Herdenking van de de val van Srebrenica op Het Plein in Den Haag, afgelopen juli © ANP / Hollandse hoogte / Peter Hilz

Twintig jaar na de genocide van Srebrenica sprak oud-premier Wim Kok nog geëmotioneerd uit dat Srebrenica voor hem een ‘inktzwart hoofdstuk’ blijft waar nog ‘regels worden bijgeschreven’. De feiten liggen inderdaad nog niet volledig op tafel, maar sommige alinea’s in dat hoofdstuk staan inmiddels behoorlijk vast. Zo is het meer dan duidelijk dat de internationale gemeenschap aanzienlijk faalde in haar beschermende taak. Het optreden van Dutchbat is daarbij in het bijzonder verguisd, maar ook het handelen van de Nederlandse regering kon op de nodige kritiek rekenen. De herinnering aan Srebrenica in Nederland werd dan ook lang beheerst door gevoelens van ongemak, zoals zo duidelijk in de woorden van de inmiddels overleden Kok. Tegelijkertijd moest het imago van de Dutchbatters duidelijk ook beschermd blijven. In de lesboeken is het perspectief van de blauwhelmen daarom vooralsnog leidend. Vredesorganisatie PAX concludeerde in een onderzoek naar Srebrenica in het geschiedenisonderwijs zelfs dat er vrijwel géén historische context wordt geboden bij de gebeurtenis en dat het oogpunt van de slachtoffers van de genocide bijna volledig wordt genegeerd.

Maar langzamerhand lijkt er in Nederland toch ruimte te ontstaan om het slachtofferschap van de Bosnische moslims een plaats te geven in de herinnering. Zo waren Nederlandse partijen recentelijk nog nauw betrokken bij de productie van de enorm succesvolle film Quo vadis, Aida? (2020), die gebaseerd is op de aangrijpende ervaringen van de Bosnische Dutchbat-tolk Hasan Nuhanović. Verder wordt het slachtofferschap van de Bosnische moslims ook steeds zichtbaarder in de Nederlandse media en publieke ruimte, en dan met name tijdens de jaarlijkse aandacht voor Srebrenica rondom 11 juli. Zo zagen we vorig jaar, 25 jaar na Srebrenica, een initiatief van het collectief Bosnian Girl, opgezet door vier jonge Nederlands-Bosnische vrouwen. Met de campagne ‘Srebrenica is Nederlandse geschiedenis’ ontwikkelde de groep allerlei activiteiten om de genocide een permanente plaats in de Nederlandse geschiedenis en herdenkingscultuur te geven. Daar kwam onder andere een prachtig fotomonument uit voort, waarbij vijfentwintig 25-jarige Bosnische Nederlanders werden geportretteerd en de ruimte kregen om de betekenis van Srebrenica voor hen als persoon uiteen te zetten. Deze voorbeelden laten zien dat er sprake is van een zekere toenadering tussen de Nederlandse en Bosnisch-islamitische herinneringscultuur rondom Srebrenica.

Wat maakt dat deze toenadering nu mogelijk is? De rechterlijke uitspraken van de afgelopen jaren hebben hier ongetwijfeld aan bijgedragen. Zo oordeelde de rechter in 2019 dat de Nederlandse staat een zekere mate van medeverantwoordelijkheid had voor de dood van een beperkt aantal moslimmannen. Maar wellicht nog belangrijker is het feit dat Nederland vanaf begin af aan betrokken was bij de ontwikkeling van de Bosnisch-islamitische herinneringscultuur, zodat de onderlinge relaties konden worden hersteld en gedeelde trauma’s konden worden verwerkt. Waar verschillende bewindvoerders zich in het openbaar afstandelijk hielden van medeplichtigheid aan de genocide, ondersteunde de Nederlandse staat de Bosnisch-islamitische herinneringscultuur ondertussen met financiële middelen. Zo betaalde Nederland voor een groot deel mee aan de totstandkoming van het Srebrenica-Potočari Memorial Center en werd in 2017 nog op kosten van de Nederlandse ambassade een tentoonstelling georganiseerd in datzelfde herinneringscentrum. Doel daarvan was om enige mate van verzoening te creëren tussen voormalige Dutchbatters en de nabestaanden van de genocide. Nu de rol van Dutchbat hierdoor steeds minder een onderwerp van twist en ongemak wordt, ontstaat er ook ruimte om het slachtofferschap van de Bosnische moslims in Nederland een plek te geven.

