De hobbelstrategie

1973-1977: het roemruchte kabinet-Den Uyl. Spreiding van macht, kennis en inkomen. Polariseren, de hobbelstrategie, de Vermogensaanwasdeling. En de val. Over de grondpolitiek. `Maar dat ging toch over nationalisatie?
WIE KENT ZE nog, de vier ‘hervormingsvoorstellen’ van het kabinet Den Uyl? De VAD, de WOR, de WIR en de grondpolitiek. Bij elkaar de lakmoesproef voor ‘het meest progressieve kabinet in de Nederlandse geschiedenis’. Symbolen hebben altijd iets willekeurigs, maar het was geen toeval dat Den Uyl, die zich de ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’ tot doel had gesteld, juist deze voorstellen tot halszaak maakte. De VAD, de Vermogensaanwasdeling, hield in dat werknemers zouden delen in de toename van het vermogen van bedrijven. Via aandelen zouden werknemers zowel invloed als bezit verwerven. Ook de WOR, de Wet op de Ondernemingsraden, moest de invloed van werknemers vergroten, bijvoorbeeld door de OR mee te laten beslissen over investeringen. Dan was er nog de WIR, de Wet Investeringsrekening. De WIR verwerd later weliswaar tot een bodemloze subsidiepot voor bedrijven, maar was ooit bedoeld om selectief investeringen te bevorderen die goed zijn voor werkgelegenheid en milieu.

En ten slotte de grondpolitiek, waar het kabinet-Den Uyl uiteindelijk op zou stranden: om ‘stille verrijking’ via grondspeculatie tegen te gaan en bovendien te zorgen dat de (woning)bouw en collectieve voorzieningen betaalbaar bleven, zouden gemeenten niet alleen een voorkeursrecht krijgen bij grondaankoop, ze zouden er ook slechts de gebruikswaarde voor hoeven betalen in plaats van de (mede door speculatie opgevoerde) marktwaarde.
Radicaal? Onzinnig? Ed. van Thijn, indertijd fractievoorzitter van de PvdA, staat nog voor de volle honderd procent achter het toenmalige hervormingskwartet. Van Thijn: 'Er werd in intellectuele, linkse kring toen wat smalend over gedaan, maar die voorstellen waren veel fundamenteler dan velen toen dachten. Neem de Vermogensaanwasdeling: als ergens de verschillen in Nederland de afgelopen twintig jaar enorm zijn toegenomen, dan is het in vermogens. Het was prachtig geweest als we daar wat aan hadden kunnen doen…. Maar ik vrees dat het nu te laat is, gezien de globalisering van de economie, dat mooie woord voor internationaal kapitalisme.’
HET WAS VAN THIJN die namens de PvdA het jaar 1975 uitriep tot 'jaar van de waarheid’ waarin het kabinet met de billen bloot zou moeten, en dus haast moest maken met de vier voorstellen. Had Jaap Burger niet al in de jaren vijftig gezegd dat de PvdA alleen moest regeren als er wat te regeren viel? De PvdA-fractie werd ongeduldig. Weliswaar had het veelbelovende progressieve kabinet de pech gehad van de oliecrisis, maar het werd nu toch wel tijd. Het heette de 'hobbelstrategie’: er werden duidelijke markeringspunten, hobbels, geformuleerd, die ofwel genomen zouden worden, ofwel het kabinet zou er over vallen. Polarisatie.
Op tafel in Van Thijns ligt het boek Strategie en illusie: De PvdA van '66 tot '77, van Philip van Praag. Van Thijn is het nog steeds van harte eens met die strategie van polarisatie. 'Je moet niet vergeten dat de partij er halverwege het kabinet-Den Uyl in de peilingen bijzonder slecht voorstond. We wilden niet alleen inhoudelijk wat bereiken, we wilden ook de verkiezingen winnen met het beleid als inzet. En dat is dus gelukt, met tien zetels winst in 1977.’
Dat juist de genoemde vier voorstellen kwamen bovendrijven als lakmoesproef voor het progressieve karakter van het kabinet, had veel te maken met de oliecrisis en de economische stagnatie die daar op volgde. Jaap Boersma, indertijd minister van Sociale Zaken vanuit de toen nog niet in het CDA verdwenen Anti-Revolutionaire Partij (ARP): 'Er viel in materiele zin weinig leuks te doen. Daarvoor was er te weinig geld, en de sociale verzekeringen waren ook vrijwel voltooid. Dus moesten we het in de immateriele sfeer en in de verdeling zoeken.’
