Nederland heeft geen Romantiek gekend

De herziene Romantiek

Een grote tentoonstelling in Rotterdam wil de Nederlandse Romantiek eens en voor altijd uit het verdomhoekje halen. Dat is een flinke opgave, want volgens de gangbare opvatting heeft ons land eigenlijk helemaal geen Romantiek gekend.

De definiëring van de Romantiek is zowel nationaal als internationaal, zowel voor de beeldende als voor de literaire kunsten, toe aan een heroriëntatie. Er is een overdreven beeld geschapen van de Romantiek, cirkelend rond figuren als de dichters Byron en Johann Christian Friedrich Hölderlin, een beeld waarbij de Romantiek als kunststroming zich zou kenmerken door destructie, waanzin, streven naar het onmogelijke en exuberantie. Dit beeld is slechts van toepassing op het leven van enkele individuele kunstenaars die inderdaad de grenzen van de maatschappij verkenden. Ook is destructie terug te vinden in de karakters van romanhelden uit de Romantiek, bijvoorbeeld in Heathcliff uit Emily Brontë’s Wuthering Heights. Maar de obsessie met on der gang is niet wat de Romantiek kenmerkt.

Jacob Geel (1789-1862) was in 1835 hoog leraar in Leiden. Tot zijn leedwezen zag hij dat jonge getalenteerde studenten dweepten met de nieuwe, romantische stroming in de kunst. Hijzelf was meer geporteerd voor een kunst die zich op de klassieken baseerde, hoewel hij tegelijk voor vernieuwing in de genres was. In zijn bekende essay Gesprek op den Drachenfels (1835) karakteriseert hij de Romantiek. Hij laat drie vrienden de Drachenfels beklimmen, een rots aan de Rijn die een romantische aantrekkingskracht op reizigers uitoefende. De drie vrienden hebben een gesprek over de Romantiek. Eén is voorstander van de klassieke kunst, één is romanticus, en de derde neemt een neutrale positie in. De tegenstander lokt de voorstander uit om een definitie van het wezen van de Romantiek te geven. Hij drijft hem tot wanhoop door hem op socratische wijze steeds te tarten met wat de Romantiek niet is, tot de romanticus eindelijk uitbarst: «Beschrijving, beschrijving, (riep hij alsof hij wanhopend werd) beschrijving, teekening, schildering, naauwkeurige opmerking der fijnste bijzonderheden.» Hij voegt daar nog enkele an dere kenmerken aan toe die minder aan de schilderkunst doen denken: de Romantiek streeft naar ontleding van de drijfveren van een daad, ze ontleedt de werking van de ziel in al haar weifelingen en tegenstrijdigheden, ze analyseert een gebeurtenis met al de wisselvalligheden die daarbij horen. Ze bestudeert de natuur in al zijn vormen, kleuren en tinten. Ze zoekt de kracht van de tegenstelling tussen het schone en het misvormde, het verhevene en het gewone, het ware en het valse, het goede en slechte. Die kracht van de tegenstelling is het voornaamste kenmerk van de Ro man tiek, maar daarin volgt zij de natuur die zelf al die tegenstrijdigheden aanlevert en door de contrasten het een tegen over het ander sterker doet uitkomen. Tot zo ver Geel, in zijn slimme analyse van de Romantiek, die in deze zin dus een realistische kunst is, want ze is op beschrijving van de tegenstellingen in de natuur uit.

Wanneer men de contrastwerking als het voornaamste formele en inhoudelijke kenmerk van de romantische kunst aanvaardt, kan men zich voorstellen hoezeer de schrijvers de schilders benijdden. In de schilderkunst kan men contrasten synchroniseren, terwijl de romanschrijver altijd met een sequentie te maken heeft. Hij kan alleen maar contrasteren in een opeenvolging, maar nooit gelijktijdig. Wie de regenboog schildert die opkomt als een onweersbui wegtrekt, kan in een breed beeld licht en donker combineren. De schrijver moet eerst de onweersbui beschrijven en kan pas in een volgende alinea het licht laten doorbreken.

