Herinnering aan een diepe bewondering

De herfst van Het Rode Leger

De schooljongen Hans Koning ontwikkelt midden in de Tweede Wereldoorlog een diepe bewondering, liefde zelfs, voor de dappere soldaten van Rusland, die in staat bleken de Duitsers tot staan te brengen. Een herinnering aan een najaar des onderscheids.

In de herfst van 1941, in mijn kleine slaapkamer in ons Amsterdamse appartement, knielde ik altijd naast mijn bed voordat ik ging slapen, deed mijn ogen dicht en fluisterde: «Here God, bescherm Moskou. God, red het Russische leger.» Ik was een schooljongen en groeide op in het huishouden van mijn (behoorlijk onreligieuze) gescheiden moeder. De Duitse legers waren dat jaar Rusland binnengevallen op zondag 22 juni, en nu waren ze Moskou aan het naderen. Weinig mensen gaven de Russen een kans, maar elke dag dat ze langer wisten stand te houden, betekende zoveel dode Duitse soldaten méér, zoveel vernietigde Duitse tanks méér. In het bezette Holland waren we ons daar ten diepste van bewust, terwijl de dagen voorbij kropen.

Ik weet nog dat ik met een paar klasgenoten voor een sigarenwinkel stond te turen naar een kaart van de Sovjet-Unie die de winkelier in zijn etalage had gehangen. Er kwam een Duitse soldaat naast ons staan en die keek er ook naar. Een van ons wees naar de landkaart en zei: «Het is echt een heel groot land, zeg.» Of misschien zei de soldaat dat, daar ben ik niet zeker van (we leerden Duits op de middelbare school). De soldaat zuchtte en zei: «Maar als Moskou valt, dan sleurt het de rest mee in zijn val», en hij legde zijn hand op die uitgestrekte vlaktes — «dann fällt das schon mit» — ik hoor het hem nog steeds zeggen.

Wij kinderen hadden heel goed in de gaten dat Duitsland op het punt stond de Tweede Wereldoorlog te winnen en dat dat een ramp voor de rest van de wereld zou betekenen. Op school werd daar niet over gepraat; een leraar die zinspeelde op de ramp zou de volgende dag in een concentratiekamp hebben gezeten. Ik herinner me niet eens dat ik thuis over die afloop praatte; het enige wat ik nog weet is dat mijn moeder, in de zomer van 1940, toen volgens de door de Duitsers geleide Nederlandse kranten Londen in brand stond, nog steeds geloofde dat Duitsland uiteindelijk zou verliezen. «Maar hoe dan?» had ik haar gevraagd. «Er is geen enkele Geallieerde soldaat meer over in Europa.» Daarop had ze geen antwoord.

Maar die zonnige 22ste juni, toen ik met mijn vriend Japie door een Amsterdams park fietste, was er een man ons voorbij gefietst, die heel hard floot, en Japie wees naar hem met een triomfantelijke glimlach. Ik vroeg waarom en hij vertelde me dat de man De Internationale floot. Ik had het nog nooit eerder gehoord maar ik wist dat dat het lied van Rusland was, bij wijze van spreken. Het gaf die dag een nieuwe kleur.

Maar terwijl wij de weken aftelden die voorbijgingen, meldden de Duitsers enorme voortgang en enorme Russische verliezen. De Nederlandse radio was, zoals in alle bezette landen in Europa, verbonden aan de Duitse Nationale Radio en zond het dagelijkse bulletin uit vanuit het Hoofdkwartier van het Duitse Leger — heel langzaam «voor de mensen die het wilden opschrijven» («Zum mitschreiben»). Trompetten vormden de ouverture van die dicteersessies wanneer er een speciaal communiqué kwam om te melden dat Duitsland de zoveelste overwinning had geboekt ergens aan het front; en er was een lange reeks van zulke overwinningen terwijl de zomer overging in de herfst en ik mijn eigen gebedje begon te fluisteren (de enige periode in mijn leven dat ik heb gebeden). Goebbels, met zijn hoge stem, kwam op de radio en riep dat «deze tegenstander verslagen is en nimmer meer zal verrijzen». «De Duitse soldaten hebben het Kremlin in zicht», zei een krantenkop. En het nieuws van de BBC waar we nog steeds stiekem naar konden luisteren (later zouden alle radio’s worden gevorderd), was nauwelijks optimistischer.