Daarbij wordt de toenadering voor een deel ook vergemakkelijkt door het feit dat de herinnering aan Srebrenica naadloos aansluit bij de al langer bestaande herdenkingscultuur van de holocaust in Nederland. Het inleven in de bizarre ervaring van de slachtoffers dient bij dit aspect van de herinnering vooral om de mensheid te waarschuwen voor de verschrikkingen waartoe we in staat zijn als we ons laten vangen door nationalisme en racisme. Internationale vredesorganisaties hebben Srebrenica vanaf het begin af aan al deze bredere betekenis aangemeten. Maar ook in het initiatief van Bosnian Girl werd de moordpartij gekoppeld aan deze boodschap. En inderdaad, het feit dat er na de Tweede Wereldoorlog op Europees grondgebied nog een genocide heeft kunnen plaatsvinden laat de onverminderde relevantie van deze les zien.

Vanuit het standpunt van medemenselijkheid kan deze toenadering alleen maar aangemoedigd worden. En toch wringt er iets bij dit alles. Want juist daar waar het er vooral toe doet, in Bosnië zelf, gaat het herinneren van Srebrenica nooit alleen over lessen voor de mensheid, verzoening of traumaverwerking. Veel Bosnische moslims zien de erkenning van hun slachtofferschap namelijk als een noodzakelijke voorwaarde voor een vreedzame toekomst met de Bosnische Serviërs. De film Quo vadis, Aida? eindigt daarom met een scène waarin jonge Bosnisch-Servische kinderen bij een opvoering op school afwisselend de handen wel, en dan weer niet voor de ogen houden. De toekomstige generatie Serviërs moet durven kijken, en erkennen – daar gaat het om. Maar de Bosnisch-islamitische herinneringscultuur rondom Srebrenica, met haar focus op het slachtofferschap van de moslims, is juist voor de Serviërs weer onacceptabel.

Daarin verschilt de herinnering aan Srebrenica dan ook met die aan de holocaust. Waar de joden erkenning wisten te krijgen van Duitsland voor de gruweldaden die onder het nazi-regime hadden plaatsgevonden, krijgen de Bosnische moslims dat officieel niet van de Bosnische Serviërs. In de meest schrijnende gevallen worden feiten en cijfers botweg ontkend door prominente figuren en worden oorlogsmisdadigers verheerlijkt; in het beste geval worden de moorden wel erkend, maar wordt de kwalificatie ‘genocide’ als onterecht beschouwd. Dat laatste wordt bijvoorbeeld veelvuldig gedaan door Milorad Dodik, het Servische lid van het roulerend presidentschap van Bosnië.

De gebeurtenissen van eind juli dit jaar zijn tekenend voor deze toestand. Twee weken na de officiële herdenking van Srebrenica besloot Valentin Inzko, de Hoge vertegenwoordiger van de VN in Bosnië, tot het opleggen van een verbod op het ontkennen van de genocide. Inzko pleitte al langer voor een meer ‘robuuste’ benadering in Bosnië, en in de laatste week van zijn termijn liet hij met deze verordening nog even zijn visitekaartje achter. Daarmee brak hij met het afstandelijke VN-beleid van de voorgaande jaren, dat zich richtte op het bevorderen van het ‘eigenaarschap’ van de binnenlandse politici.

Het verbod leidde vervolgens tot een politieke rel die nog altijd de gemoederen bezighoudt. Zoals te verwachten ontving het besluit steun van de Bosnische moslims. Dat was bepaald niet het geval bij de Servische volksvertegenwoordigers. Binnen enkele dagen kondigden Bosnisch-Servische politici aan het federale parlement, het gedeelde presidentschap en de centrale regering voorlopig te boycotten. Dodik noemde daarop Inzko’s actie de ‘laatste nagel aan de doodskist’ van Bosnië, waarna hij toezegde het verbod niet te gaan handhaven in de Servische Republiek van Bosnië.