De vraag naar de verhouding tussen schilderkunst en literatuur in de Romantiek roept meteen een nieuwe vraag op, die al vele jaren onbevredigend beantwoord is gebleven: wat was de letterkundige Romantiek in Nederland eigenlijk? In het algemeen kan men stellen dat de Romantiek een stroming is die zich aan het einde van de achttiende eeuw begon te ontwikkelen, doorlopend tot ongeveer 1850. Het is geen stroming geweest die direct aan een enkele school of groep verbonden kan worden die de ideeën exclusief naar buiten gebracht heeft, zoals dat bijvoorbeeld van het symbolisme en het futurisme gezegd kan worden. Kenmerkend zijn drie begrippen. In de eerste plaats is van belang de breuk met de traditie. De Romantiek zet niet automatisch voort, maar bezint zich op de erfenis. Oude vormvoorschriften en oude genre-indelingen verdwijnen ten gunste van nieuwe vormen. Kunstvormen mo gen gemengd worden: in een roman kunnen brieven, gedichten en liederen voorkomen. Een gedicht kan overstappen van het ene rijm schema in het andere, van het ene metrum in het andere. In Frankrijk is deze breuk sterker dan elders, omdat het classicisme daar nog overheersend is; in Engeland is er een veel natuurlijker overgang, met name omdat het proza daar al vroeger tot bloei is gekomen.

De breuk met de traditie laat onverlet dat het historicisme – de incorporatie van het verleden in het heden – een tweede kernwoord is van de Romantiek. Allerwegen ziet men in de kunsten een hergebruik van het verleden. De spoorwegstations die gebouwd worden voor een totaal revolutionair vervoermiddel grijpen terug op de vormen van kathedralen of paleizen. De Middeleeuwen lijken onuitputtelijk te zijn in het leveren van stof voor een roman of schilderij. De historieschilderkunst wordt het hoogst gewaardeerd binnen de verschillende genres, evenals de historische roman.

Daar zit een tegenstrijdigheid in die men niet zo makkelijk kan verklaren. Hoe kan een kunst die zo wil breken met de erfenis van het verleden wat de stijl betreft zich in de inhoud zo vastklampen aan de historie? Het is geen paradox die met nostalgie te verklaren valt. De aandacht voor het voorbije heeft metafysische dimensies en moet gezien worden als een van de manieren die de kunstenaar hanteert om bij de kennis van de menselijke geest te komen. Daarbij begrenst hij de mens niet tot zijn fysieke levensjaren, maar hij betrekt verleden en toekomst bij zijn daadwerkelijke aanwezigheid. In de mens schuilen zijn voorvaderen en zijn nageslacht, en zij maken deel uit van zijn hele existentie. Wanneer de romantische kunstenaar dus het verleden exploreert in zijn schilderstukken of zijn literair werk zoekt hij naar waarheden die op zijn eigen tijd toepasbaar zijn. Het historicisme moeten we dus als een fundamentele uitbreiding van de menselijke denkwereld beschouwen. Allerlei thema’s die in de Romantiek centraal staan, moeten in het kader van dit ontologisch historicisme gezien worden. Dit geldt voor de vriendschapscultus, voor het exotisme, de religie, de aandacht voor geesten en spookverschijningen. Het is alsof het verleden een tot dusverre onbekende kelder onder een gebouw is, die pas in de Romantiek ontdekt en betreden wordt en daarna niet meer gesloten kan worden.

In de techniek en thematiek van de romantische kunst is contrastwerking het derde kernwoord. In een tijdloos landschap staat een ruïne. Een onschuldige deerne wordt belaagd door een verleider. Het kind wordt geboren, de moeder overlijdt. De sneeuw valt in de donkere nacht. Het meisje met de zwavelstokken bevriest terwijl ze naar een vuur kijkt. Ge abstraheerd zijn de tegenstellingen in de literatuur en de beeldende kunst hetzelfde. Eeuwig staat tegenover tijdelijk, zuiver tegen over onzuiver, schuld tegenover onschuld, verleden tegenover heden, het eigene tegenover het vreemde, geweld tegenover vredigheid, originaliteit tegenover navolging, zelfbeheersing tegenover hartstocht, verval tegen bloei, hoop tegenover wanhoop, stilstand tegenover beweging, sociabiliteit tegenover individualisme, leed tegenover vreugde, landschap versus stad, hemel versus aarde, begin tegenover einde, dood tegenover leven. De veelheid aan en opeenhoping van inhoudelijke contrasten, die steeds zo confronterend mogelijk tegen over elkaar gezet worden, zijn kenmerkend voor de Romantiek. In de techniek is de contrast werking in de schilderkunst vooral in het gebruik van het licht merkbaar. De kaarsvlamschilderingen van Petrus van Schendel benadrukken de tegenstelling tussen donker en licht. Hetzelfde streeft Johannes Bosboom na als hij delen van een schilderij in het duister zet, of mistig laat. In de literatuur wordt technisch gecontrasteerd door te verwisselen van metrum binnen een gedicht, of door de afwisseling van hevige dramatische scènes met verstilde natuurbeschrijvingen.

