkt er echter op dat we in dit opzicht meer op de Verenigde Staten zijn gaan lijken. Woede is ook bij ons een belangrijk kenmerk van de politieke cultuur geworden, zij het dat de woede nu vooral van rechts komt, terwijl ze in het begin van de vorige eeuw in de Verenigde Staten van links kwam.

Huizinga’s sombere verhalen over de verwording van de democratie worden tegenwoordig door cultuurconservatieven als Rob Riemen, de directeur van het prestigieuze Nexus Instituut, opnieuw verteld, ditmaal vooral naar aanleiding van de opkomst en het succes van het rechtse populisme in Nederland en elders in Europa. In zijn in 2010 gepubliceerde opstel De eeuwige terugkeer van het fascisme beweert Riemen dat er in wezen geen verschil is tussen de pvv van Geert Wilders en de nationaal-socialisten van Anton Mussert uit de jaren dertig. Beide partijen zouden zich voeden met het ressentiment van burgers die in een massademocratie, volgens de wet van de kleinste gemene deler, tenderen naar een basale vorm van gelijkheid. Hierin moet iedereen alles kunnen krijgen en wordt weerstand gecultiveerd tegen elites en alles wat van waarde is.

Ik denk dat er iets anders aan de hand is. De boosheid van burgers en het bestaan van rechts-populistische partijen zijn eerder een gevolg van de toenemende democratisering van de Nederlandse politiek dan dat ze een bedreiging voor de democratie vormen. Sinds het begin van de vorige eeuw heeft Nederland meer golven van democratisering gekend, vooral die van de jaren zestig-zeventig staat in het geheugen gegrift. Democratisering had toen betrekking op de politiek, maar misschien nog wel meer op het alledaagse leven waarin alles wat autoriteit was ter discussie werd gesteld. We zitten nu in een nieuwe golf van boosheid die niet zoals in de jaren zestig van links, maar van rechts komt.

Of we blij moeten zijn met deze nieuwe golf van democratisering is natuurlijk de vraag. Wat te denken van de boze burger die zich verzet tegen de komst van een asielzoekerscentrum vlak bij zijn huis omdat hij ervan overtuigd is dat deze vluchtelingen de weelde van twee auto’s op de oprit niet aan zouden kunnen. Of van de boze burgers die de huisdeur van een gezin uit Syrië volplakten met stickers met de tekst ‘refugees are not welcome’. Of van de beruchte reaguurders, die als schrijvende en twitterende hooligans vanachter hun computer en smartphone de meest schunnige en kwetsende commentaren de wereld in sturen. Alleen al de verbeten toon van deze boze burgers doet terugverlangen naar de speelsheid waarmee de autoriteiten in de jaren zestig onder druk werden gezet.

Wie deze uitingen echter als een bedreiging van de democratie opvat, heeft niet veel van democratie begrepen. We hebben een nieuwe interpretatie van democratie nodig waarin de bestaande maar ook eerdere uitbarstingen van boosheid beter verklaard kunnen worden. Deze nieuwe interpretatie is gericht tegen conservatieven die het populisme en de door het populisme aangejaagde boosheid van burgers aangrijpen om, net als in de tijd van Huizinga, de democratie zelf te desavoueren. Voor hen is democratie deel van het probleem. Maar ik keer me ook tegen progressieven die het populisme buiten de democratie willen plaatsen, of juist een eenzijdig positieve duiding aan de woede van burgers geven als een vorm van mondigheid en emancipatie. Zij zien democratie als de oplossing van alle problemen.

***

De democratie vormt zowel deel van het probleem als deel van de oplossing. Het is de democratie zelf die vormen van boosheid en ressentiment voortbrengt, en het is ook de democratie zelf die ons mogelijke oplossingen kan bieden. Democratie heeft een januskop: één gezicht toont democratie als een bron van mondigheid en emancipatie; het andere toont democratie als bron van boosheid en ressentiment. Wie pleit voor meer democratie doet er goed aan zich te realiseren dat deze twee gezichten niet los van elkaar gezien kunnen worden.

