De hockeyfamilie

OPEENS IS HET druk bij de Hockey Village, het tentencomplex waar de elite tijdens het wereldkampioenschap hockey verpoost. Overdag was de binnenplaats met blinkende bars en terrassen met rieten stoeltjes een oase van rust. Een enkele man in grijze broek en donkerblauwe blazer beende druk pratend door zijn mobiele telefoon over de binnenplaats. Voor de ontvangstruimten van de sponsors drentelden de gastvrouwen doelloos heen en weer. De barmannen, stijlvol in wit overhemd met zwart strikje, spoelden de glazen nog eens om.

Een uur voor de wedstrijd van de Nederlandse hockeyheren tegen India op vrijdagavond lijkt het pad dat naar de Village leidt een verzamelplaats. Het is zoals je verwacht: mannen in ribfluwelen broeken en geruite jasjes met frivool oranje vestjes eronder praten met mannen in lange beige regenjassen met leren kraag - zonder ceintuur, dat is iets voor voetbaltrainers. Ze dragen gaatjesschoenen of Engelse instappers. ‘Hé kerel, jij ook hier!’ begroeten ze elkaar. Hun vrouwen hebben camel-kleurige mantels aan of halflange waxjassen. Een diadeem om het haar uit het gezicht gehouden, zachtroze gestifte lippen, een lichtblauw toefje boven de ogen.
Bij elkaar vormen de dames de wandelende reclame voor de cravate-afdeling van de Bonneterie. Zijden shawls met gouden ankers erop of met amoebemotief, kasjmiershawls, shawls met Schotse ruit, Bretonse sjaaltjes met witblauwe strepen, college shawls - je ziet ze allemaal. Stoutmoedigen hebben kunstig een soort oranje boerenzakdoek om de hals geknoopt. Als hun kinderen ook nog eens komen aanrennen, kinderhockeystick in de hand, is het feest compleet. Je waant je op een familiereünie.
Hockey is een familiesport. In haar speciale jubileumuitgave spreekt de dit jaar honderdjarige hockeybond haar leden letterlijk toe als 'de grote hockeyfamilie’. De mensen die ik aanschiet, ze voelen zich familielid. Een mevrouw in geruite wikkelrok legt me uit hoe dat werkt: je wordt lid van vader op zoon, van moeder op dochter. Zij hockeyt zelf haar wedstrijden op dinsdagochtend met de 'damesveterinnen’. In het weekeind staat ze achter de bar van de hockeyclub, terwijl echtgenoot en kinderen spelen. Haar man is chauffeur als de kinderen 'uit’ spelen. Hij maakt ook deel uit van de commissie sponsoring van de club. 'Het is onwijs gezellig’, zegt ze, 'zo'n gezamenlijke hobby voor de hele family.’
Het is een beschaafde familie, de hockeyfamilie. 'Kijk maar naar de kleren die de mensen hier dragen’, constateert Roy, een makelaar uit Maastricht. 'Lacoste, H2O, McGregor. De degelijke, dure merken.’
Waarom hockey een elitesport is, hij begrijpt het niet. Hockey kost nauwelijks meer geld dan voetbal, alleen de stick moet je extra aanschaffen. Zijn vriend Fons, overhemd met dun streepje onder zijn regenjas, begint vol afkeer over het geweld te praten dat het voetbal begeleidt. 'Bij het hockey gaat het om sportiviteit. De kinderen leren dat van jongs af aan. Na de wedstrijd moeten ze verplicht ranja drinken met de tegenpartij.’ En al gaat er tegenwoordig in het voetbal, vooral in de skyboxen, ook veel geld om, het is ander geld. 'Zo'n René Froger of de baas van de Febo, die vind je niet rond het hockeyveld’, zegt Fons. Hij trekt een vies gezicht: 'Dat is nieuw geld.’
DE FAMILIE IS massaal uitgelopen voor de wedstrijd Nederland-India. Overdag, bij de andere wedstrijden, zaten er maar een paar plukjes mensen op de akelig lege tribunes; nu is stadion Galgenwaard met ruim veertienduizend mensen vrijwel vol. Het hockeypubliek gilt en zingt niet, het applaudisseert. Als de stadionspreker de spelers van Oranje voorstelt, wordt er geklapt. Bij het spelen van de volksliederen gaat het voltallige publiek keurig staan. Doodstil is het stadion als de hymne van de tegenpartij ten gehore wordt gebracht. Iedereen zingt mee met het Wilhemus. Iedereen kent de tekst.
Het is een mooie wedstrijd. De Indiërs zijn balgoochelaars en het publiek klapt goedkeurend als ze behendig door de Nederlandse defensie pingelen. De stemming komt er pas goed in als Nederland na een minuut of twintig scoort. Het refrein van La Cucamarcha stuitert door het stadion. het klinkt als: 'Het is een goaltje, het is een goaltje.’ Het publiek juicht en menig ribbroek waagt zich aan een heupwiegend dansje. 'Neemt u me niet kwalijk’, zegt de man op de rij voor mij als hij zich realiseert dat hij mijn zicht belemmert. Hij gaat snel zitten, om weer op te veren als de wave voor de zoveelste keer door het stadion spoelt.