Met de begrippen vernieuwing, historicisme en contrastwerking kunnen de veranderingen in de kunsten van de eerste helft van de negentiende eeuw in heel Europa adequaat beschreven worden. Een grote paradox is nog onbesproken gebleven. Alle landen kennen in de tijd van de Romantiek ook een burgerlijke beweging die streeft naar harmonie en die een kunst prefereert die in dienst staat van die harmonie, zich vaak uitend in kleinschalig geluk. Het streven is juist te bemiddelen tussen heftige tegenstellingen in politiek en godsdienst en te komen tot een «juste milieu». Of het nu om de Engelse Victoriaanse kunst gaat of om de Duitse Biedermeier, of om de Nederlandse letterkunde van de domineedichters, deze kunst wordt gedomineerd door burgerlijke waarden en staat in dienst van de moraal van de maatschappij. Is de kunst van brave dichters als Matthias Claudius en Hendrik Tollens, van pastelkleurschilders als Ary Scheffer en de Duitse Nazareners, van de lieflijke poëzie van Robert Burns – allemaal kunstenaars die in de periode van de Romantiek schrijven of schilderen – wel te verenigen met de Romantiek? De paradox hoeft geen paradox te zijn als men aanvaardt dat kunst om de kunst niet de enige echte romantische kunst is. Ook kunst in dienst van maatschappijverbetering kan romantisch zijn, als we met de genoemde begrippen werken. Victor Hugo wil met zijn romans de Franse maatschappij op een hoger plan brengen. Hij klaagt de oppermachtige kerk aan, die met de regeringen samenspant om het volk armoedig en dom te houden. Het is doelgerichte, utilitaire kunst, maar niemand zal zijn Nôtre Dame de Paris vernieuwing, historicisme of contrastwerking ontzeggen. Dus de kunst die burgerlijke waarden uitstraalt, zoals tevredenheid met een gezin, met een eenvoudig bestaan, kan als romantisch beschouwd worden, als die ge bruik maakt van de vernieuwende en contrastieve vormentaal van de Romantiek.

De verwantschap tussen de literatuur en de schilderkunst is in deze jaren niet zo vanzelfsprekend als ze in sommige andere perioden is. Zeker in de eerste decennia van de negentiende eeuw staat de schilder nog niet in hetzelfde maatschappelijk aanzien als de schrij ver altijd gestaan heeft. De schilder stamt niet uit de hogere families en zijn opleiding is vaak gebrekkig. Net als de toneelspeler en de musicus beoefent hij zijn vak als een kostwinning, en dat heeft een negatieve connotatie. Zijn vak is leerbaar. De schrijver van de vroege negentiende eeuw daarentegen heeft een deftig beroep als advocaat, zakenman, apotheker of dominee, en de letterkunde beoefent hij niet om de verdienste. Hier komt een omslag in. Zowel de letterkundige als de schilder wordt weldra benoemd tot kunstenaar en daarmee nemen zij een speciale positie in de cultuur van de negentiende eeuw in.

