De hinderkracht van bootvluchtelingen

Een invasie mag het dus niet heten. Maar hoe moeten we de interventie in Haiti dan wel begrijpen? Als een imperialistische? Als een progressieve? Of als het resultaat van de ‘hinderkracht der armen’?

DE POLITIEKE geschiedenis van het Caribisch gebied wordt bepaald door een historische assenkruis. De x-as wordt gevormd door de Europese kolonisatie en dekolonisatie, met behoud van de taal en cultuur van de kolonisator. De invoering en afschaffing van de slavernij met behoud van de spanning tussen blank en zwart. En de raciale vermenging - afro-caribisch heet dat tegenwoordig.
De y-as wordt gevormd door de verhouding met de Verenigde Staten, waarvan de onafhankelijkheidsstrijd een voorbeeld was voor de zuiderburen, maar die tegelijkertijd het Caribisch gebied tot hun invloedssfeer maakten. Aanvankelijk was de Monroe-doctrine - ‘Amerika voor de Amerikanen’ - een waarschuwing aan het adres van de Europese kolonisatoren en dus een impliciete steun aan de onafhankelijkheidsbewegingen in het Caribisch gebied. Maar nadat de verschillende eilanden hun onafhankelijkheid hadden veroverd, werd diezelfde doctrine een uitdrukking van het recht dat de Verenigde Staten zich toeeigenden om in de binnenlandse aangelegenheden van de Caribische landen in te grijpen, met het doel 'to defend US life and property’.
Tussen 1865 en 1965 waren er bijna honderd militaire interventies in Midden- en Zuid-Amerika - dat is gemiddeld bijna een per jaar. Die interventies beperkten zich in sommige gevallen tot het bezetten van het belastingkantoor, in andere gevallen was er sprake van een langdurige bezetting of annexatie (Puerto Rico). In het geval van Haiti duurde die bezetting zelfs negentien jaar (1915-1934). De vorige militaire interventie in Haiti werd onder meer geleid door de jonge Franklin Delano Roosevelt, die Haiti in 1919 ook een nieuwe grondwet gaf. De oude grondwet stamde uit de zwarte republiek van 1805 en bevatte onder meer een beroemd artikel 12, dat als volgt luidde: 'Geen enkele blanke, wat ook zijn nationaliteit is, zal ooit voet zetten op dit grondgebied als meester of eigenaar, en evenmin zal hij in de toekomst ooit enig eigendom kunnen verwerven.’ Dat artikel werd door Roosevelt geschrapt, for good reasons.
De Amerikanen hadden aan het begin van deze eeuw namelijk flink geinvesteerd in de Caribische landbouw. Suiker, koffie en tabak waren de produkten die er van oudsher werden geproduceerd, met grote winsten voor de Amerikaanse investeerders en de lokale elite. Met name Cuba en Santo Domingo waren aan het begin van deze eeuw welvarende suikereilanden, waar de Amerikanen na langdurige militaire interventies de militaire dictators Batista en Trujillo in het zadel hielpen en hielden. Het waren wrede regimes, die hun land op de golven van de internationale conjunctuur en met behulp van enorme staatsinvesteringen economisch tot ontwikkeling brachten.
VERGELEKEN MET ZIJN buurlanden was Haiti - ooit een kroonkolonie van Frankrijk - een armoedig land, waar na de Haitiaanse revolutie de plantages waren opgesplitst en het land in kleine percelen werd bewerkt. De export van koffie, suiker en tabak was daardoor gedaald en Haiti’s exportpositie was overgenomen door haar buurlanden. Economische stabiliteit en solvabiliteit waren voor de Verenigde Staten van groot belang en zij steunden daarom de lokale leger- en politieleiding in die landen, een leiding die zij deels zelf hadden getraind.