In plaats van direct een oordeel uit te spreken over de (on)redelijkheid van woede-uitingen van burgers, zoals veel columnisten en beschouwers voortdurend doen, ben ik meer geïnteresseerd in hoe boosheid en woede geduid kunnen worden. Uit onze politieke geschiedenis kennen we de woede van burgers die zich achtergesteld voelen: de ‘kleine luyden’ van Abraham Kuyper van rond de vorige eeuwwisseling die zich verzetten tegen de hegemonie van de liberale hervormden; de katholieken die na eeuwen van tweedeklas-burgerschap eindelijk hun schroom van zich afwerpen en zich trots verschansen in hun eigen zuil; de socialisten die vechten voor de bevrijding van de arbeid. Deze klassieke emancipatiebewegingen hebben de solidariteit van de eigen groep opgezocht om samen te strijden voor lotsverbetering. Nu deze strijd gestreden is kunnen we ons in de meeste gevallen gemakkelijk identificeren, zo niet met de strijd zelf dan toch wel met de uitkomsten daarvan: het is in veel opzichten ónze geschiedenis geworden.

Maar wat in de ogen van de ene groep gerechtvaardigde boosheid was, die deel was van de strijd om emancipatie omdat de bestaande politieke instituties en cultuur hen uitsloten of uitbuitten, zag er in de ogen van andere groepen heel anders uit. Voorzover men zich überhaupt gedachten vormde over de woede van de ander – zo groot was de afstand inderdaad – was deze boosheid onbegrijpelijk, misplaatst, ongerechtvaardigd, rancuneus en werd ze door de voormannen van andere partijen op oneigenlijke gronden voor eigen politiek gewin gebruikt. Wat voor de eersten perspectief op bevrijding bood, zagen de laatsten als bedreiging. Wat voor de ene groep stond voor emancipatie, was in de ogen van andere groepen ressentiment.

De rebel verdedigt wat hij is, terwijl de afgunst van de rancunemens voortkomt uit wat hij niet heeft, maar anderen wél hebben

Door de boosheid van burgers in haar historische context te plaatsen zien we dat ze op verschillende manieren geduid kan worden. Een sprekend model voor gerechtvaardigde boosheid gericht op emancipatie is de rebel die Albert Camus in De mens in opstand beschrijft. De rebel van Camus is representatief voor wat men positieve boosheid zou kunnen noemen, het soort boosheid waar we ons graag mee identificeren. De rebel is iemand die in opstand komt, die nee zegt tegen de omstandigheden waarin hij verkeert, tegen de ongelijke manier waarop hij behandeld wordt en tegen het gebrek aan erkenning dat hij krijgt. De rebel heeft het recht, of in ieder geval de gerechtigheid, aan zijn kant.

Als de rebel staat voor positieve boosheid, dan staat de rancunemens uit Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse voor die andere, negatieve vorm van boosheid. In het eerste filosofische deel van dit boek geeft Dostojevski kritiek op het vooruitgangsdenken van het positivisme, rationalisme, materialisme en socialisme. Hij rekent af met iedereen die de woede en het lijden van mensen met zulk vooruitgangsdenken wil goedpraten. In het tweede deel maakt Dostojevski de lezer deelgenoot van de gefrustreerde woede van de ondergrondse man bij zijn mislukte pogingen om wraak te nemen op een officier die zijn jaloezie heeft gewekt.

Net als de rebel is ook Dostojevski’s man van rancune en ressentiment boos, maar erkenning van hemzelf, zijn positie en zijn boosheid is niet voor hem weggelegd. Terwijl de opstand van de rebel volgens Camus voortkomt uit overvloedige activiteit en energie ligt aan de woede van de rancunemens afgunst ten grondslag. De rebel is actief, de rancunemens is passief. De opstandige verdedigt wat hij is, terwijl de afgunst van de rancunemens voortkomt uit wat hij niet heeft, maar anderen wél hebben. De rancuneuze mens verlustigt zich in lijden, ook zijn eigen lijden, terwijl de opstandeling zich beperkt tot een afwijzing van vernedering zonder die voor de ander te wensen. De woede van de rebel vloeit voort uit inzicht in de eigen situatie en het eigenbelang en wordt verdedigd met een beroep op redelijkheid en gerechtigheid.