In Moskou schreef Boris Pasternak: «Herinner je je de droogte in je keel… toen zij voort beukten en brulden/ En de herfst vorderde met stappen van rampzaligheid?» Ik las dat tien jaar later en onmiddellijk kwam het weer terug, «de droogte in je keel», een jongen in het kleine calvinistische Holland, duizenden kilometers ver weg.

Amsterdam krioelde van de Duitse soldaten met verlof, of ze marcheerden door de straten terwijl ze Erika zongen. Hun vrouwelijke hulpjes in hun grijze uniformen kochten alles wat er in Amsterdam nog te koop was, betaalden met Duits legergeld, waarna ze ervandoor snelden met hun aankopen — «de grijze muizen» noemden Amsterdammers ze.

Tegen het einde van november, toen er natte sneeuw begon te vallen, kwam er een stilte, dagen met weinig nieuws, althans, zo herinner ik het me. En toen, geheel onverwacht, verschenen onze kranten met een nieuwe kop: in het hele land zou winterkleding worden verzameld voor de Duitse soldaten. IJzerwaar moest naar de gemeentehuizen worden gebracht; het zou worden omgesmolten voor militair gebruik, en hetzelfde gold voor ijzeren hekken en kerkklokken. Per slot van rekening was op dat moment de oorlog geenszins zo goed als beslist en voorbij. Zagen de soldaten er door dit alles minder arrogant uit? Nee.

Maar Moskou viel niet en er kwam een nieuwe ommekeer, toen een stadje in het zuidoosten van Rusland, Rostov geloof ik, werd heroverd door het Rode Leger. Het Duitse nieuws zei dat de stad was geëvacueerd door hun soldaten omdat ze een verschrikkelijke straf in petto hadden voor de burgerbevolking die de wapens tegen ze had durven opnemen. Die verklaring werd niet serieus genomen. De impact van dat nieuwsbericht kan nauwelijks worden overschat. Na twee jaar oorlog was het een axioma geworden dat de Duitse legers zich nooit ofte nimmer terugtrokken.

Voor mij en mijn vrienden, die verloren hadden gedwaald door een stad die niet langer van ons was, en soms zelfs een sigaret aannamen van een Duitse soldaat, veranderde het de wereld waar wij in leefden. Hier had je een land waar we zelden goede dingen over hadden gehoord, en nu bleek het opeens soldaten te hebben die de Duitsers tot staan hadden weten te vechten en, o wonder, ze zelfs hadden teruggedrongen. Wij hadden een nieuwe groep helden om in te geloven.

Frankrijk? Ze hadden ons altijd verteld dat het Franse leger het beste van de wereld was, maar in mei 1940 was het roemloos ingestort. De Engelsen? We wisten van de Spitfires en de Battle of Britain, maar in de grondoorlog hadden de Engelsen niets anders gedaan dan zich terugtrekken, eerst in Frankrijk, vervolgens in Noorwegen, in Griekenland, op Kreta. Ik koesterde een soort treurige liefde voor ze, sinds het moment dat ik had gezien, vanaf het achterbalkon van ons appartement, hoe een klein Engels vliegtuig schijnbaar doelloos rondcirkelde te midden van de zwarte wolkjes van het luchtafweergeschut, net zo lang tot het in brand vloog en verdween uit mijn blikveld.