Vanuit het standpunt van medemenselijkheid kan deze toenadering alleen maar aangemoedigd worden

Hoe komt het nu dat de Bosnisch-Servische politici en bestuurders zich hierdoor zo op hun tenen getrapt voelen? De maatregel van Inzko lijkt voor de buitenstaander op het eerste oog niet zo gek. Genocide-ontkenning bestraffen, wat is daar nu precies zo verkeerd aan? Maar wie de dominante politieke ideologieën en praktijken van Bosnië in ogenschouw neemt, ziet dat er voor de Bosnische Serviërs een enorm gewicht hangt aan het ontkennen van de genocide.

Allereerst heeft dat te maken met het specifieke narratief waarop de Servische nationale identiteit gestoeld is. Dat verhaal begint met de Slag op het Merelveld in 1389, waarbij de Serviërs een heldhaftige nederlaag leden tegen de Ottomanen, en eindigt voorlopig met de intocht van Ratko Mladić in Srebrenica, die daarmee verklaarde wraak te hebben genomen op de ‘Turken’. De rode draad in dit nationalistische verhaal is het slachtofferschap van het Servische volk. Volgens de overlevering worden Serviërs al eeuwenlang geteisterd door andere volkeren die hen willen overheersen. Dit zelfbeeld leidt tot een soort collectieve paranoia: voor de Serviërs lijkt het alsof de hele wereld zich tegen hen kan keren, met uitzondering van de Russen misschien. De Ottomanen, de Habsburgers, de nazi’s, de Kroaten, de NAVO: allemaal hebben ze geprobeerd de Serviërs een kopje kleiner te maken. Wat kan een volk dan anders doen dan zich te verzetten en te verdedigen?

En juist die logica strookt niet met de werkelijkheid van daderschap die de Bosnische burgeroorlog met zich meebrengt. Hoe kan een volk dat zichzelf moet verdedigen nu opeens genocidaal zijn, of überhaupt de ‘agressor’? Integendeel, de oorlog zou juist zijn gevoerd omdat de Serviërs die in Bosnië woonden aan het begin van de jaren negentig voor de zoveelste keer voor hun veiligheid moesten vrezen. Dit paranoïde beeld had toentertijd zo’n kracht dat het de etnische geopolitiek van Slobodan Milosević en Radovan Karadzić kon rechtvaardigen. Daarmee lag het dus ook ten grondslag aan de gewelddadige escalatie van het conflict in Bosnië. Omdat dit beeld nog altijd springlevend is onder de Servische bevolking kan het ook vandaag de dag nog als springplank dienen voor de politieke carrière van nationalisten die zich opwerpen als verdedigers van het Servische volk. Daarom zal de genocide niet zomaar erkend worden door zowel Bosnisch-Servische burgers als politici. Het zou namelijk ten eerste leiden tot de afbrokkeling van de kern van de Servische identiteit, dat eeuwige slachtofferschap. Oftewel: een gemeenschappelijke identiteitscrisis. Maar daarnaast zou ook de machtsbasis van nationalistische politici daardoor een stuk wankeler worden.

Voor een ander deel kan de ontkenning van de genocide verklaard worden door de geopolitieke belangen die daar sinds het vredesakkoord van Dayton (1995) aan kleven. Bosnië bestaat sindsdien namelijk uit twee territoriale ‘entiteiten’ met elk een eigen regering en parlement: de islamitisch-Kroatische Bosnische Federatie en de zogeheten Servische Republiek. Het land kent daarnaast ook nog een federale regering en parlement, met een presidentschap dat elke acht maanden rouleert tussen haar drie leden, die verkozen worden als vertegenwoordigers van de drie officiële etnische volkeren van Bosnië: de Kroaten, Bosniakken (moslims) en de Serviërs.

