De historie als moordenaar

In een beschaafde rechtsstaat als Nederland geniet de overheid het monopolie op fysiek geweld. Uitsluitend geuniformeerde staatsbeambten zijn hier gemachtigd tot slaan, schoppen, steken en schieten. Dat alleenrecht is in vroeger eeuwen moeizaam veroverd op lokale potentaatjes en een vechtlustig gepeupel dat zich vrolijke volksgebruiken als het Brabantse ‘bekkensnijden’ - een gemoedelijk steekpartijtje achter de kermistent - niet zonder slag of stoot liet afpakken.

Natuurlijk is dit overheidsmonopolie op geweld een zorgvuldig gecultiveerde mythe. Tegenwoordig demonstreren burgers immers dagelijks dat zij willen meedelen in dat voorrecht: op de vluchtstrook, de voetbaltribune of gewoon in het cafe of de knusse eengezinswoning. En uiteraard wordt er ook in Nederland een flink partijtje op los gestoken, gemoord en in bepaalde ‘milieus’ zelfs geliquideerd. Toch is het geweldmonopolie van de Nederlandse overheid tamelijk stabiel en onbetwist. Ons land kent een relatief strenge wapenwetgeving en Nederlanders zijn nu eenmaal geen echte liefhebbers van lichamelijk geweld.
In Engeland bijvoorbeeld behielden terechtstellingen van misdadigers tot 1868 een openbaar karakter. Net als belangrijke bokswedstrijden vielen executies in de categorie parties of pleasure. Zo waren in 1849 zo'n honderdduizend mensen in Liverpool getuige van de ophanging van een moordenaar. Een groot deel van het publiek was vervoerd met speciaal voor deze festiviteit ingezette treinen. De afschaffing van de openbare executie in 1868 moet voor de Britse spoorwegmaatschappijen dan ook een flinke financiele aderlating zijn geweest.
Dergelijke euforische lynchpartijen waren in het negentiende-eeuwse Nederland onbekend. Onder koning Lodewijk Napoleon was in 1813 de onthoofding door het zwaard ingevoerd, maar tot de afschaffing van de doodstraf in 1870 prefereerde men de methode van strop en valluik boven dit wat morsige handwerk. Weliswaar legde de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog nog 152 doodvonnissen op, maar daarvan werden er slechts veertig voltrokken (in Belgie kregen maar liefst 252 landverraders de kogel).
Bloodsports zoals hanen- en hondengevechten of stiertje pesten zijn in Nederland nooit erg populair geweest. Het wreedste volksvermaak was zo ongeveer het palingtrekken en dit werd dan ook tijdens het beruchte Palingoproer in 1886, waarbij 26 doden vielen, met harde hand de kop ingedrukt. Ook pugilistische sporten zoals boksen en worstelen hebben in Nederland nooit de massale publieksliefde bereikt die zij in Engeland en de Verenigde Staten kennen. Onlangs nog leidde de openbare vertoning van het zogenaamde cage- of free fighting tot grote morele commotie. Teergevoeligheid of een ingeboren innerlijke beschaving? Ongetwijfeld heeft het iets te maken met de beschavende hand van pastoors en dominees in de afgelopen eeuwen, maar ook met het gebrek aan militair-feodale tradities in de burgerlijke Republiek. In de zeventiende en achttiende eeuw knapten bui tenlandse huurlingen veelal het vuile werk op en in deze eeuw trokken de grote wereldbranden met hun rauwe verbeesting grotendeels voorbij aan ons land, dat sinds de Belgische Opstand van 1830 geen oorlog meer had gekend. De neutraliteitspolitiek, een typisch Nederlandse hutspot van eigenbelang en hoogdravende ethische principes, hield Nederland buiten de Eerste Wereldoorlog, waarin bijna tien miljoen mensen het leven lieten. En ook in de Tweede Wereldoorlog, die tussen de veertig en vijftig miljoen slachtoffers eiste, kwamen we er relatief 'goedkoop’ vanaf: 'slechts’ 140.000 doden (onder wie, mede dank zij de Nederlandse hulpvaardigheid, ruim honderdduizend joden). Akkoord, onze koloniale geschiedenis kent het gebruikelijke repertoire aan wreedheden, maar het Nederlands blazoen is zeker niet bloederiger dan het Britse, Franse of Belgische.
Een vredig en vreedzaam volkje dus, dat doorgaans geschokt kennis neemt van de aanzienlijk hardvochtiger omgangsvormen buiten onze landsgrenzen. De zomer van 1996 biedt in dit opzicht een weinig opbeurend zicht op het wereldtoneel: terwijl Unprofor in Bosnie bezig is een gruwelijk jongste verleden af te graven en uit de Atlantische Oceaan de uiteengereten lichamen van 230 vliegtuigpassagiers worden gevist, beginnen overal ter wereld gedoofde kraters opnieuw vuur en bloed te spuwen. Bomaanslagen in Noord-Ierland, Baskenland en Israel, nieuwe gevechten in Tsjetsenie, en tenslotte een burgeroorlog in het midden- Afrikaanse Burundi, die wellicht de slachtpartij in 1994 in het buurland Ruanda - zo'n half miljoen doden - in wreedheid zal overtreffen.
Zijn dat allemaal andere mensen dan wij? Ongetwijfeld. Zijn al die keelafsnijders en bommensmijters ook slechtere mensen dan wij? Denk ik wel, ja. Het probleem voor de historicus is echter dat hij met deze morele oordelen niet veel opschiet. De historicus, een gedragswetenschapper die doorgaans alleen de dooie exemplaren van de menselijke soort observeert, wil altijd weten waarom de ene mens de ander aan stukken heeft gesneden, vergast of in brand gestoken. De geschiedvorser moet het zich voor kunnen stellen en zichzelf dus met de hamvraag confronteren: zou ik ook zoiets kunnen doen?
Persoonlijk twijfel ik er geen moment aan dat ik iemand om zeep zou kunnen helpen. Niet in koelen bloede en liever niet met een elektrische zaag, maar wel met blote worghanden en een rood driftwaas voor de ogen. 'Jaah, dat telt niet!’ roept nu een aantal lezers; 'zo kunnen wij het ook!’ Waar het om gaat, is het welhaast mechanische moorden dat plaatsvindt onder volledige beschikking over het verstandelijk vermogen. Of, zoals Heinrich Himmler het voor een groep SS-officieren in 1943 nog verder voerde: 'dat we dit hebben doorstaan en toch fatsoenlijk zijn gebleven…’ Met een variatie op deze nazischurk: het dilemma van de historicus is hoe zich in de perverse logica van de massamoordenaar te verplaatsen en toch fatsoenlijk te blijven. Genocide als gedachtenexperiment. Inderdaad, gekkenwerk eigenlijk.