De hermansianen

PIRATENUITGAVEN voor krankzinnige bedragen. Zeldzame foto’s van de reis door Zuid-Afrika te ruil tegen Tranen der acacia’s, zevende druk, bruinkaft, bij menigeen een tergend gat in de collectie. In pauzes van lezingen en na afloop van debatten, immer was er levendige handel gaande. Waar W.F. Hermans was daar waren zij, de hermansianen, een honderdkoppig lezersvolkje, ijverig speurend naar biografische werkelijkheid binnen de fictie van de meester. En vier jaar na Zijn dood zijn ze er nog steeds.

Tonnie Luiken was altijd van de partij. Hij besloot begin jaren negentig een blaadje op te richten om de handel in hermansiana in betere banen te leiden. Een fotokopieerapparaat werd aangeschaft en in september 1991 verscheen het nulnummer van de WFH-Verzamelkrant in een oplage van zo'n vijftig stuks. Het periodiek had onverwacht grote aantrekkingskracht op andere hermansianen. Wim van der Beek, Dirk Baartse en Bob Polak meldden zich aan. Behalve advertenties kwamen er ook redactionele stukken in het kwartaalblad te staan. De oplage bleef verdubbelen. Bij Athenaeum, waar Luiken ze op de fiets kwam brengen, werden er soms wel vijftig verkocht. Over de te varen koers ontstond al snel verschil van inzicht. Bob Polak, indertijd eindredacteur: ‘Tonnie Luiken wilde per se dikke vriendjes met Hermans zijn. Hij schreef van die lieve stukken.’ Redacteur Dirk Baartse vond dat ook. 'Luiken wilde hem zelfs de drukproeven van tevoren laten inzien! Dat is toch de dood in de pot, als je dingen gaat voorleggen aan het onderwerp van je studie.’ Op Wim van der Beek kon hoofdredacteur Tonnie Luiken tenminste bouwen. Van der Beek onderhield een zorgvuldig opgebouwde relatie met Hermans, die hij onder geen voorwaarde in gevaar wilde brengen. Van der Beek: 'Vooraf inzien leek Hermans zelf ook niet meer dan fatsoenlijk. Toen ik het hem voorstelde bij een optreden, klopte hij mij op de rug en zei: deze meneer heeft goede ideeën.’ Idolaat was Van der Beek van Hermans. In 1975 ging hij naar Parijs om de romancier op te zoeken in diens peperdure Jugendstilappartement aan de Rue Théodule Ribot. Mevrouw Hermans verscheen in de deuropening. 'Wat denkt u wel, dat u hier zo kunt aanbellen’, schreeuwde ze. Weer op straat sloeg de verbouwereerde Van der Beek een hoek om en, o wonder, daar stond de meester zelf. Met bevende stem richtte Van der Beek het woord tot hem. Van der Beek: 'Eerst schrok hij zich rot dat hij midden in Parijs dat Nederlands hoorde. Toen zei hij bestraffend: zou u zich niet eerst eens voorstellen? We raakten in gesprek. Over de herdrukken van Paranoia die eindelijk konden omdat Van Oorschot recht op verbetering had gegeven. Hermans zei: kom mij morgen maar opzoeken. De volgende dag, z'n vrouw keek heel vuil. Ik heb een uur met hem gesproken. Gewezen op een onmogelijkheid in Herinneringen van een engelbewaarder. Als hoofdpersoon Alberegt zelfmoord wil plegen komt de kogel vast te zitten in het pistool. Ik had dat uitgezocht en zoiets schijnt echt niet te kunnen. Verder wees ik hem op een fout in Ik heb altijd gelijk. Ergens staat “woensdag” terwijl het in de volgorde van het boek “donderdag” moet zijn. In een herdruk is dat gecorrigeerd, fantastisch natuurlijk.’ NET ALS VAN DER BEEK was ook Tonnie Luiken dikke vriendjes met W.F. Hermans. Luiken: 'In het Verzetsmuseum heb ik uren met hem zitten praten. Echt lachen die man. Vriendelijk ook.’ Totdat mevrouw Hermans erbij kwam. 'Dat is een akelige man, Wim’, zei ze. 'Wat hij over mij schrijft, daar klopt geen snars van.’ Luiken had in de jongste aflevering van de WFH-Verzamelkrant geschreven over Frans Janssen, met wie Hermans ruzie had. Mevrouw Hermans zou gezegd hebben: 'Straks raak je al je vrienden nog kwijt, Wim.’ Luiken: 'Dat heb ik echt uit betrouwbare bron gehoord. Hermans heeft toen tegen mij gezegd: ik hou je nu in de gaten Luiken, maar na mijn dood zoek je het maar uit.’ Bob Polak en Dirk Baartse namen van het begin af aan de grootst mogelijke distantie in acht. Baartse: 'Wij zijn kritische bewonderaars, geen blinde bewoneraars.’ Polak: 'Hermans was een lul van een kerel. Hij was contactgestoord. Een rare, vreemde, verknipte man.’ Een sluimerend conflict dus, binnen de WFH-Verzamelkrant. Toen Polak, anoniem, de boekjes Lebensraum en Pang publiceerde, sloeg de vlam in de pan. Luiken: 'Hij heeft Hermans belasterd met Lebensraum en Pang. Het was niet alleen roven, er waren ook suggestieve zinnetjes toegevoegd die het oorlogsverleden van Hermans ten onrechte in een kwaad daglicht stelden.’ Polak: 'De kleffe kliek durfde niet naar het verleden van Hermans te kijken. Ik was nieuwsgierig naar wat Hermans zelf in de oorlog had gedaan en wilde hem uit de tent lokken. Hij kwam over de vloer bij Van Gasteren senior, een bekend lid van de Kultuurkamer. Verder maakte ik er melding van dat hij heeft doorgewerkt als assistent aan de universiteit in '43 en '44, toen die in handen was van de Duitsers.’ Een boze W.F. Hermans liet direct beslag leggen op alle exemplaren. Polak moest hem 20.000 gulden schadevergoeding betalen. Polak: 'Ik wist dat Hermans kwaad zou worden. Maar ik vind nog altijd dat hij met een pamflet had moeten terugslaan. Niet als een kleine jongen naar justitie voor een schadevergoeding. Luiken moet nu niet schijnheilig doen. Voor Pang, waar hij zo boos over is, heeft hij zelf de distributie gedaan. Hij heeft Athenaeum en Martirium bevoorraad.’ Luiken: 'Polak liet het vuile werk graag door mij opknappen. Ik moest Pang distribueren maar had het nog niet gelezen.’ Behalve Lebensraum en Pang werd op last van W.F. Hermans ook de WFH-Verzamelkrant nummer 5 uit de handel genomen. Luiken: 'Door Polaks malicieuze publicaties pakte hij ook het tijdschrift. Alle 54 overgebleven exemplaren zijn we kwijt. Omdat er een brief van Hermans aan Fokke Sierksma in stond waarvoor ik geen rechten had betaald. Tot die tijd kon het Hermans niets schelen als ik zo'n kleinigheid publiceerde. Door Polak ging Hermans mij ook scheef aankijken. Gelukkig was het weer koek en ei toen ik die duizend gulden boete had betaald.’ Luiken aarzelde niet en gooide Polak en Baartse uit de redactie van de Verzamelkrant. Na negen nummers moesten de 175 abonnees in november 1993 een keuze maken. Of bij Luiken blijven, die met Van der Beek op de softe toer verder ging met de WFH-Verzamelkrant. Of met Polak en Baartse mee, die onder de naam Hermans Magazine het kritische pad opgingen. Luiken: 'Met dictator Polak valt niet te werken. Niet voor niets is hij eruit getrapt bij Propria Cures, HP en Het Parool.’ Polak: 'Luiken hoort stemmen, heeft wanen. Nu, zonder Luiken loopt het als een trein. We hebben tweehonderd vaste abonnees, vijftig losse verkoop.’ Baartse: 'We hebben zelfs een stagiaire. Zij zoekt de stamboom van moeder Hermans uit.’ ZIJ DIE VOOR Luiken hadden gekozen kwamen op 27 april 1996, een jaar na het overlijden van Hermans, in het bezit van een wel heel exclusief collector’s item, het zogenaamde Sterfboek. Het zag er prachtig uit en bevatte tal van onvermoede hermansiana: tekeningen, gedichten, brieven en ansichtkaarten. De weduwe sprong uit haar vel van woede toen ze bemerkte dat de auteurswet met voeten getreden was. Op 3 mei al was het Sterfboek verboden en uit de roulatie genomen. Tonnie Luiken werd op een vroege ochtend van zijn bed gelicht. In zijn pyjama keek hij toe hoe agenten en deurwaarders de administratie van de WFH-Verzamelkrant en zijn complete Hermans-collectie in vuilniszakken en dozen propten. Luiken, die na een langdurig verblijf in de Valeriuskliniek net weer thuis was, brak in een ouderwetse vlaag van verstandsverbijstering de glazen van zijn bril in stukken en jaste in pols en hals zijn aderen door. Zonder medicijnen en alleen met een flard van zijn overhemd om het bloeden te stelpen, bracht hij dagen in de cel door. De rechter oordeelde dat Luiken voor elk van de driehonderd uitgegeven exemplaren honderd gulden boete moest betalen. Daar bovenop kwamen nog eens de proceskosten, ongeveer tienduizend gulden. Luiken zit diep in de schulden. Om er uit te geraken werkt hij nu aan het Tweede Sterfboek, dat komend voorjaar zal verschijnen. Vooruit, een tipje van de sluier: de identiteit van een nog in leven zijnde schrijfster met wie Hermans naar bed is geweest, zal in dat boek worden onthuld. Dirk Baartse en Bob Polak Dirk Baartse is zo uitzinnig dat hij struikelt over een Amsterdammertje. 'Daar, Magna Plaza. Nu een commercieel bolwerk, vroeger het postkantoor. Wordt uitvoerig beschreven in Madelon in de mist van het schimmenrijk.’ Handen te kort komt hij. 'Daar pakte Hermans de tram naar West, als hij naar huis ging.’ We slaan de Paleisstraat in. 'Hier stond het prikkeldraad al. Daar op de hoek bij Peek en Cloppenburg was de Grote Club. Vanaf 1942 was er het Hafenkommando van de Kriegsmarine gevestigd. In mei '45 namen SS'ers van hieruit een menigte onder vuur.’ We ploegen door de stroom winkelend publiek die de Kalverstraat uitbraakt op de Dam. Bob Polak wijst naar de paleisklok en citeert een vermaarde passage uit De tranen der acacia’s: 'De opengewerkte vergulde wijzer van de paleisklok wees vijf over negen aan. Het kan nu toch niet lang meer duren tot hij komt, dacht Arthur en hij wandelde naar de kiosk.’ We steken het Rokin over. 'Waar nu die twee leeuwen van het monument staan stonden toen twee kiosken’, zegt Baartse. 'Arthur staat hier te wachten op de postbode. Hij moet bericht krijgen van Oskar die in de Noordoostpolder zit.’ Polak: 'Dat gebeurde in werkelijkheid ook, dat mensen brieven naar die kiosken lieten sturen. Zodat de bezetter het niet merkte.’ We lopen door het Beurspoortje waar Henri Osewoudt in De donkere kamer van Damokles het zoontje van de foute Lagendaal achterlaat. Polak: 'Nadat hij het jochie is kwijtgeraakt, springt hij op het achterbalkon van de eerste de beste tram die passeert.’ We lopen langs de effectenbeurs. Polak en Baartse trekken een vies gezicht. Niet vanwege de effectenbeurs maar vanwege de overkant, Rokin 44, met opschrift 'H. Drijfhout & Zoon’. Baartse: 'Daar zat Meulenhoff. Die wilde Conserve, de debuutroman, niet uitgeven. Ze hebben het geweten.’ We steken door een roodmarmeren gangetje en passeren Frascati. In Ik heb altijd gelijk vindt hier een tumultueuze manifestatie plaats van een politieke partij waarbij hoofdpersoon Lodewijk betrokken is. We houden weer halt bij Het Huis aan de Drie Grachten aan de Oudezijds Voorburgwal. Hier zat boekhandel A.A. Balkema. Polak: 'Hermans kwam er graag. Er werkte een meisje waar hij verliefd op werd, Elly Freem. Zij stond model voor Lily in een van de verhalen in Moedwil en misverstand.’ Om de hoek slaan we rechtsaf de Slijkstraat in. Baartse: 'Karel uit Madelon in de mist van het schimmenrijk zat hier als een rat in de val. Dodelijk gewond weet hij te ontsnappen.’ De tocht eindigt in café De Engelbewaarder, waar de uitgeputte fanaten een borrel drinken. Tonnie Luiken en Wim van der Beek Met trillende vinger belt Tonnie Luiken aan. Wim van der Beek doet enkele passen naar achteren om te zien of boven soms iemand voor het raam verschijnt. Een zoemer klinkt. Luiken drukt de deur open. Boven aan de trap staat een man in een witte badjas; ver in de tachtig moet hij zijn. 'Ik hou niet van die gesprekken’, zegt de man in de witte badjas. Luiken: 'Duurt maar heel kort, meneer. Kent u Knottenbelt nog? Hij was met de Duitse inval 53 jaar oud. Hij heeft een auto gevonden met daarin twee dode mensen.’ 'Heb ik nog nooit van gehoord.’ Van der Beek: 'Uw vrouw misschien?’ 'Die is er niet. Heb het mens ook helemaal geen interesse in.’ Als iemand het weet is hij het wel, zeiden de buren. Hij woont er al zeventig jaar. Al toen het nog geen Amstelveenseweg heette, maar Zuidelijke Wandelweg. Een zekere Knottenbelt moet in deze buurt gewoond hebben. Op de vroege ochtend van 2 mei 1940 deed Knottenbelt een lugubere ontdekking. Een man en een jonge vrouw in een auto, vreemd onderuitgezakt. Alletwee een druipende kogelwond in het hoofd. Het automatisch pistool in de man zijn hand rookte nog. Het meisje is Corry Hermans. De zus van W.F. Hermans. De jongeman is Pieter Blind, een politieagent. Een neef van Corry en Wim. 'Die Knottenbelt, die ken ik wel. Hij was bakker’, zegt de man in de witte badjas. Luiken: 'Daarom moest hij natuurlijk om vier uur ’s(ochtends de straat op.’ 'Maar er zijn er zo vele Knottenbelten.’ Van der Beek: 'In heel Amsterdam zijn dat er maar vier.’ Via het Gemeentearchief, waar we de stamkaart van agent Blind inzien, rijden we naar De Wolkenkrabber, aan het Victorieplein. Arthur Muttah, uit De tranen der acacia’s woonde daar, op de achtste volgens Luiken. We sjokken via de wenteltrap naar de achtste en genieten van het panorama zoals architect Staal dat ongetwijfeld gewild heeft. De dag eindigt bij Van der Beek thuis. Op enkele drukken na heeft hij in drie fraaie eikehouten boekenkasten met glazen schuifjes werkelijk alle uitgaven staan. In een kluis bewaart hij handgetypte exemplaren. Geschatte waarde: een half miljoen. 'Van Moedwil en misverstand heb ik niet het eerste omslag’, klaagt Van der Beek. 'Ik hoorde achteraf dat het voor 1500 gulden geveild is. Balen dat ik daar niet bij was. En een achtste druk van Het sadistisch universum mis ik nog. Dat is lastig zoeken. Van Oorschot heeft alleen jaartallen erin staan. Dan kijk ik naar schutbladen, of extra pagina’s. Bruinkaft of zwartkaft. Zo moet ik puzzelen.’