Het controversiële aan Dayton is dat de grenzen van de etnische deelrepublieken destijds grotendeels zijn getrokken langs de frontlinies die bestonden aan het einde van de Bosnische burgeroorlog; frontlinies die na jarenlang etnisch zuiveren tot stand waren gekomen. Dayton bracht daarmee weliswaar vrede in Bosnië, het rechtvaardigde tegelijkertijd ook de (gewelddadige) etnische identiteitspolitiek die de Bosnische oorlog in eerste instantie mogelijk maakte. Daarom gaf Dayton maar een kortstondige legitimiteit aan de territoriale verdeling die werd overeengekomen in het verdrag. Die is namelijk zo snel als het kon weer een twistpunt geworden. Srebrenica valt vandaag de dag bijvoorbeeld onder de Servische Republiek, maar dat is gezien de genocide die er plaatsvond toch bijzonder wrang te noemen. En dat vinden veel critici van Dayton ook. Dragan Bursac, filosoof en columnist voor Al Jazeera Balkans, schreef onlangs zelfs dat de Servische Republiek als zodanig het grootste monument is van de genocide in Srebrenica.

Als we willen begrijpen waarom Bursac een dergelijke bewering kan doen, moeten we verder kijken dan juli 1995. Wie dat doet, ziet dat de Bosnische burgeroorlog in feite een jarenlange aaneenrijging was van ‘micro-genocides’. Deze werden weliswaar af en aan gepleegd door Bosnische Kroaten, Serviërs en moslims, maar die laatste groep is gedurende de oorlog een buitenproportioneel doelwit van geweld geweest. De cijfers liegen er niet om: een oorlogsdocumentatiecentrum in Sarajevo berekende in 2013 dat van het geschatte totaal van 101.040 oorlogsdoden ongeveer 60-65 procent tot de moslims gerekend kan worden. Van het aantal burgerslachtoffers (38.239) was dat zelfs tachtig procent. Hierdoor vertegenwoordigen alleen de Bosnisch-islamitische burgers al dertig procent van álle oorlogsdoden.

Zo bezien kwam de genocide in Srebrenica bepaald niet uit de lucht vallen. De meer dan 8000 moslimmannen en -jongens die daar stierven, vormden bijna vijftien procent van het totaal aantal gestorven moslims tijdens de oorlog. Het feit dat moslims in Srebrenica het slachtoffer werden, past daarom binnen het grotere plaatje van de hele burgeroorlog. Wie tegenwerpt dat de genocide een extreem geval was, en dat was het zeker, moet tenminste erkennen dat het qua logica niet afweek van de etnische moorden en ‘geweldloze’ zuiveringen waarvan de moslims tijdens de oorlog het voornaamste doelwit werden. Daarom is de bewering van Bursac enigszins te begrijpen, ook al berust die op een aanzienlijke oprekking van de territoriale betekenis van de genocide van Srebrenica.

Die redenering vindt dan ook weerklank bij veel Bosnische moslims. De ondubbelzinnige slachtofferrol die zij kunnen innemen, met Srebrenica als bewijs én symbool daarvan, stelt hen in staat om de legitimiteit van het territorium van de Servische deelrepubliek te betwisten of het bestaan van die entiteit in haar geheel aan te vallen. Ondertussen steunen de moslims wel de federale staat Bosnië, omdat deze het gezag van de Servische Republiek ondermijnt en de moslims die daar wonen bescherming kan bieden.

De herinnering aan Srebrenica heeft niet enkel een zuiver humanitair, verzoenend of therapeutisch nut

Srebrenica diskwalificeert niet enkel de Servische geopolitiek, het rechtvaardigt tegelijkertijd ook de geopolitieke aspiraties van de Bosnische moslims. Om hun identiteitspolitiek kracht bij te zetten, proberen zij zichzelf al geruime tijd te presenteren als een sterke etnische eenheid, net zoals de Kroaten en Serviërs dat al langer doen. Zo zijn er allerlei initiatieven tot stand gekomen om de moslimidentiteit uit te diepen en in het dagelijks leven te wortelen, zoals de totstandkoming van onderzoekscentra die de geschiedenis van de moslims in de ex-Joegoslavische landen in kaart moeten brengen en de oprichting van de eigen tv-zender Hayat (Arabisch voor ‘leven’). De hierboven genoemde term ‘Bosniak’ wordt hierbij gebezigd om deze afzonderlijke identiteit als een etnische categorie te presenteren en tegelijkertijd ook de Slavische moslims in Kroatië, Servië en Montenegro erbij in te sluiten.