De relatie tussen de schilderkunst en de literatuur in de tijd van de Romantiek is in Nederland rond 1830 nog niet opgebloeid. In de thematiek van de historie treffen de schilders en de schrijvers elkaar wel, maar ze zoeken onafhankelijk van elkaar hun weg. Dezelfde onderwerpen komen aan de orde, zoals de dood van Willem van Oranje of het ontzet van Leiden. De periodes waarnaar de aandacht uitgaat komen overeen, evenals de interpretaties. Willem van Oranje is niet de twijfelaar waarvoor hij later uitgemaakt is, maar de werkelijke Vader des Vaderlands. De stervende prins is als een martelaar afgebeeld door J.A. Kruseman. Zijn laatste woorden zijn gegraveerd in de lijst: «Mijn God! Mijn God! Erbarm U over mij en over Uw arm volk!» De prins is ook een held in Bosboom-Toussaints verhaal Het kasteel Westhoven in Zeeland. Jacob van Lennep laat in zijn verhaal De twee admiralen de zeehelden Maarten Har pertsz. Tromp en Michiel de Ruyter zich verzoenen, tegen de feitelijke historie in. C. Portman schildert de dode zeeheld Tromp, omringd door wenende zeelieden en een terneergeslagen Admiraal de Ruyter. Tromp is afgebeeld als Christus die van het kruis gehaald wordt. De beeldvorming van de nationale helden is de zelfde, in literatuur en schilderkunst. Alleen over de moord op de gebroeders De Witt blijven de meningen verdeeld, evenals over de terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt, afhankelijk van de mate van prinsgezindheid van de uitbeeldende kunstenaar. Zo schildert Simon Opzoomer de twee broers als moreel hoogstaande edellieden, elkaar bijstaand in hun ellende, terwijl Jacob van Lennep de nadruk legt op de hoogmoed die ten val kwam:

Schier twintig jaar, als have Goôn

Vereerd, gediend, gevreesd door al de Nederlanden,

En thands, als lamren, aangetast,

Verbeten en verscheurd door wreede wolventanden,

O Witten! Biedt uw lot ons ’t schriklijkst

voorbeeld aan

Hoe aardsche grootheid kan vergaan.

Wanneer men probeert overeenkomsten in de stijl van de dichters en de schilders aan te wijzen, moet men naar de heroïek en de contrasten kijken. Dramatische hoogtepunten hebben de voorkeur bij de schilders, en hierin gaan de schrijvers mee. De zelfopoffering van Van Speyck inspireert schilders en dichters. Moorden, aanslagen, sprongen van torens, ontsnappingen, die vormen de dramatische stof. De schilder poogt de beweging vast te leggen door contrasterende kleuren en onrustige lijnvoeringen. Hoge golven, steigerende paar den, dreigende onweerswolken, landschappen met bergen en dalen zijn favoriet. In de literatuur probeert men hetzelfde te bereiken door de dramatiek te beschrijven. Ook hier zijn de ruïne, de overval, het onverwachte en de dreiging favoriet. De picturale stijl van de Romantiek uit zich in fragmenten als het volgende van Jacob van Lennep over een middeleeuwse goochelaar :

Langs de verbrande wangen hingen pekzwarte hairen, die veel op paardenmanen geleken, tot op de schouderen af: een enkele vlok vertoonde zich op het bruingerooste voorhoofd, en reikte in de ge daante van een omgekeerden kegel, tot aan den langen neus, wiens kromte een brug scheen, waarover men de stekelige baard bereikte, die, even zwart en lang als het hoofdhair, tot op den gordel nederdaalde.

Het is alsof we een geschreven schilderij lezen.

Er is rond 1830 weinig toenadering op het persoonlijke vlak tussen vertegenwoordigers van de twee zusterkunsten. Er zitten nog geen schilders in de redacties van de culturele tijdschriften, zoals later in de eeuw wel zal gebeuren. In de vriendenkringen van de Am sterdamse auteurs zijn geen schilders te vinden. In Den Haag bestaat in deze tijd wel een kring van romantische schilders die de Rederijkerskamer uit Leiden qua bohèmerie naar de kroon steekt. Centrale figuur is de pretmaker Samuel Verveer, die samen met de begaafde Wijnand Nuyen en Antonie Waldorp een atelier op het Binnenhof heeft. Andere leden van de luidruchtige vriendenclub zijn Johannes Bosboom, Charles Rochussen en Bartholomeus van Hove. ’s Avonds maken zij de cafés in Den Haag onveilig, overdag hebben zij in de koffiehuizen luidruchtige gesprekken over de kunst en dan blijven er altijd nog wat uren over om te schilderen. Zij zullen tot de voornaamste schilders van de Nederlandse Romantiek gaan horen. Toch ontstaan er ook vriendschappen tussen schrijvers en schilders. De meest opvallende vereniging van beide kunsten vindt plaats wanneer Geertruide Toussaint trouwt met Johannes Bosboom. Beiden zijn als ze in 1851 huwen al gevierde kunstenaars, beiden aangetrokken tot het historische genre. Zij inspireren elkaar in de kunst, al maken zij nooit een gezamenlijke uitgave van literair werk en illustraties. Bosboom levert wel af en toe de titelpagina’s van haar werken, maar verder gaat de samenwerking niet.