Het kabinet-Den Uyl voerde de minimumjeugdlonen en de koppeling van lonen en uitkeringen in, en de inkomensverschillen werden kleiner. Maar, en dat was gelijk de kritiek ter linkerzijde, in feite ging dit om een herverdeling tussen minima en even daarboven - en daar verander je de samenleving niet mee. Ach, wat kon je eigenlijk weinig doen in vier jaar. Niet voor niets pleitte Boersma indertijd voor langere regeerperioden.
WAT TEGENWOORDIG door velen wordt beschouwd als tegengesteld - enerzijds grote nadruk op overheidsingrijpen, en anderzijds democratisering - werd door Den Uyl als complementair gezien. Minder macht voor de ongecontroleerde ondernemer, meer macht voor de burger - zonodig via de overheid. Met de WIR wilde het kabinet niet alleen de economie een zetje geven door extra investeringsimpulsen, maar ook de vorm en de plaats van de investeringen beinvloeden. Het was de tijd van de spreiding van de werkgelegenheid over Nederland. De werkgevers vonden het prachtig: het was het enige voorstel van het viertal waar ze als het ware om smeekten. Mits er zo weinig mogelijk selectieve elementen in zaten, dat wel. In feite speelde tijdens het kabinet-Den Uyl dezelfde discussie als nu over de lastenverlichting: links en rechts willen de arbeidskosten verlagen, maar links wil dat selectief doen, dus alleen als het ook werkelijk uitmondt in meer arbeidsplaatsen, en rechts vindt dat werkgevers zelf mogen bepalen wat ze met het extra geld doen. De WIR werd uiteindelijk ingevoerd, maar eisen in de zin van regionale spreiding, milieuvriendelijkheid of extra arbeidsplaatsen waren er nauwelijks meer aan verbonden.
Al in de jaren zestig bedachten de drie vakverenigingen (later opgegaan in de FNV) de Vermogensaanwasdeling. Boersma: 'Je hebt nu eenmaal sectoren waar veel winst wordt gemaakt, en bedrijven waar het minder goed gaat. De vakbeweging zit daardoor bij de loononderhandelingen met een dilemma: of je zorgt dat je in de succesvolle bedrijven de maximale loonstijgingen er uit sleept, wat tegelijkertijd betekent dat de loonverschillen ten opzichte van de minder florerende sectoren toenemen. Of je gaat als vakbeweging uit van een gemiddelde loonstijging, maar dat betekent dat je bij de florerende bedrijven geld laat zitten, dat wegvloeit in de winst. De oplossing uit dit dilemma was de Vermogensaanwasdeling. Ga uit van een gemiddelde loonstijging, en laat de bedrijven waar meer loonruimte is, geld storten in een fonds waar alle werknemers samen van profiteren.’
Voor de fijnproever is de uitleg van Boersma opmerkelijk, omdat op deze manier de VAD weinig meer is dan een collectieve winstdelingsregeling. Terwijl het oorspronkelijk ging om het langzaam overhevelen van het vermogen van bedrijven naar de werknemers. Het is tekenend voor de vele, oneindig vele compromisvoorstellen die er tussen 1973 en 1977 zijn gepasseerd. De VAD is het enige voorstel waar zelfs geen slap aftreksel van is doorgevoerd. Het dilemma van enerzijds bedrijven met veel en anderzijds bedrijven met weinig loonruimte is anno 1995 zeker zo groot. Boersma: 'Het is hoog tijd dat er weer iets in die richting bedacht wordt, maar persoonlijk zou ik m'n vingers er niet meer aan branden.’
HET KABINET-DEN UYL was niet het eerste kabinet dat viel over de grondpolitiek, ook bij de val van het kabinet-Drees-IV en het kabinet-Cals-Vondeling (beide van rooms-rode signatuur) speelde de grondpolitiek een rol. Vele scripties zijn er geschreven over de rol van grond in het kleine Nederland en de verschillende opvattingen tussen katholieken en socialisten hierover. Van Thijn vindt het nog steeds doodzonde dat er op dit gebied niets is bereikt: 'Ik kan daar nog steeds woedend over worden. Grond oftewel ruimtegebrek is het heetste hangijzer in de Nederlandse politiek. Of zou dat moeten zijn. Als je ziet hoeveel geld er sinds de jaren zeventig verdiend is door grondspeculanten! Je ziet het ook bij de zogeheten Vinex-locaties, de nieuwe woningbouwlocaties: nog steeds schiet de grondprijs in die gebieden omhoog. En ik ben er van overtuigd dat de gemeente Amsterdam financieel gezond is dank zij het systeem van erfpacht.’ Boersma: 'Wat de grondpolitiek betreft, was ik veel linkser dan de PvdA. Ik vond, en vind eigenlijk nog steeds, dat je in een vol land als Nederland de grond zou moeten nationaliseren.’
