Iedereen houdt van Rijnland

De herrijzenis van het Rijnlandse kapitalisme

Door de crisis lopen de paradepaardjes van het Rijnlandse kapitalisme – van de Duitse Landesbanken tot de automobielindustrie – op hun laatste benen. Toch lijkt het model in Nederland populairder dan ooit.

BERLIJN – In de zomer van 2007 is zakenbank Lehman Brothers nog niet failliet, zijn hypotheekgiganten Fannie Mae en Freddie Mac zelfstandig en groeit de Amerikaanse economie. Donkere wolken pakken zich samen, maar het Angelsaksische kapitalisme is vooralsnog springlevend. Dat geldt niet voor drie banken aan de andere kant van de oceaan. IKB, WestLB en Sachsen LB dreigen failliet te gaan. Ze zitten tot hun nek in de risicovolle, verliesgevende beleggingen. Vooral Amerikaanse hypotheekproducten hangen als molenstenen om hun nek.
Opvallend genoeg gaat het niet om zuiver commerciële banken. Snelle Wall Street-jongens en graaiende zakenbankiers zijn hier ver te zoeken. IKB is deels privaat, deels publiek bezit. De andere twee zijn zogenoemde Landesbanken. Eigenaar zijn de Duitse deelstaten en de, net zo publieke, lokale Sparkassen. In de raden van toezicht zitten vooraanstaande politici. Oerdegelijke staatsbanken dus, Rijnlandse instituties pur sang. Toch?
Deze week noemde de Duitse eurocommissaris Günter Verheugen zijn land in een interview met de Süddeutsche Zeitung ‘wereldkampioen riskant bankieren’. ‘Nergens ter wereld, ook niet in Amerika’, aldus Verheugen, ‘hebben banken zich gretiger op niet te calculeren risico’s gestort, de Landesbanken voorop. Dat heeft nu dramatische gevolgen voor de Duitse belastingbetaler.’
Met miljarden euro’s moesten de staat en collega-banken Sachsen LB, WestLB en IKB redden. Daarmee was de crisis voor de Landesbanken niet voorbij. Inmiddels heeft ook BayernLB 5,4 miljard euro steun uit het reddingsfonds voor de banken ontvangen. En ook voor HSH Nordbank, de Landesbank van Hamburg en Sleeswijk-Holstein, moesten de twee toch al diep in de schulden zittende deelstaten in de buidel tasten.
Vanwege de chaos bij de banken heeft bovendien het ene na het andere regionale politieke kopstuk het veld moeten ruimen. Door de innige samenwerking tussen overheid en markt betekent het falen van de Landesbanken immers automatisch ook het falen van de politiek. Zo gaat dat, in het Rijnlandse model.

HET IS BOVENAL bij de gratie van zijn tegenstander, het Angelsaksische model, dat het Rijnlandse kapitalisme bestaat. De term werd in 1991 gemunt door de Franse econoom Michel Albert in zijn boek Capitalisme contre Capitalisme. Het Rijnlandse kapitalisme onderscheidt zich volgens aanhangers op enkele belangrijke punten van de neoliberale, Angelsaksische variant. Het kenmerkt zich door corporatistische, op consensus gerichte structuren, waarin overleg tussen bedrijven, vakbonden en de staat voorop staat. Niet de aandeelhouders, maar de stakeholders beslissen. Dat zou volgens voorstanders het langetermijndenken binnen bedrijven bevorderen, in tegenstelling tot de Angelsaksische kortademigheid, gedreven door snelle winst. In Rijnlandse economieën delen door het sociale stelsel bovendien bredere lagen van de bevolking in de welvaart. Ten slotte houdt het Rijnlandse model volgens sommigen ook in dat werkgevers zich sociaal verantwoordelijk opstellen. Zij zorgen voor hun werknemers.
Alle mooie woorden ten spijt leek het Rijnlandse model enkele jaren geleden op sterven na dood. Direct na de eeuwwisseling verkondigde The Economist het einde van dit kapitalisme. Zelfs in bakermat Duitsland won de Angelsaksische variant aan invloed; Nederland was al eerder om.
