HERDENKEN: INTERVIEW: Eelco Runia

«De historicus moet een sensatie overbrengen»

De shoah, Srebrenica en Irak: volgens Eelco Runia mag de historicus zelf niet buiten schot blijven. «Je moet je eigen rotte kanten onder ogen zien.»

Wat zijn vakgenoten van hem vinden? Hij denkt even na: «Om eerlijk te zijn, ik weet niet wie dat zijn: mijn vakgenoten. Zijn dat historici? Geschiedfilosofen? Kunstenaars? Hier op de universiteit heb ik weinig vijanden. Daar staat tegenover dat men mij niet leest.» Zijn toon is nuchter, constaterend: «Het vak geschiedenis is een vorm van botaniseren geworden: iedereen houdt netjes zijn eigen perceeltje bij, snoeit daar af en toe wat in, maar over de schutting gluren, om te kijken wat er bij de buurman gebeurt, dat doet men niet. Zelf heb ik de geschiedenis altijd beschouwd als een verzameling raadsels: hoe kon de jodenvervolging plaatsvinden? Hoe kon de Tweede Wereldoorlog uitbreken? En, belangrijker: wat zeggen die gebeurtenissen over ons?»

Historicus en psycholoog Eelco Runia (1955) maakt er geen geheim van: wanneer de geschiedkunde zijn relevantie wil behouden, dan zal men zich op vreemde grond moeten wagen. Zelf wees hij de weg met twee essaybundels, een roman en verscheidene wetenschappelijke artikelen, waarin hij de wetten van de officiële geschiedschrijving tart. Het gaat hem erom of en hoe het verleden invoelbaar is te maken. Hoewel Runia geen pasklare oplossing biedt, staat één ding voor hem buiten kijf: wie geschiedschrijving wil beoefenen die ertoe doet, kan zelf niet buiten schot blijven.

Eelco Runia: «Laatst hoorde ik een professor een voordracht houden over het fenomeen re-enactment: moet je je in Hitler kunnen verplaatsen om over hem te kunnen schrijven? Die man kon dat niet, wílde dat ook niet; hij kon enkel geschiedenis schrijven vanuit een _observer-_perspectief. Ik heb daar begrip voor, maar keur het niet goed. Wie geschiedenis wil schrijven, moet bereid zijn om zijn eigen rotte kanten onder ogen te zien. Kun je dat niet, dan verval je in antiquarianisme.»

Met deze opvatting plaatst hij zich in een gezelschap van illustere voorgangers. Runia: «De grote historici hebben nooit iets anders gedaan dan de geschiedenis op zichzelf betrekken. Aan de manier waarop Burckhardt schreef over de vormgevingsdrang in de Renaissance zie ik dat dat voor hem een persoonlijk thema was. Michelet deed in wezen hetzelfde met de Franse Revolutie. Huizinga met de Middeleeuwen. Wat een historicus in de eerste plaats moet doen is een sensatie overbrengen. Hoe hij dat doet is van minder belang. Iedere dramaturgische kunstgreep is geoorloofd. Daarom zijn de beste historici vaak kunstenaars: die zijn gewend om hun persoonlijkheid in te zetten. Dat is van groot belang. Zonder persoonlijkheid laat de historische sensatie, of, zoals Huizinga zei, de ‹historische ervaring›, zich niet vangen.»

Kan de historicus iets leren van de psycholoog?

Eelco Runia: «De historicus kan heel veel leren van de psycholoog. Een bekende kreet uit de psychotherapie is dat je je eigen instrument bent. Dat is ook van toepassing op de historicus: je schrijft het soort geschiedschrijving dat je schrijft omdat je bepaalde fascinaties en obsessies hebt. Anders gezegd: werk en maker hangen samen. Dat heeft positieve kanten, zoals bij Burckhardt in de Cicerone, maar ook negatieve. Een dieptepunt is het Niod-rapport, waarbij de historici het gedrag overnamen van hun studieobject. Duidelijk een gebrek aan zelfreflectie. Het belangrijkste wat een historicus dus van een psycholoog kan leren is dat hij zichzelf voortdurend de vraag stelt: wat ben ik eigenlijk aan het doen?»