Toch is het beslist onjuist te menen dat de Amerikanen uitsluitend steun verleenden aan de meest bloeddorstige politiefunctionarissen en aan rechtse miltairen. Het is een publiek geheim dat de progressieve Dominicaanse schrijver Juan Bosch bij zijn succesvolle verkiezingscampagne in 1962 werd gesteund door de CIA. Hij werd na zeven maanden afgezet door de Dominicaanse legerleiding. Pas in 1965, toen kolonel Caman~o met een aantal officieren die trouw waren aan de verjaagde president en zich daarom 'constitutionalisten’ noemden, in opstand kwam tegen de onwettige regering, grepen de Verenigde Staten in en verhinderden ze dat Juan Bosch, die inmiddels sterk geradicaliseerd was, weer aan de macht zou komen.
De situatie in Haiti lijkt dus enigszins op die van dertig jaar geleden in de Dominicaanse Republiek, met dien verstande dat deze keer de Verenigde Staten de indruk wekken de wettige president weer aan de macht te willen brengen. Maar er zijn veel meer verschillen die de huidige situatie onvergelijkbaar maken met die van dertig jaar geleden. Het belangrijkste verschil is van economische aard. De export van suiker, koffie en tabak is sterk verminderd en de Amerikaanse investeringen in die sectoren zijn navenant teruggelopen. Het economisch belang van de Verenigde Staten is daarmee eveneens afgenomen.
De traditionele elites in de meeste Caribische landen zijn verdwenen of hebben de macht moeten delen met de neo-liberale 'Chicago-boys’. Ook de linkse oppositie tegen die oude elites bestaat niet meer. Het anti-imperialistische verzet is de afgelopen vijftien jaar geheel verdwenen en het anti-Amerikaanse sentiment is sterk verminderd. Vrijwel iedere Haitiaan of Cubaan is tegenwoordig afhankelijk van voedsel- en geldzendingen van familieleden uit de Verenigde Staten. De tijd dat elke Caribische intellectueel marxist was en zelfs sociaal-democratische partijen zich revolutionair noemden, is voorbij. De revolutionaire bewegingen zijn verdwenen, socialistische partijen zijn, net als in Europa, in neo-liberale richting opgeschoven. In Santo Domingo is de toeristenindustrie nu veel belangrijker dan de suikerproduktie, en dat geldt ook voor Cuba.
DE VERARMING VAN de bevolking en de verrijking van de elite die zich op Haiti zo schrijnend manifesteert, is een structureel verschijnsel in het hele gebied. Wat het communistisch regime van Castro qua economisch beleid te verwijten valt, is hooguit dat zij te lang heeft vastgehouden aan een beleid waarin de suiker- en koffie-export een te centrale plaats innam. Nieuwe sectoren, zoals de assemblageindustrie en het toerisme, zijn op alle eilanden groeisectoren geworden. Maar deze sectoren zijn relatief gemakkelijk verplaatsbaar en maken de investeerders minder afhankelijk van het politieke klimaat en de arbeidsverhoudingen. Bovendien, het is al gezegd, is de totale omvang van de investeringen sterk afgenomen. De eilanden in het Caribisch gebied vormen dus steeds minder een economisch belang of een politieke bedreiging, reden waarom het aantal interventies in dat gebied drastisch is teruggelopen. Sinds 1965 is alleen in Grenada en Panama nog militair ingegrepen.
De dreigende invasie op Haiti en de mogelijke acties tegen Fidel Castro dienen een economisch noch een politiek belang in de traditionele zin van het woord. De sleutel tot het begrip voor de huidige actie tegen de Haitiaanse militairen is een heel nieuw verschijnsel. De desperate bevolking stemt niet met de voeten maar met vlotten en roeispanen. Onder deze omstandigheden snijdt de traditionele linkse analyse, zoals die van Amy Wilentz, schrijver van De regentijd: Haiti sinds de Duvaliers (1989), in Het Parool van 13 september weinig hout. Natuurlijk, het is waar dat de Verenigde Staten in het verleden geen fraaie rol hebben gespeeld, het is waar dat ze ook nu weer alleen hun eigen belang op het oog hebben, en het is ook waar dat hun steun voor Aristide politiek gezien een twijfelachtig voordeel is, aangezien zijn linkse imago zich slecht verdraagt met de rol van Amerikaanse marionet. Maar ook als men ervan uitgaat dat de Amerikanen uitsluitend hun eigenbelang op het oog hebben, hoeft dat nog niet per se tot de veroordeling van een eventuele invasie te leiden.
