Jürgen Pieters, De tranen van de herinnering

De historische huivering

Iedere lezer kent momenten waarin hij denkt heel even oog in oog te staan met een bewonderde auteur uit het verleden. Momenten waarin hij met de dode spreekt.

Jürgen Pieters

De tranen van de herinnering: Het gesprek met de doden

Historische Uitgeverij, 208 blz., € 24,75

Het essay is een merkwaardig genre. Het staat in een boek of een krant, het is dus af, want de auteur heeft bij zijn volle verstand toegestaan dat het in deze vorm werd afgedrukt. Toch suggereert de naam van het genre dat de tekst een probeersel is, een experiment waarvan de lezer getuige mag zijn. De onbeweeglijke voltooidheid, het ogenschijnlijk definitieve van de verzameling woorden op de pagina is in tegenspraak met de zoektocht die erin be schreven wordt, en waarvan bij voorbaat niet lijkt vast te staan of ze tot een goed einde gebracht zal worden. Het essay schept de illusie van nabijheid, alsof je de schrijver kunt volgen in zijn mentale strompeling, met hem meedenkt en hem, mocht hij een verkeerde afslag nemen, nog terug kunt roepen. Daarom wekt een goed essay altijd de behoefte op tot terugschrijven.

Als uitvinder van het genre geldt Michel de Montaigne (1533-1592), maar dat is niet helemaal terecht, omdat hij klassieke voorbeelden had, met name de poëtische brieven van Horatius, de brieven van Seneca en Paulus, en de colleges («diatriben») van Epiktetos. Het essai over vriendschap begint zo: «Toen ik een schilder, die voor mij werkte, bij zijn verrichtingen gade sloeg, kreeg ik er zin in hetzelfde te doen als hij. Hij kiest, in het midden van elke wand, de beste plaats uit om daarop een schildering aan te brengen, die hij dan met zijn talent uitwerkt. En de lege ruimte er omheen vult hij op met grotesken, grillige schilderingen die uitsluitend bekoren door het gevarieerde en bizarre. Wat zijn deze essais eigenlijk anders dan groteske wangedrochten, in elkaar geflanst van allerlei ledematen, zonder vaste vorm, in een toevallige orde, opeenvolging en samenhang?»

Het spreekt vanzelf dat deze alinea de opmaat vormt tot een helder gecomponeerd betoog. De onbeholpenheid is een fictie, die er niettemin voor zorgt dat de lezer Montaigne als een persoonlijke vriend gaat beschouwen. Montaigne spreekt tot ons, en wij geven antwoord.

Dergelijke gesprekken met doden staan centraal in de essaybundel van Jürgen Pieters, die in Gent literatuurwetenschap doceert. Het is een boek met een grote interne samenhang, hoewel de afzonderlijke stukken soms alle kanten op lijken te gaan. Het motto is ontleend aan de Amerikaanse Shakespeare-kenner Stephen Greenblatt: «I began with the desire to speak with the dead.» De doden zijn er niet meer, toch kent iedere lezer momenten waarin hij heel even denkt oog in oog te staan met een bewonderde auteur uit het verleden, zoals wie in Rome of Athene rondloopt soms een «frisson historique» (historische huivering) ervaart die hem de illusie geeft dat hij de Ouden bijna kan aanraken. De term «frisson historique» is van Flaubert, die in 1840 voor het eerst het Romeinse theater in Nîmes bezocht en er de aanwezigheid van het verleden letterlijk aan den lijve kon voelen: «Met wat voor blik lachten de senatoren wan neer de plaats van de ridders bezet bleek? En waarom schreeuwen daar boven, helemaal bovenin, de vrijgelaten slaven zo luid dat iedereen zich naar hen omdraait? En later, in de schemering, als alles afgelopen was, als de keizer zijn loge verliet, als de vette walm van het theater lauwwarm van bloed en uitgeademde lucht opsteeg naar de hemel, dan ging net als vandaag de zon onder in de blauwe avondlucht en verstierf allengs het lawaai.» Onthullend is de tegenwoordige tijd in de tweede zin, die niet alleen suggereert dat Flaubert de vrijgelatenen echt hoort lachen, maar ook de lezer het theater in sleept. Het contact met de doden is een kwestie van grammatica.

In het boek van Pieters zijn verschillende thematische lijnen waar te ne men. De eerste betreft de vraag in hoeverre wij de mogelijkheid hebben het verleden, en dan vooral de mensen van toen, te leren kennen. Zijn het de materiële overblijfselen, zoals gebouwen, voorwerpen en archiefstukken, die ons met hen in contact brengen? In ieder geval hebben we die nodig om ons beeld van de wereld van vroeger wetenschappelijk te onderbouwen. Maar zijn het niet eerder de kunstwerken – en dan vooral de schilderijen en romans – die ons gelegenheid geven in de huid van de doden te kruipen en de werkelijkheid met hun ogen waar te nemen? Hannah Arendt zegt dat het vaak de literatuur is die het verleden het meest overtuigend oproept en «de tranen der herinnering» laat vloeien, zoals Odysseus overkwam toen de blinde dichter Demodokos de val van Troje bezong.

Een ander motief waarvan Pieters een aantal treffende voorbeelden geeft, is dat van de vriendschap met lang gestorven schrijvers. Petrarca, Machiavelli en Constantijn Huygens getuigen van hun respectvolle omgang met de klassieken, die altijd voor hen klaar staan en wier gezelschap nooit gaat vervelen. Huygens zegt: «O dooden die noch zijt, o Boecken die ik eere,/ En soo gemackelick en soo geern mé verkeere,/ Hoe komt ghij mij te stae, dien ’t ydele gerucht/ Van dagelyx geklapp noch vreught en geeft noch vrucht?» De grote schrijvers zijn geduldig en leuteren niet. Vriendschap met hen is waardevol en bestendig.

Van Roland Barthes is de paradoxale gedachte dat de dood van de auteurs een essentiële voorwaarde voor die vriendschap is. Het denken is een on stuitbare stroom die pas op papier tot stilstand kan komen. Teksten zijn ge stolde, en dus gestorven gedachten, die het vermogen hebben het denken van de lezer tot leven te wekken. Zelfs als de auteur in werkelijkheid spring levend is, doet de lezer er goed aan hem zich als overleden voor te stellen. De omgang van de lezer met de auteur kan uitgedrukt worden met het woord «idioritmie»: beiden leven in hun eigen ritme, maar in de bibliotheek komen ze elkaar soms toevallig tegen.

De essays van Pieters slagen erin vriendschap op te wekken met uiteenlopende auteurs als Machiavelli, Flaubert, Proust en Barthes. Wanneer hij een doodlopend spoor betreedt of zich ronduit vergist, heb je de neiging hem een brief te schrijven. De conclusie moet zijn dat Pieters dood is.