Het kabinet-Den Uyl probeerde duidelijk te maken dat de boerenachterban van de confessionelen helemaal geen baat heeft bij vrije grondprijzen - boeren moeten daardoor immers veel meer voor hun grond betalen dan nodig is. Maar bij de grondpolitiek ging het al niet meer om argumenten. Kenmerkend is de opmerking van de huidige voorlichter van het ministerie van VROM, als hem gevraagd wordt hoe het afgelopen is met de grondpolitiek. Hebben gemeenten inmiddels een voorkeursrecht en hoe het zit met de prijsbepaling? De voorlichter: 'Maar in de jaren zeventig ging het daar toch niet over? Het ging toch om een nationalisatie van de grond?’ Het zegt iets over het extreem radicale imago dat het kabinet-Den Uyl ook na twintig jaar nog heeft. Inderdaad pleitte het PvdA-verkiezingsprogramma voor 'nationalisatie’ in de zin dat grond nog slechts moest worden uitgegeven in erfpacht, maar in het uiteindelijke kabinetsvoorstel ging het daar niet over.
Achteraf is van het kabinet-Den Uyl het beeld ontstaan dat men te principieel was, en daardoor weinig voor elkaar heeft gekregen. Volgens Boersma ligt het eerder omgekeerd. 'Ik had bijvoorbeeld bij de Wet op de Ondernemingsraden nooit zo coulant moeten zijn tegenover de vieze spelletjes van meneer Van Agt. Maar omdat ik bij Biesheuvel al een kabinetscrisis had meegemaakt, was ik veel te bang voor een crisis.’ Boersma, die zich later tot de PvdA bekeerde - maar inmiddels weer heeft bedankt omdat die partij 'de rechtvaardigheid overboord heeft gezet’ - stond in het kabinet-Den Uyl bekend als de meest rooie van de confessionelen. Niet dat hij met de PvdA samenwerken altijd makkelijk vond. Arrogante lui waren het, volgens Boersma: 'Het “wij zijn het denkend deel der natie”, dat hadden ze erg sterk. Bij een voorstel van de eigen minister zeiden ze er altijd de naam van die minister bij, maar als Andriessen of ik iets tot stand hadden gebracht, was het: “het kabinet”. Heel subtiel.’
HET KABINET-DEN UYL was struikelend en vechtend tot stand gekomen. Na de val van het kabinet-Biesheuvel in 1972 was een coalitie tussen VVD en confessionelen niet meer mogelijk, dus was de PvdA aan zet. Maar de PvdA had zo haar eisen. In 1971 hadden de progressieve partijen, PvdA, D'66 en de PPR, al een schaduwkabinet gevormd, gevolgd door Keerpunt '72. De frustraties over het weinig rode karakter van de rooms-rode kabinetten-Drees was groot, dus als de PvdA weer ging regeren, dan met het eigen verkiezingsprogram als inzet en met een meerderheid aan progressieve ministers. Die duidelijkheid paste ook in het idee - D'66, toen nog met een apostrof, was net opgericht - dat de kiezer meer invloed moest hebben op de samenstelling van de regering: kiest u PvdA, dan kiest u voor een progressief kabinet.
De confessionelen zagen dat niet zitten, maar Jaap Burger wist met zijn beroemde brieven een doorbraak te forceren, en de KVP en de ARP uiteindelijk zo ver te krijgen dat ze het kabinet zouden 'gedogen’: nauwelijks afspraken vooraf, het kabinet moest maar zien dat het een meerderheid in de Tweede Kamer kreeg voor zijn voorstellen. Na een formatie van 164 dagen kregen de confessionelen zes ministers, de progressieven tien. Een 'weeffout’, waar met name de KVP van begin af aan de pest over in had.
Maar volgens Boersma was het toch Van Agt persoonlijk die het verpest heeft. Als KVP-minister van Justitie was hij cruciaal bij het totstandkomen van iedere wet. Boersma wordt weer kwaad als hij er aan terugdenkt: 'Alles traineerde hij! Terwijl over bijvoorbeeld die ondernemingsraden al overeenstemming was in het kabinet-Biesheuvel. Bovendien was Dries onbetrouwbaar.’
