Menno Hurenkamp

De herdenkingsmachine

Het schijnt dat Pim Fortuyn dood is. Je hoort dat gerucht veel, althans. Het schijnt ook dat er na een jaar niets nieuws meer over te zeggen valt. Het schijnt ten slotte dat dit geen enkele belemmering is om nog eens flink uit te pakken op alle zenders en in alle kranten. De toverbal voor de meningenmachine is nog lang niet afgelikt. Ja, Fortuyn heeft ons allemaal wakker geschud uit de multiculturele slaap. Goh zeg. Fortuyn was de grondvester van het populisme in Nederland. Ach nee. Fortuyn zou reuze blij zijn geweest met de gang van zaken in de politiek na zijn dood. Enzovoort. Pim Fortuyn is niet dood, Pim Fortuyn leeft, hij ruikt alleen wat raar.

Iedereen kent de beelden en iedereen heeft levendige herinneringen aan het sneuvelen van Fortuyn. Het is daarom legitiem dat deze een plek in het publieke debat krijgen. Maar wat voor plek? De politieke balans dat veel mensen, instituties en partijen in stilte of met kabaal strategieën van voorheen de kale pestprofessor hebben overgenomen staat al een half jaar als een huis. De conclusie dat alleen nog white trash uit het derdehands Mercedessen-circuit de gedachte aan Pimmetje in leven wil houden, met vlaggen in de arm en tattoos op de borst, kon je na de jongste parlementsverkiezingen al wel trekken. De beschouwingen over Fortuyn leveren allang geen nieuwe inzichten meer op — vermoedelijk dat dit over een jaar of vijf wel weer lukt. Het herdenkingsgeweld in de media ontleent zijn betekenis met name aan het feit dat ook alle concurrenten zich erin verliezen.

Zo sluit de eerste herdenking van de moord op de man netjes aan bij de 58ste herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog. Als je naar de toeloop kijkt, zijn 4 en 5 mei nog altijd vanzelfsprekende dagen, door veel (jonge) mensen op een eigen manier ingevuld. Maar als je ziet wat de overheid ermee doet, dringt zich een zelfde oeverloosheid op als rond de dood van Fortuyn. Ter gelegenheid van «de bevrijding» mocht grootindustrieel Alexander Rinnooy Kan een belangrijke lezing geven: om met veel omhaal van woorden te zeggen dat vrijheid niet te koop is. Hoe veel verder van huis kun je raken als je je op 5 mei voor de verandering afvraagt: bevrijding, wat betekent dat? En als je dan je oor leent aan een econoom, een topmanager, om eens een modern pejoratief te gebruiken. Die over rijk en arm voor het oog der natie en allerlei belangrijke mensen banaliteiten van troonredekaliber de wereld inslingert waar zelfs een graatmagere Ethiopiër geen brood van zou lusten. Dan kijk je toch acuut of die Canadezen nog in de buurt zijn?

Het herbeleven van gewichtige gebeurtenissen heeft een duidelijke functie. De reflectie op onderdrukking en geweld helpt je anderen te begrijpen, je eigen tijd te begrijpen. Maar als je die reflectie geen gemeenschappelijke richting geeft — omdat de angst bestaat dat de Tweede Wereldoorlog eigenlijk oude koek is, of omdat er over een dode politicus niets nieuws meer te zeggen valt — zet je een herdenkingsmachine aan het werk. Die produceert mist, geen helderheid. Dan kun je het inderdaad maar beter laten.