Maar niets kan de etnische geopolitiek van sommige Bosnisch-islamitische politici zo krachtig rechtvaardigen als de gruwelijke massamoord van Srebrenica. De genocide en de ontkenning daarvan door Bosnische Serviërs bewijzen voor de Bosniakken namelijk dat ze zich moeten verdedigen door hun eigen territorium en instituties veilig te stellen. En dat terwijl het geweld van Srebrenica en de oorlog in zijn geheel juist werd gerechtvaardigd met dezelfde logica, maar dan destijds door Servische politici. Bovendien is het zo dat een dergelijk idee van algemeen slachtofferschap ook de erkenning van geweld tegen de andere partij compliceert, zoals we dat bij de Serviërs eerder al zagen.

De herinnering aan Srebrenica heeft binnen deze context dan ook niet enkel een zuiver humanitair, verzoenend of therapeutisch nut. Wanneer het afgrijselijke verhaal van de genocide steeds maar weer opnieuw verteld wordt, dan blijft ook het idee van slachtofferschap onder de Bosnische moslims levend en wordt de etnische identiteitspolitiek kracht bijgezet. En dat voedt enkel de impasse. Het is daarom niet verbazingwekkend dat Bosnisch-Servische politici veelal ontbreken bij herdenkingen, of dat films als Quo vadis, Aida? en de tentoonstellingen in het Srebrenica-Potočari Memorial Center weinig tot geen Servisch publiek trekken. In plaats daarvan kan de herinneringscultuur vooral rekenen op kritiek vanuit de hoek van de Bosnische Serviërs.

Toch worden de Bosnische moslims nog altijd gesteund door internationale partijen bij het opbouwen van een herinneringscultuur die hun slachtofferschap bestendigt. Nederlandse Bosniërs, filmmakers, de Nederlandse staat, internationale vredesorganisaties, allemaal willen ze zich Srebrenica blijven herinneren vanuit een humanitair oogpunt. Maar ondanks alle goede bedoelingen raken dit soort initiatieven onvermijdelijk doorkruist met identiteitspolitieke of nationalistische doelstellingen. Zo is zelfs het humanitaire karakter van de herinnering aan Srebrenica behulpzaam voor Bosnisch-islamitische politici, omdat het hun verzekert van de steun van internationale instituties en vredesorganisaties. Aangezien zij, anders dan de Bosnische Kroaten en Serviërs, hun etnische identiteitspolitiek zonder de rugdekking van een ‘moederland’ moeten voeren, is die steun voor hen onontbeerlijk.

Al met al heeft dat tot gevolg dat de Bosnisch-Servische politici die het voortbestaan van de Servische Republiek voor ogen hebben, en dat zijn er veel, het niet wagen om de genocide te erkennen. Daarmee zouden ze onmiddellijk de rechtmatigheid van het bestaan van de eigen republiek in twijfel trekken, en dat terwijl die republiek voor de Serviërs de belangrijkste voorwaarde is om de huidige staat Bosnië überhaupt te tolereren. Daarnaast zijn veel Bosnisch-Servische politici niet van plan om het nationalisme van de moslims te valideren. Milorad Dodik noemde de Bosnische moslims onlangs zelfs een volk van ‘bekeerlingen’ dat geen eigen staat waardig is, maar ‘onderdanig’ is omdat het de verregaande macht van de Hoge vertegenwoordiger van de VN accepteert. Bovendien past het erkennen van de genocide ook niet bij het uiteindelijke droomplaatje van veel Bosnisch-Servisch politici: de aansluiting van de Servische Republiek bij ‘moederland’ Servië.

De cynische koppigheid van de nationalistische Bosnisch-Servische politici vormt dus een wezenlijk obstakel voor een vredig, multi-etnisch Bosnië. Maar het mag duidelijk zijn dat de impasse niet alleen te wijten valt aan de houding van de Bosnische Serviërs. Dat de Bosnische moslims tussen 1992 en 1995 het voornaamste slachtoffer werden van bruut geweld is onrechtvaardig, maar dat neemt nog niet weg dat ook zij zich voortdurend schuldig maken aan het etnisch nationalisme dat feitelijk kan worden aangewezen als de bron van alle ellende. Daarmee zijn ook de ideeën van collectief slachtofferschap die daar een onderdeel van zijn feitelijk niet bestreden, maar paradoxaal genoeg juist versterkt. Het lijkt daarom een weinig hoopvolle, zo niet uitzichtloze situatie te zijn geworden.