Maar de kredietcrisis heeft het kapitalisme-met-een-menselijk-gezicht nieuwe vleugels gegeven. Minister van Financiën Wouter Bos is ervoor, socialist Jan Marijnissen heeft zich ertoe bekend, evenals een bankier als Rabo-topman Bert Heemskerk. Van de Belgische christen-democratische leider Yves Leterme verschijnt deze week een boek waarin hij probeert aan te tonen dat het Rijnlandse kapitalisme beter is dan de Angelsaksische variant. En ook zijn Duitse collega Jürgen Rüttgers, de christen-democratische minister-president van Noord-Rijnland Westfalen, is een verklaard voorstander. Hij sprak vorige week samen met voorzitter Alexander Rinnooy Kan van de Sociaal Economische Raad op een conferentie in het gebouw van de Eerste Kamer over een ‘her- en opwaardering van het Rijnlandse model’.
Uitvinder Michel Albert himself zei onlangs in een interview met NRC Handelsblad het Rijnlandse model nog steeds superieur te achten. Daarbij roemde hij de sociale bescherming in Europa, het overleg tussen werkgevers en werknemers en de ethische houding van bedrijven. Enkele jaren eerder had Albert tegenover het Duitse WirtschaftsWoche al gesteld dat het Rijnlandse kapitalisme nog steeds functioneert, bijvoorbeeld in Scandinavië. Maar in Duitsland niet meer. ‘Het Duitse financiële systeem, met zijn vervlechting tussen banken en ondernemingen, kortom de bv Duitsland, heeft zichzelf overleefd’, aldus Albert.
De kredietcrisis lijkt hem gelijk te geven. ‘Rijnland’ is populairder dan ooit. Maar voor de thuisbasis van het Rijnlandse kapitalisme, de Duitse sociale markteconomie, stapelen de problemen zich op. De uitlatingen van minister van Financiën Peer Steinbrück vorig jaar, dat de kredietcrisis een Amerikaanse aangelegenheid is, doen inmiddels net zo irreëel aan als de meermaals door zijn Nederlandse collega Bos herhaalde geruststelling dat de crisis Nederland minder hard zal treffen dan andere landen. De cijfers ontkrachten het Rijnlandse superioriteitsgevoel. De van de export afhankelijke Duitse economie krimpt veel sneller dan die van andere landen. Het afgelopen kwartaal zelfs met 6,7 procent ten opzichte van een jaar geleden, een unicum in de naoorlogse geschiedenis. Er wordt gevreesd voor meer dan vijf miljoen werklozen.
Uitgerekend op het oog typisch Rijnlandse instituties staan op omvallen. Een voorbeeld is de auto-industrie. Net als bij veel andere grote bedrijven zitten er afgevaardigden van de werknemers in de raden van commissarissen. Er is zelfs een speciale ‘Volkswagen-wet’, die de deelstaat Nedersaksen als grootaandeelhouder (met twintig procent van de aandelen) de mogelijkheid geeft maatregelen van het concern te blokkeren. Die inspraak van staat en werknemers kan typisch Rijnlands worden genoemd. Het voorkomt ook arbeidsonrust. Maar het heeft niet geleid tot een andere bedrijfsvoering, met meer aandacht voor de perspectieven van de auto-industrie op lange termijn.
De Duitse auto-industrie kampt met dezelfde problemen als de Angelsaksische collega’s: een gigantische overproductie van milieuvervuilende, energieverslindende auto’s. Om massaontslagen te voorkomen werken werknemers nu in deeltijd. Opel hoopt op staatssteun. Een door de overheid gefinancierde schrootpremie voor oude auto’s houdt vooralsnog de verkoop van nieuwe exemplaren op peil.