De kunstenaarsromans en verhalen die Bosboom-Toussaint schrijft zijn niet moeilijk in verband te brengen met haar eigen leven. In de twee op elkaar volgende verhalen De bloemenschilderes Maria van Oosterwijk en Willem van Aelst, het laatste bedrijf van een stormachtig leven zijn in het karakter van de loszinnige bezeten kunstenaar Willem van Aelst trekken te herkennen van Toussaints vroegere verloofde Bakhuizen van den Brink. De bloemenschilderes Maria kan het genie in goede banen leiden, zonder aan zelfstandigheid in te boeten. Zelf is ze zijn mindere in talent, maar de meerdere in wijsheid. Door de vereniging bloeit de kunst.

Nog dichter bij haarzelf en haar man als kunstenaars ligt de roman Frits Millioen en zijne vrienden. Twee jongens hebben beiden aanleg voor schilderen. Eén ervan wordt aan een opleiding geholpen door de plaatselijke dominee, de andere wordt geheel op eigen krachten bekend. De eerste is uit op geldelijk gewin, de ander heeft gebroken met vroegere tradities en conventies en streeft naar oorspronkelijkheid. Als de eerste een schilderij van de ander ziet zonder de vervaardiger te kennen noemt hij het brutaal, woest en achteloos: «’t is neer geflapt, ’t is niet geteekend, die man heeft geen manier (…) al te bizar; ik begrijp mij niet hoe een man van talent, als deze zijn moet, er toe gekomen is, om zich aan zulke schrille con trasten te wagen». De ware kunstenaar verdedigt later zijn opvatting en het is alsof Bosboom zelf spreekt – en in de schilder klinkt de stem van de schrijfster mee:

O, gij klassieken, wat zal er nog veel gebeuren moeten eer gij ons romantieken begrijpt, erkent en … waardeert, mag ik er bijvoegen. Wat mij betreft, elke manier, iedere methode, die inspiratie aan banden legt, is mij te eng. Breken met de oude steile tradities, zou mij eene behoefte zijn geweest, al ware ik niet in de school van de romantieken thuis geraakt. (…) Ik streef naar waarheid, ik zoek mijne gedachte uit te drukken zoo ik het best kan, ik verlang gloed en leven op mijn doek te brengen; is het vreemd, dat ik liefde heb voor een sterk coloriet; ik haat het conventioneele, realiteit is mijn wachtwoord; ja, zeker! Maar geen plat realisme, reine waarheid! Leven, maar het ideale leven, geene gedrochten onder voorwendsel dat niets mooi is dan het leelijke!

De werkelijke verstrengeling van de kunstenaars vindt pas in de tweede helft van de negentiende eeuw plaats. Pierre Cuypers integreert de literatuur in zijn gebouwen, zoals na hem H.P. Berlage zal doen. Zijn vriend en zwager Alberdingk Thijm is zijn inspirator. In verhevigde vorm zal de vriendschap tussen schilders en schrijvers bij de Tachtigers voorkomen. Bij hen gaat het verder dan zielsverwantschap. Ze zijn ervan overtuigd hetzelfde vak te beoefenen. Ze zijn op een identiek doel gericht: het weergeven van impressies. De taal van de literator en de verf van de schilder lijken dan op hetzelfde palet gemengd te zijn. =

Dit is een bewerking van Geschreven schilderijen: Toenadering tussen de Nederlandse literatuur en schilderkunst van de Romantiek in de catalogus Meesters van de Romantiek: Nederlandse kunstenaars 1800-1850, red. Ronald de Leeuw, Benno Tempel, Jenny Reynaerts. Kunsthal Rotterdam, tot en met 8 januari