Voor een ieder die zich bekommert om het lot van de Bosniërs rijst daarom de vraag: Wat is hieraan te doen? Het antwoord daarop zal ongetwijfeld erg ingewikkeld zijn, maar het zal hoe dan ook gestoeld moeten worden op een grondige scepsis tegenover het etnisch nationalisme in Bosnië. Het zou daarom allereerst wijs zijn voor de Nederlandse staat, Nederlandse Bosniërs en andere Nederlandse partijen om een meer kritische houding aan te nemen ten opzichte van de bredere politieke functie van Srebrenica, juist óók wanneer deze zich verschuilt achter de gedaante van een humanitaire herinneringscultuur. Het herinneren van de genocide zal bij afwezigheid van een fundamentele kritiek op de etnische identiteitspolitiek die het doorkruist niet leiden tot de aanpak van de onderliggende oorzaken van conflict en geweld in de regio. Laat Srebrenica daarom een aangrijppunt worden voor een kritische herinnering aan de gevaren van etnisch nationalisme.

Dit betekent concreet gezien dat waar het gaat om traumaverwerking en verzoening, de herinneringscultuur moet worden teruggegeven aan de nabestaanden, slachtoffers en directe betrokkenen van Srebrenica. Commerciële films en publieke tentoonstellingen zijn daarvoor niet de aangewezen middelen, omdat zij binnen de etnische identiteitspolitiek van Bosnië de onteigening van het leed van die groepen mogelijk maken en ideeën van collectief slachtofferschap verspreiden. De toe-eigening van dat leed door de gehele Bosnische moslimgemeenschap heeft als zodanig al iets respectloos, maar wanneer het dient om een nationalistische agenda te bevorderen moet het al zeker verworpen worden.

Daarbij zal het van doorslaggevend belang zijn om bij het humanitaire aspect van de herinnering de genocide te plaatsen in de context van het etnisch nationalisme dat in eerste instantie het geweld mogelijk maakte. Dat houdt ten eerste in dat het idee dat een etnische groep haar eigen territoriale staat moet optuigen omdat ze anders onveilig zou zijn overal moet worden bestreden waar het opduikt, zo ook in de herinneringscultuur. Anderzijds houdt dat in dat de betrokkenheid van Bosnische Serviërs een noodzakelijke voorwaarde is voor een zinvolle, constructieve herinnering aan Srebrenica. Bij afwezigheid van die groep zal de herinneringscultuur namelijk onvermijdelijk gekaapt worden door de etnische identiteitspolitiek.

Tot slot zullen de internationale gemeenschap en het Westen realistisch moeten blijven en zichzelf in de spiegel moeten durven aankijken. De laatste jaren is er over de gehele Westelijke Balkan een zekere heropleving van nationalistische sentimenten te bespeuren die door de EU en de VS geduld of zelfs gesteund lijkt te worden. In een open brief waarschuwden daarom eerder dit jaar al 350 academici, politici, journalisten en activisten – waaronder de Nederlandse vredesorganisatie PAX – tegen de groeiende normalisering van de etnische geopolitiek aldaar. De pleitbezorgers schreven dat officieuze voorstellen om Bosnië, Kosovo of Noord-Macedonië op te delen langs etnische lijnen, zoals die van de Sloveense premier Janez Janša, onvermijdelijk zullen leiden tot verschillende vormen van geweld. Nu de kans op een gewelddadige escalatie in de regio groter wordt, is het zaak voor het Westen om zich af te vragen hoe ver het deze keer wil gaan om de vrede in Bosnië te bewaken. Een eensluidend antwoord op die vraag is gezien de dramatische gevolgen van de halfslachtige VN-interventie van de jaren negentig al helemaal geboden. Het is echter te hopen dat er dan nog wat over is van de bereidwilligheid om burgerlevens daadwerkelijk te beschermen.


Jasmin Palamar (1995) studeert geschiedenisonderzoek aan de Universiteit Utrecht