Hij weet het nog precies. Het was op een donderdagavond in maart 1977 dat hij samen met Van Agt de Wet op de Ondernemingsraden in de Tweede Kamer zou verdedigen. Halverwege fluisterde Van Agt hem toe dat de dokter hem had opgedragen rustig aan te doen, en dat hij dus helaas moest gaan. Boersma: 'Na afloop - Vondeling was kamervoorzitter en die hield altijd strikt om elf uur op - ging ik nog even naar Nieuwspoort. En wie verschijnt daar fris en vrolijk om half een ’s nachts? Van Agt. Zonder blikken of blozen.’ De volgende dag heette het bij de ministerraad weer dat hij ziek was. En diezelfde vrijdagavond hield Van Agt in een zaaltje in de provincie de beruchte speech die de val van het kabinet inluidde. Boersma: 'Hij was te laf om z'n onvrede met het kabinet te bespreken, hij deed dat liever voor de televisie.’
Of die keer dat Van Agt liet weten niet mee te gaan om de pers te woord te staan over het OR-voorstel. Waarop Den Uyl en Boersma de persconferentie verzorgden. En Van Agt naar de pers stapte dat het een schandaal was dat ze hem niet bij de persconferentie gevraagd hadden. Boersma: 'Die man had een groot minderwaardigheidscomplex.’
EN HOE GING het verder na de val van het kabinet-Den Uyl? Gezien de tien zetels winst was het na de verkiezingen van 1977 opnieuw aan de PvdA om een kabinet te formeren. Wonder boven wonder werden confesionelen en sociaal-democraten het programmatisch vrij snel eens - ook over de (inmiddels overigens tot op het bot uitgeklede) hervormingsvoorstellen. Maar uiteindelijk klapte het toch op de personele invulling, waarmee de formatie het grootste trauma werd in de geschiedenis van de PvdA. Van Agt had er eenvoudigweg geen zin meer in en ging in zee met de VVD. Waarop de kabinetten-Van Agt en -Lubbers volgden.
En de vier voorstellen? De VAD is er nooit gekomen, de overige drie werden vrijwel geruisloos doorgevoerd, zij het in een vorm die weinig meer van doen had met de oorspronkelijke ideeen. Gemeenten kregen een voorkeursrecht bij de aankoop van grond in stadsvernieuwinsgebieden en binnenkort komt er een voorstel in de Kamer om dit uit te breiden met nieuwe woningbouwlocaties. Maar aan de prijs van grond werd en wordt niets gedaan. De WIR is inmiddels op berucht geworden wijze afgeschaft (dank zij het voortijdig bekend worden haalde het bedrijfsleven op de valreep nog miljarden binnen). De ondernemingsraden hebben meer rechten dan in de jaren vijftig, maar veel minder dan Boersma’s bedoeling was.
In 1974, na anderhalf jaar regeren, werd de PvdA-fractie ongeduldig. De vraag is of dit soort ongeduld en de neiging tot profilering zich ook van de huidige PvdA-fractie meester zou kunnen maken. Van Thijn: 'Tja, ten eerste wordt er tegenwoordig uberhaupt niet meer over strategie gesproken. En tijdens het kabinet-Den Uyl waren het de leden die ons onder druk zetten om met de vuist op tafel te slaan, maar de partijdemocratie is de laatste jaren helemaal om zeep geholpen. Voor zover de partij nog bijeenkomt is het een walk-over. Dat zie je aan de verkrampte reactie op het rapport-Kalma. Bovendien zaten Den Uyl en ik natuurlijk helemaal op een lijn, omdat Den Uyl het echt als een PvdA-kabinet beschouwde. Als Wallage nu met de vuist op tafel zou slaan, krijg je meer een Brinkman-Lubbers-situatie.’
Bovendien is de huidige PvdA-kiezer minder geprofileerd, de verhouding tot de vakbeweging is minder belangrijk, en die vakbeweging zelf is een slap aftreksel van twintig jaar geleden. De huidige woordvoerder van de FNV moet diep nadenken als hem gevraagd wordt naar de VAD en de WOR. De VAD? Ach, er zijn toch winstdelingsregelingen? En de ondernemingsraden draaien prima. 'De werknemers zijn al lang blij dat anderen beslissingen nemen, dat ze niet overal medeverantwoordelijk voor zijn’, zegt bestuurssecretaris Jos Besteman.
Al in 1969, naar aanleiding van de Maagdenhuisbezetting, hield Den Uyl zijn partij en kiezers al 'de smalle marges van de politiek’ voor. Maar dat de marges zo smal zijn, was zelfs voor de pragmaticus Den Uyl een grote teleurstelling.