De woede van de rancunemens is niet het resultaat van inzicht in zijn belang of van redelijkheid. Dat mensen zouden ophouden met wat Dostojevski ‘smeerlapperij uithalen’ noemt en onmiddellijk goed en nobel worden zodra ze inzicht hebben in hun belang is volgens hem onzin. De woede en de smeerlapperij komen voort uit afgunst die niet gericht is op mogelijk voordeel, maar veroorzaakt wordt door het eenvoudige gegeven dat de tegenstrever door de natuur begunstigd is met kwaliteiten die de man van rancune niet bezit.

***

Waarom zou men bij voorbaat partij kiezen vóór de rebel en tégen de rancunemens als het gaat om de interpretatie van de boosheid van burgers? Vaak ook worden de politici en media die in het publieke debat een sleutelrol vervullen voorgesteld als belangeloze doorgeefluiken van deze motivaties en toekomstbeelden van burgers. De veronderstelling van de redelijkheid van de burgers (het zijn eigenlijk rebellen!) gaat hand in hand met de veronderstelling van de belangeloosheid van de politici (en de media). Maar net zoals het onbehagen van burgers bestaat uit een breed scala van verschillende motivaties, van de redelijke wens om problemen aan te pakken tot verstokte rancune, zo kan men ook stellen dat politici die geacht worden iets met dit onbehagen te doen uiteenlopende motivaties, visies, belangen en strategieën hebben.

Medium unknown 4

Een Wilders gedraagt zich op het opinieplein heel anders dan een Pechtold. Als vvd-fractieleider Halbe Zijlstra te kennen geeft dat vluchtelingen niet moeten rekenen op subsidie voor borstvergroting of -verkleining, dan is zijn oogmerk om in te spelen op het bestaande ressentiment tegen vluchtelingen met het doel zo veel mogelijk vvd-kiezers bij Geert Wilders weg te houden. Relevant is dus niet dat hij het voorbeeld op dezelfde dag al als incorrect heeft ingetrokken, maar dat hij überhaupt zulke voorbeelden nodig meent te hebben.

De reflex om de boosheid van burgers serieus te nemen is begrijpelijk tegen de achtergrond van het gemak waarmee ze vaak als irrationeel terzijde wordt geschoven, maar waarom zouden we er bij voorbaat van uitgaan dat deze boosheid redelijk of onredelijk is? Op het opinieplein lopen de meningen van burgers uiteen van terechte zorg tot botte rancune, maar wie bepaalt wat terecht en wat bot is? In empirisch onderzoek naar onbehagen zou het antwoord op deze vraag op z’n minst opgeschort moeten worden. De heuristische waarde van het gebruik van de figuur van de rebel en die van de rancunemens demonstreert dat dit nooit objectieve beschrijvingen van de werkelijkheid zijn, maar (politieke) interventies van betrokkenen die gedaan worden om te duiden wat er gebeurt.

Ressentiment kan omgezet worden in constructieve pogingen om de wereld te veranderen, zoals in het verleden is gedaan

Volgens de schrijver en publicist Menno ter Braak, die in het interbellum belangwekkende maar nu grotendeels vergeten beschouwingen aan de democratie heeft gewijd, is de woede van de rebel net zozeer een vorm van ressentiment als die van de rancunemens. Ressentiment was voor Ter Braak geen pathologische reactie van vergiftigde zielen, zoals het tegenwoordig doorgaans wordt opgevat, maar een collectief gegroeide boosheid over ongelijkheid.

Een democratische samenleving bestaat voor Ter Braak bij de gratie van een labiel evenwicht, dat bepaald wordt door de noodzaak om met ongelijkheden te leven (en niet zozeer de wenselijkheid om ermee te leven, zoals conservatieven menen), maar evenzeer door collectieve ressentimentsgevoelens die voortdurend het tegendeel blijven verlangen. Hij wijst op de tragische spanning in democratische samenlevingen tussen het egalitaire ideaal en de reëel bestaande ongelijkheid, die wel verkleind maar nooit helemaal opgeheven kan of moet worden.