Herdenkingsrituelen hebben Runia’s bijzondere interesse. De manier waarop wij onze slachtoffers eren zegt volgens hem veel over wie we zijn. Ook de dodenherdenking van 4 mei: «Ik kijk daarnaar met betrokkenheid. Ik kijk ook met een grote gevoeligheid voor clichés. Ik kan me verschrikkelijk ergeren aan de sfeer van heiligheid die wordt opgetrokken. Dat is een sfeer van: wij zijn goed; wij deugen. Ik kan me voorstellen dat die sfeer agressie oproept, zoals toen met die Marokkaanse jongens. Herdenken gaat over de breekbaarheid van het leven, over de tragiek van de tijd. Herdenken is niet: jezelf op de borst kloppen en zeggen: dit zal ons nooit gebeuren.»

Hoe zou de herdenking volgens hém dan moeten verlopen? Runia: «Laat ik dit vooropstellen: het herdenken an sich, het ritueel, en dat dat nationaal gebeurt, dat vind ik heel goed. Persoonlijk vind ik het noemen van namen een erg mooie manier van herdenken. Alleen voorlezen. Verder niets. Maar dan ook alle namen, hè.»

Het herdenken is volgens Runia de afgelopen decennia erg veranderd: «Vlak na de oorlog stond het in het teken van de afloop: het goede had het kwade overwonnen. Pas halverwege de jaren zestig besefte men ten volle de impact van de jodenvervolging. Tegenwoordig zie je dat er een sterke drang is om het herdenken actualiteitswaarde te geven. Het aantal mensen dat de oorlog niet heeft meegemaakt wordt steeds groter. Om die te betrekken wordt er een koppeling gemaakt aan catastrofes elders. Ik vind dat geen goede ontwikkeling. Stille tochten, diensten voor gevallen politieagenten: waar houdt het op? Ik bedoel: alles herdenken is niets herdenken.»

Ligt er een taak bij het onderwijs om de impact van de oorlog op toekomstige generaties over te brengen?

«Ik denk van wel. Het probleem is alleen: welke keuzes maak je? Waarom de Tweede Wereldoorlog wel, en een andere catastrofe niet? In Engeland, Duitsland en Frankrijk zie je de neiging om weer meer aandacht te besteden aan de Eerste Wereldoorlog. Van groter belang dan wát je bijbrengt, is hóe je het bijbrengt. Wat kinderen op school moeten leren, maar ook studenten geschiedenis, is de verschrikkelijke werkelijkheid van de dingen. De achttiende-eeuwse manier van oorlogvoeren bijvoorbeeld, met soldaten die gedrild waren in holding fire, die pas mochten schieten wanneer ze elkaar op enkele meters genaderd waren, die is voor ons volkomen onbegrijpelijk. Als een leraar geschiedenis ook maar iets van die sensatie kan overbrengen, dan ben ik tevreden.»

Heeft herdenken ook een therapeutische functie?

«Daarover wordt een hoop onzin verkocht. Ik denk van niet. Zo zit een verwerkingsproces simpelweg niet in elkaar. Dat zie je op macro-, maar ook op microniveau: slachtoffers varen er vaak heel wel bij als ze hun herinneringen opzij zetten en hun gang gaan. Bovendien kent de geschiedenis zelf verschillende voorbeelden waarin herdenken verboden werd, zoals na de Engelse burgeroorlog in 1650. Je kunt veel zeggen, maar niet dat dat de Engelsen slecht bekomen is. Wat belangrijker is, is dat je een catastrofe onder ogen kunt zien. Dat is essentieel; anders gaat het spoken.»

Op dit moment werkt Runia aan een boek over de receptie van Srebrenica in de Nederlandse politiek. De conclusie stemt droevig: «We hebben gehandeld naar onze percepties, en zijn dat blijven doen. Het Niod had dat kunnen veranderen door de vraag te stellen: wat zijn wij voor mensen dat we zoiets laten gebeuren? Die vraag is niet gesteld. Sterker, die vraag is doelbewust gemeden. Ik hoor het Niod-directeur Hans Blom nog zeggen: het gaat niet om de toestanden in Nederland, maar om het leed in Srebrenica. Dat klinkt logisch, maar heeft ertoe geleid dat er geen discussie van de grond is gekomen. De confrontatie met onszelf is uitgebleven.»