Twee jaar later was ik ontsnapt naar Engeland, maar mijn heldenverering voor Russische soldaten werd alleen maar groter. Ik las over het beleg van Leningrad en de slag bij Stalingrad waar in één dag meer mensen omkwamen dan tijdens de gehele Afrikaanse campagne van Montgomery. Ik zag in een bioscoopjournaal uit Rusland hoe duizenden Duitse officieren, krijgsgevangenen, door de straten van Moskou moesten marcheren, terwijl de Moskovieten vanaf de stoepen zwijgend naar ze keken. Ze werden slechts bewaakt door een paar Russische cavaleristen, die doodkalm met ze mee klik-klakten op hun paarden, met een geweer voor zich op het zadel. En achter die optocht rolde een grote spuitwagen die de straat schoonspoot met sproeiers. Het publiek in de Londense bioscoop barstte in uitzinnig lachen uit bij de aanblik daarvan. En in de jaren zestig, toen ik eindelijk in staat was de Sovjet-Unie te bezoeken, was het nog steeds de gewoonte dat bruiden hun bruidsboeketten op het dichtstbijzijnde oorlogsmonument legden, «om de overlevenden te laten zien dat we de doden niet waren vergeten, dat ze nog steeds in ons dagelijks leven waren». Ik weet niet of dat werd voortgezet nadat de Sovjet-Unie tot een einde kwam.

Hitler had zijn generaals opdracht gegeven de bevolking van Leningrad en Moskou geen eten te geven nadat die steden zich zouden hebben overgegeven; de mensen moesten worden verjaagd naar het platteland en daar aan hun lot worden overgelaten en sterven. Hij ging daar te vroeg van start.

Wij in Holland hadden echter bijna net zoveel te verliezen als de Russen. Holland zou een deel van Duitsland zijn geworden als dat had gewonnen; het grootste deel van onze bevolking zou zijn getransporteerd naar Oost-Europa om een «Arische muur» te vormen tegen de barbaren uit Azië. Dat was het plan van het Aussen Amt.

Er was niets politieks aan onze heldenverering van het Rode Leger, het ging niet om communisme, het was een emotie van leven-of-dood. Zij redden ons. Onze emoties dat najaar waren waarschijnlijk sterker dan alles wat we later zouden voelen. En niets dat we te horen kregen tijdens de Koude Oorlog, over de zuiveringen, over Stalin, niets dat Solzjenitsin of iemand anders kon schrijven, zou daar afbreuk aan doen. Er was geen echte connectie. Onze gevoelens waren gebaseerd op liefde, of op sentiment, of als je wilt misschien ook op sentimentaliteit. Niemand die in dit land is geboren kan ze echt begrijpen (in feite dachten veel Amerikaanse kinderen dat Rusland aan de kant van de vijand stond in die oorlog).

Toen ik te gast was bij Barry Farber in zijn Conservatieve radioprogramma in New York dacht hij me een compliment te maken door te zeggen dat ik tijdens de Tweede Wereldoorlog had gevochten in een soort vroege Navo. «Wij vochten tegen de Duitsers, niet tegen de Russen», vertelde ik hem, en hij begon snel over iets anders.

Ik had er een verschrikkelijke hekel aan als er weer eens voor de zoveelste keer werd gezegd of geschreven dat niet Rusland maar «Generaal Winter» de Duitse legers had verslagen. Als in een boek over de grote slagen in die oorlog Koersk en Stalingrad maar één alinea kregen toebedeeld, ver achter Bastogne. Als we te horen kregen dat West-Europa te zacht was tegen het communisme. Wat mij aanging, ik was niet zacht jegens welke politicus dan ook, Oost of West. Wij deelden simpelweg een soort diepe liefde voor die Russische mannen, hun gebrek aan zelfmedelijden, hun gevoel voor humor (sproeiers om de straat schoon te spuiten nadat die was gebruikt door Duitse officieren — en dat in een buitengewoon akelige tijd). Hun verbijsterende moed.

Niets zou ons, mijn generatie en misschien de generatie van mijn kinderen, ooit hebben kunnen aanzetten tot het voeren van een oorlog tegen Rusland.