***

Met de discussie over gelijkheid, die vooral door het werk van Thomas Piketty weer op de voorpagina’s van de kranten is gekomen, zitten we midden in de actualiteit. Wat deze en vergelijkbare discussies steriel en frustrerend maakt is dat de partijen die elkaar bestrijden kiezen voor het frame van de rebel of dat van de rancunemens. De kritiek op ongelijkheid is ofwel gerechtvaardigd ofwel rancuneus, komt voort uit het ideaal van egalitarisme of borrelt op uit de onuitputtelijke bron van rancune, afgunst en ressentiment. De kritiek op de banken is terechte kritiek op het onverantwoordelijke gedrag van bankiers, of verraadt de afgunst van mensen die minder of niet profiteren van de economische voorspoed. Kritiek op Europa, op het vluchtelingenbeleid, op de politieke elite in Den Haag of Brussel: steeds worden we voor de keuze geplaatst tussen de rebel of de rancunemens.

Deze keuze leidt tot simplificaties van het debat, en dit is te meer een probleem omdat de woede-uitingen waar we tegenwoordig mee worden geconfronteerd niet goed passen in de frames van de rebel en de rancunemens. We hebben niet te maken met prototypische rebellen, omdat de geuite boosheid niet voortkomt uit een klassiek emancipatiestreven. De huidige boze burgers lijken niet op Kuypers kleine luyden, de katholieken of socialisten die in een eerder stadium van onze politieke geschiedenis de solidariteit van de eigen groep hebben opgezocht om voor emancipatie te vechten. Het betreft eerder ongeorganiseerde en min of meer gesettelde burgers die bang zijn om te verliezen wat ze hebben. De horizon die voor hen van belang is ligt niet in de toekomst, maar in een recent verleden toen de ervaren dreiging van een globaal opererende economie, van de Europese Unie, van de vloedgolf van vluchtelingen zich nog niet voordeed.

Maar de woede-uitingen passen ook niet in het frame van de rancunemens. Het gaat niet om machteloze woede-om-de-woede waar genot uit geput wordt, maar om een actieve zij het sterk geïndividualiseerde reactie op alles wat mensen in de buitenwereld niet aanstaat. Ter Braak zei in de jaren dertig al dat ressentiment een mensenrecht was geworden en daar bedoelde hij niet mee dat iedereen rancuneus was geworden. We hebben dus te maken met nieuwe uitingsvormen van boosheid, terwijl we geneigd zijn de redelijkheid of onredelijkheid van deze nieuwe vormen te beoordelen met oude frames.

Om de boosheid van burgers van tegenwoordig te begrijpen moeten we afstand nemen van deze twee frames. Natuurlijk bestaan er nog steeds echte rebellen en even echte rancunemensen, maar de tegenstelling tussen redelijke rebel en redeloze rancunemens is niet vruchtbaar. We moeten ‘achter het ressentiment kijken’ om te beoordelen wat we in voorkomende gevallen van boos gedrag vinden. Als mensen in alle opzichten in een hoek gedreven worden en ze dus niet bij machte zijn om iets aan hun situatie te doen verschijnt zelfs rancune niet per se als onredelijk.

Maar even zo goed moeten we de figuur van de rebel beter onderzoeken. Camus’ rebel is iemand die met een beroep op gerechtigheid in opstand komt. Maar Camus trekt een scherpe lijn tussen de rebel en de revolutionair. Van de laatste kan ook gezegd worden dat rechtvaardigheid en gelijkheid zijn leidmotief vormen. Geconfronteerd met de uitwassen van de terreur in de laatste fase van de Franse Revolutie en met de latere revolutionaire terreur van het communisme schept Camus de figuur van de rebel over wie hij zegt dat zijn tijd, de tijd van de opstand, in 1793 eindigt om met de oprichting van de guillotine plaats te maken voor de tijd van de revoluties. Moderne rebellen die hun claims onderbouwen met een beroep op rechtvaardigheid en gelijkheid moeten erkennen dat hun waarden niet absoluut zijn en dat zij hun belangen niet aan het zicht kunnen onttrekken met begrippen als waarheid en gerechtigheid.