Zoals bekend zijn ook de Rijnlandse banken niet immuun gebleken voor de, toegegeven, in de Angelsaksische wereld veroorzaakte crisis. Een belangrijke oorzaak daarvan ligt in Brussel. De nauwe verstrengeling tussen geld en politiek bij de Landesbanken zorgde begin deze eeuw volgens de Europese Unie voor oneerlijke concurrentie. Als gevolg van die uitspraak is een belangrijk deel van de overheidssteun en garanties weggevallen. De Landesbanken moesten over de grens gaan kijken en zich met risicovolle activiteiten inlaten. Ook het psychologische aspect kan een rol hebben gespeeld. Meedoen in het spel met de grote, Amerikaanse zakenbanken is sexy, als vanouds bijdragen aan de opbouw van de regionale economie heel wat minder. Zelfs de lokale spaarbanken, de Sparkassen, konden niet altijd die verleiding weerstaan. In elk geval in Noord-Rijnland Westfalen zouden enkele fors hebben geïnvesteerd in complexe derivaten. Financiële producten die de bankiers zelf waarschijnlijk amper konden doorgronden.
IN DE ZOMER van 2007 ging de toen nog prille crisis niet aan de Duitse banken voorbij. En ook in de zomer van 2009 zullen de zichzelf als Rijnlands beschouwende economieën met dezelfde problemen kampen als de Angelsaksische. Een uitgelekt, omstreden schaderapport van de Duitse toezichthouder Bafin maakt dat pijnlijk duidelijk. Van de 816 miljard euro aan financiële risico’s die de banken lopen, zou het voornaamste deel bij de Landesbanken liggen. Volgens Der Spiegel gaat het om 180 miljard aan giftige producten en 175 miljard aan waardepapieren die op dit moment niet verhandelbaar zijn.
In één en dezelfde wereldeconomie blijkt de lijn tussen Angelsaksisch en Rijnlands moeilijk te trekken. Beide kampen met dezelfde crisis. Beide hebben te gehoorzamen aan dezelfde logica, die draait om winst maken. Welke gevolgen heeft dat voor de discussie over het Rijnlandse model? Weinig, zo ziet het ernaar uit. De Rijnlandse economieën mogen diep in de penarie zitten, het model bloeit als zelden tevoren. Van werkgevers tot werknemers, van links tot rechts, van de ‘hervormers’ van de verzorgingsstaat tot tegenstanders van die ‘afbraak’: iedereen houdt van Rijnland.
Zulke eendracht is enkel mogelijk bij heel veel vaagheid. Zolang onduidelijk blijft wat die Rijnlandse, sociale markteconomie concreet inhoudt, kan iedereen er zijn eigen versie op nahouden. Over welk Rijnlands model hebben we het? Dat wat vroeger bestond of dat van nu? Het Duitse, het Nederlandse of zelfs het Scandinavische? Het Rijnland van vóór het neoliberale tijdperk of van erna?
Door dat gebrek aan helderheid kan het debacle rond de Landesbanken eenvoudig geweten worden aan de opkomst van Angelsaksische mores. Die waren zelfs tot de Rijnlandse instituties doorgedrongen. Niet voor niets was het bij Sachsen LB een Ierse dochter die met kortlopende kredieten fors investeerde in Amerikaanse hypotheken. In een echte Rijnlandse economie was dat niet gebeurd. Maar dat zou betekenen dat het Rijnlandse kapitalisme niet meer bestaat. En dat spreekt weer politici als Bos en Steinbrück tegen, die erop hameren dat hun Rijnlandse economieën beter bestand zijn tegen de crisis dan de Engelse en Amerikaanse. Wil het echte Rijnlandse model opstaan?
Misschien is het hele debat hieromheen eerder een manier om de aloude vraag te herformuleren: welke verhouding tussen staat en markt is nodig? Over die vraag zijn de Rijnlanders het onderling net zo oneens als de rest van de wereldbevolking. Maar het Duitse geworstel met de Landesbanken toont aan dat er een andere, belangrijkere kwestie is. Het gaat er niet zozeer om dát de staat de markt controleert, maar hóe die dat doet. Het Rijnlandse alternatief is op dat vlak gezakt voor de eerste tests.