Zijn wij laf?

«Laf weet ik niet. Maar wat ons parten speelt, is de behoefte een partijtje mee te blazen. Om, zoals een minister letterlijk zei, aan de onderhandelingstafel te zitten. Tegelijkertijd hebben we de neiging te denken dat het wel meevalt, dat de soep niet zo heet gegeten wordt. Maar soms valt het niet mee. Soms is het menens. Die combinatie, wel mee willen doen maar niet bereid zijn om de soep zo gloeiend heet te eten als die wordt opgediend, is typisch Nederlands.»

Over gebeurtenissen waarna die confrontatie níet uitbleef, schreef Runia in 1999 Waterloo, Verdun, Auschwitz, een meeslepende bundel essays en reportages, waarin hij probeert te achterhalen waarom Waterloo en Verdun wél de geschiedschrijving veranderden, maar Auschwitz niet.

Eelco Runia: «Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in mutaties. In mijn geval zijn dat grote mutaties: de Franse Revolutie, de Eerste Wereldoorlog, de holocaust. Wat mij fascineert is dat zaken die niet in een wereldbeeld passen daar toch uit geboren worden. Het meest kernachtige voorbeeld is wat er gebeurde vlak voordat in 1989 in Duitsland de Muur viel. Eerst riepen de ontevreden Oost-Duitsers: ‹Wir sind das Volk!› Later riepen ze: ‹Wir sind ein Volk!› In die mutatie voltrok zich een verandering die volkomen strijdig was met wat ieder weldenkend mens op dat moment voor mogelijk hield: dat die twee gescheiden landen weer herenigd zouden worden.

Wat Bush nu in het Midden-Oosten doet beschouw ik ook als een mutatie: opeens besluit iemand daar freedom and democracy te gaan brengen. De pers wordt uitgenodigd; The Sunday Times mag mee: men gaat echt geschiedenis maken! Uit notulen van een geheime vergadering bleek dat er eerst het idee was voor de invasie, en dat daar de informatie omheen gedrapeerd werd. Dus: eerst beslissen, dan beargumenteren.»

Is de moord op Van Gogh ook zo’n mutatie?

«Feit is dat Nederland sinds de moord is veranderd. Een interessantere casus vind ik echter de moord op Fortuyn, en dan met name de overgang van grote tevredenheid onder Paars II naar de enorme onvrede die Pim Fortuyn groot maakte. In de jaren negentig deed The Economist een onderzoek naar het gelukkigste land ter wereld: Nederland kwam daar als glansrijke winnaar uit naar voren. Wat mij verbijsterd heeft is hoeveel mensen bereid waren om mee te gaan in de massahysterie ten tijde van Fortuyn. Dat gebeurde met een houding van: waarom niet? Laten we het maar eens proberen.»

Volgens Runia zegt het iets over beschavingen in hun eindtijd: «Mijn these is dat die drang naar iets totaal anders voortkomt uit een behoefte aan realiteit. Men heeft het goed, de dingen zijn mooi, maar hebben ook iets onwezenlijks. Er ontstaat een behoefte om opgetild te worden door iets dat groter is dan jezelf. In de periode die voorafging aan de Franse Revolutie uitte dat zich in een soort van dierlijk magnetisme bij mensen als Mesnaer. In de periode voor de Eerste Wereldoorlog in de fascinatie voor dissociatieverschijnselen, die bijvoorbeeld de psychoanalyse onderzoekt. In Nederland was er in de jaren negentig op televisie opeens een enorme interesse voor sadomasochisme, en had je mensen die gingen bungeejumpen. Het is allemaal typerend voor een samenleving die al heel lang geen catastrofe meer heeft meegemaakt. Als je de geschiedenis op langere termijn bekijkt is dat vrij uitzonderlijk. Er was altijd wel ergens een oorlog of een ramp. En ben je eenmaal op zo’n manier met de realiteit geconfronteerd, dan is je lust daartoe de eerste twintig, dertig, veertig jaar wel gestild.»