Medium unknown 3
Wat voor de één de hebzucht van de bezitters of schrapers is, is voor de ander de afgunst van de bezitslozen of klagers

We moeten in ieder geval de boosheid van burgers niet automatisch reduceren tot rancune en ressentiment, zoals bijvoorbeeld vvd-senator en filosoof Sybe Schaap doet in zijn boek Het rancuneuze gif. Boosheid en ressentiment zijn niet louter de machteloze expressie van een slavenideologie, zoals rechtse Nietzsche-adepten menen. Maar we moeten ook niet, zoals Merijn Oudenampsen in zijn artikel De dubieuze psychologie van de boze burger in De Groene Amsterdammer van 25 juni 2014 doet, de omgekeerde fout maken door te zeggen dat ressentiment tegenover rechtvaardigheid staat, dat wat mensen als gerechtvaardigde kritiek ervaren niets met ressentiment te maken heeft.

Wie Martin Luther King of Joke Kool-Smit in verband brengt met ressentiment roept verontwaardigde reacties op bij links, maar zelf zouden ze daar niet zo veel moeite mee hebben gehad. Het ging ze niet om de vraag waar de woede vandaan kwam, maar om hoe die gebruikt kon worden om het lot van zwarten en vrouwen te verbeteren. Ze vormt de bron van zowel rechtvaardigheidsclaims als gefrustreerde rancune. Ressentiment kan omgezet worden in constructieve pogingen om de wereld te veranderen, zoals emancipatiebewegingen in het verleden hebben gedaan. Het kan ook, in de woorden van de filosoof Max Scheler, auteur van Het ressentiment in de moraal, een van de beste studies over ressentiment, ingezet worden als ‘Ressentimentskritik’ die louter gericht is op de expressie van woede en frustratie.

***

Hoe de boosheid ook wordt geuit, we moeten ons realiseren dat het de democratie zelf is die allerlei vormen van boosheid voortbrengt. Waar komt deze boosheid dan vandaan? Voor de Tweede Wereldoorlog wisten de meeste conservatieve beschouwers van de politiek het wel: het is de massademocratie die hier de bron van is. Voorzover zij nog geloof hechtten aan de democratie was het zaak de democratie tegen deze massa te beschermen. Na de oorlog is het beeld van de democratie helemaal gekanteld: van bron van onbehagen is ze veranderd in het hoogste goed dat een politieke ordening kan realiseren. Vrijwel iedereen is er tegenwoordig van overtuigd dat democratie een nastrevenswaardig ideaal vormt. Deze universele erkenning en waardering van democratie heeft ons echter blind gemaakt voor het ressentiment en het onbehagen dat de democratie juist zelf voortbrengt.

Ik doel op drie soorten van boosheid. Ten eerste is er de spanning tussen elite en volk. Het volk kan zichzelf alleen besturen met hulp van de elite die daartoe door het volk gekozen wordt. Maar in een democratische samenleving zal deze elite zich nooit blijvend op een maatschappelijke claim van superioriteit kunnen beroepen, ook niet op die van verdienste in een meritocratie, omdat het volk uiteindelijk ook ‘zijn besten’ kan en zal wegsturen. Deze spanning tussen elite en volk komt periodiek tot uiting zodra een periode van ‘normale politiek’ ten einde komt waarin tussen volk en elite een betrekkelijk stabiele relatie bestaat. Het linkse populisme uit de jaren zestig is hier een voorbeeld van, net als het rechtse populisme van de laatste tijd.

Als er een einde komt aan zo’n stabiele periode staan elite en het volk weer tegenover elkaar. Tussen het schone ideaal van zelfbestuur door het volk en de onontkoombare realiteit van representatie door elites hebben zich tegenwoordig rechtse populistische partijen genesteld die het ideaal van de democratie uitspelen tegen de politieke klasse in Den Haag en Brussel. Voor sommigen zijn deze populisten de nieuwe rebellen, voor anderen zijn zij aanjagers van rancune en ressentiment. Voor mij zijn populisten de herauten van een ontluikende publieksdemocratie. Ook al falen ze grootscheeps bij het zoeken naar werkbare oplossingen, dan is hun verdienste toch dat zij de blinde vlek van de oude ‘moderne’ politiek hebben blootgelegd: modernisering en globalisering vormen in onze meritocratische democratie niet voor iedereen een win-win-situatie.