Als de Amerikanen de stroom van bootvluchtelingen willen indammen, is het niet voldoende deze tijdelijk op de Amerikaanse basis Guantanamo of in Panama onder te brengen. Ook is het niet voldoende van Castro en Aristide te eisen dat zij de bevolking verhinderen de oversteek te wagen. Wil men verkomen dat Haiti een openluchtgevangeniswordt, een Caribisch Alcatraz, dan zal men iets moeten doen aan de economische ontwikkeling van het land.
Zoals de Alliantie voor de Vooruitgang onder president Kennedy een politiek antwoord was op de gewapende strijd van Fidel Castro, Che Guevara en hun medestanders, zo is het huidige diplomatieke en militaire offensief van Clinton ten faveure van progressieve politici een antwoord op de stroom van ongewenste vluchtelingen. Ook in de Dominicaanse Republiek steunen de Amerikanen de progressieve presidentskandidaat Jose Pen~a Gomez, die in mei de verkiezingen heeft gewonnen, maar aan wie de zittende president, de 88-jarige Joaquin Balaguer, de macht niet wil overdragen. Ook hier stevent men af op een voorzichtig compromis: Balaguer heeft toegezegd al over twee jaar af te treden.
IN HET NRC-HANDELSBLAD van 17 september wijst A. de Swaan er op dat de armoedebestrijding zowel in de Verenigde Staten als in de wereld tekort schiet omdat het de armen aan 'hinderkracht’ ontbreekt. De welgestelden in de wereld hebben te weinig ongemak van de armoede van anderen om er iets aan te willen doen. Was er maar een schuldig makend gifstof, culpa, verzucht hij, die de nodige verontrusting om zich heen zou zaaien. Welnu, het dagelijkse gedobber van wanhopige Cubanen, Haitianen en Dominicanen dat over de hele wereld te zien is, bevat beslist een aantal eenheden culpa. Het trieste beeld van de bootvluchtelingen werkt op het schuldgevoel van de internationale publieke opinie en heeft ertoe bijgedragen dat ook Nederland zich spontaan heeft aangemeld voor de militaire operatie.
Maar voor de Verenigde Staten vormen de vluchtelingen een directe bedreiging. Niet alleen zijn de Haitianen een nieuwe groep van immigranten die vrijwel zeker is aangewezen op de armenzorg en de ondersteuning van de toch al arme familieleden in de Verenigde Staten, zij vormen ook een bedreiging voor de volksgezondheid. Aids is op Haiti wijdverbreid en de angst dat met de vluchtelingen ook deze gevreesde ziekte massaal Florida binnenkomt, is groot. Voor een door ziekte en seks geobsedeerd volk als het Amerikaanse moet dat een onverdraaglijke gedachte zijn.
De conclusie van Amy Wilentz dat een eventuele Amerikaanse invasie geinspireerd is door imperialistische en economische motieven lijkt dus onhoudbaar. Maar de opvatting van zijn uitgever Martin Ros dat de Verenigde Staten nu uitsluitend het herstel van de democratie op het oog hebben (zie Het Parool van 17 september), is minstens even simplistisch. Men mag slechts hopen dat de regering-Clinton in staat is een beleid te voeren waarin het schuldgevoel en het welbegrepen eigenbelang op een verstandige manier worden gecombineerd. Zo niet, dan blijft het Caribisch gebied een gordel van ellende.