Ten tweede is er, zoals het citaat van Scheler al aangeeft, spanning tussen wat democratie belooft en wat ze levert. In theorie staan vrijheid en gelijkheid hoog aangeschreven, maar in de praktijk leidt de vrijheid die wordt gerealiseerd tot meer of minder grote (sociaal-economische) ongelijkheid. De boosheid die deze spanning oproept is minder afhankelijk van de conjunctuur van de politiek, en meer van die van de economie. Hoe deze boosheid zich uit en hoe sterk ze is hangt af van de manieren waarop de bestaande ongelijkheid institutioneel tegemoet wordt getreden. Men zou kunnen stellen dat de ontwikkeling van de verzorgingsstaat een belangrijke stap is geweest in het dempen van dit soort boosheid, maar intussen is de verzorgingsstaat zelf deel van het probleem geworden.

Over de vraag hoe en in welke mate ongelijkheden opgevangen dienen te worden wordt in onze democratie permanent discussie gevoerd: wat voor de één de hebzucht van de bezitters of schrapers is, is voor de ander de afgunst van de bezitslozen of klagers, en afhankelijk van het relatieve gewicht van gelijkheid ten opzichte van vrijheid zal de onvrede kleiner of groter worden. De bonussen die in het bedrijfsleven en de (semi-)overheid worden gegeven zijn niet voor niets een heet hangijzer.

Ik denk dat we het debat over gelijkheid moeten losweken uit de patstelling waarin egalitaristen en hun (liberale of libertaire) tegenstanders niet veel verder komen dan elkaar beschuldigen van hebzucht en afgunst. En wat het onderzoek over ongelijkheid betreft, moeten we loskomen van het populaire kloofdenken waarin een toename van ongelijkheid in inkomen en/of een groter geworden kloof tussen hoger en lager opgeleiden of tussen ‘kosmopolieten’ en ‘nationalisten’ de oorzaak van het huidige ressentiment zou zijn. Niet deze kloof zelf maar de perceptie van toegenomen gelijkheid in de betekenis die Alexis de Tocqueville daaraan heeft gegeven ligt primair aan de basis van het hedendaagse ressentiment.

Er is nog een derde vorm van boosheid die men rechtstreeks aan democratie kan toeschrijven. Dat is boosheid die het gevolg is van de ondermijning van de gemeenschappen waarin burgers zich in democratische samenlevingen organiseren, inclusief de nationale staat als die als een culturele gemeenschap wordt opgevat. Aan de ene kant biedt democratie burgers het recht en de mogelijkheid om zich te organiseren op basis van (religieuze) identiteit, gender, ideologie of cultuur. Met name religieuze gemeenschappen hebben sterke en wijdvertakte organisaties voortgebracht, maar ook het feminisme en het socialisme hebben zich georganiseerd op basis van hun identiteit en belang.

Aan de andere kant zorgt democratie er ook voor dat deze gemeenschappen steeds onder druk worden gezet. Het onbehagen dat voortvloeit uit het verlies van deze gemeenschappen (religieus, politiek-ideologisch, cultureel) is niet direct afhankelijk van de politieke of economische conjunctuur, maar is diffuser. Het zorgt bij veel mensen voor het gevoel dat ze hun houvast kwijtraken, en dat gevoel is niet zomaar een hersenspinsel. Veel burgers zien Europa daarom als een bron van onbehagen. In plaats van democratie als een potentieel slachtoffer van dit verlies te zien wil ik juist de actieve bijdrage van de democratie aan deze ondermijning van gemeenschappen onderstrepen. Inzicht in de actieve rol van onze democratie kan wellicht een tegenwicht bieden tegen al die diagnoses die de problemen waar we nu mee zitten als bedreigingen van buitenaf afschilderen.

Als de drie bronnen van onbehagen bij elkaar komen en elkaar gaan versterken, als mensen de zittende elite afwijzen, zich slachtoffer voelen van de vrijheid van anderen en hun vertrouwde gemeenschap in gevaar zien, dan is de periode van ‘normale politiek’, waarin elite en volk zich met elkaar verzoend hebben, afgelopen. In zo’n periode zitten we nu. In deze nieuwe fase van democratisering zijn verhalen over het einde van de democratie schromelijk overdreven.


Sjaak Koenis is bijzonder hoogleraar sociale filosofie aan de Universiteit Maastricht. Dit essay is een bewerking van zijn recente boek De januskop van de democratie: Over de bronnen van boosheid in de politiek (Van Gennep, € 19,90)