Het heeft iets aandoenlijks, het enthousiasme van de hockeyfamilie. Het is alsof de chic met pijn en moeite het supportersgedrag van het profanum vulgus probeert te imiteren. Jawel, het stadion kleurt lichtelijk oranje. Dat komt niet door uitbundige uitdossingen, maar door subtiele accessoires. De om de nek geknoopte zakdoek. Een oranje choker. Een zijden oranje stropdas. Voor de jeugdigen: een oranje baseballpetje. Het summum van ingehouden aanmoedigingsdrift is het minuscule koninginnedagvlaggetje dat op het revers van de blazer is gespeld. In mijn buurt is het uitgerekend een Indiër die het meest uitbundig in het oranje gaat. Hij heeft een zwarte tulband op en een oranje T-shirt aan, waarop de tekst: 'Een interland begint met het Wilhelmus’.
Beschilderde gezichten, zoals je die onder het inmiddels gedemocratiseerde tennispubliek ziet, tref je nauwelijks. Nu ja, ze zijn er wel, bij de kinderen, maar ze vallen niet op. Ook de verf is subtiel aangebracht. Naast stadion Galgenwaard, bij de tweede Hockey Plaza en het minikunstgrasveld voor de jeugd, staat een tentje waar je je kunt laten schminken. Meisjes van een jaar of veertien penselen met smalle kwastjes kleine roodwitblauwe vlaggetjes op wangen. Of een kogelrond oranje zonnetje. Met de tong uit mond schildert een van hen heel precies in dunne lettertjes 'Hup Holland’ op een kindervoorhoofd.
'Zo kan het ook’, zegt een man, terwijl hij met pijp in de hand vaag naar de goedmoedige menigte wijst. Men heeft een goed humeur omdat Nederland de Indiërs met vijf tegen nul heeft verslagen. Men staat gedisciplineerd in de rij om het stadion te verlaten. Een jongetje dat een kartonnen bekertje op de grond gooit, wordt door drie vrouwen tegelijk berispt. Men groet de lanterfantende politie. Nog maar één keer, zo meldt de dagelijkse WK-editie van het Utrechts Nieuwsblad, heeft de politie een proces-verbaal moeten uitdelen. Een man die buiten het WK-complex kaartjes probeerde te verkopen, werd op heterdaad betrapt. Hij was geen zwarthandelaar, maar toch.
DEMOCRATISEREN gaat van au. Verschillende bezoekers zeggen het me: nee, hockey is niet meer elitair; ja, hockey is nog steeds een nette sport. Wat het verschil is tussen elitair en net, dat is een ingewikkelder vraag. Een meneer in driedelig pak weet het antwoord: het is een kwestie van cijfers. Het aantal hockeyers is inmiddels te talrijk geworden om nog van een elite te spreken. Rond 1930 kende de Nederlandse hockeybond nog geen duizend leden. Vlak na de oorlog waren het er vijftienduizend; in 1958, bij het zestigjarig jubileum van de bond, vijfentwintigduizend. Tegenwoordig telt Nederland 319 clubs en zo'n 125-duizend hockeyers.
Populair, het was lang een vies woord voor hockeyers. In de eerder genoemde jubileumuitgave van de hockeybond staat beschreven hoe er in 1928, toen hockey voor het eerste een Olympische sport was, regelrechte angst leefde voor een te grote populariteit. 'Wat deden die menschen hier?’ schreef een hockeyliefhebber over de druk bezochte Olympische finale. 'Menschen, die niet wisten hoe hockey geschreven wordt, menschen die niet wisten dat hockey met een stick gespeeld werd, menschen die krijschen wanneer de bal van buiten den cirkel in de goal rolt. Wat heeft hockey aan die belangstelling? Niets dan narigheid en ellende.’
De voorzitter van de hockeybond, jonkheer Quarles van Ufford, vertaalde de angst in een statement: 'De Hockeybond wenscht geen popularisering van de hockeysport door het toestroomen naar competitiewedstrijden van toeschouwers, die zelf deze sport nooit beoefend hebben; de bond wenscht geen verheerlijking van spelers door diezelfde toeschouwers of in couranten en sportperiodieken; de bond wenscht geen dier uitwassen welke andere sporten hebben gedegradeerd tot een kijkspel voor de massa.’
Hoe sterk het hockey sindsdien ook is veranderd, een kijksport voor de massa is het in Nederland nog steeds niet en zal het waarschijnlijk nooit worden. De veertienduizend toeschouwers in Galgenwaard zijn voor de overgrote meerderheid zelf ook hockeyers. Ze kennen de spelregels uit ervaring. Ze weten dat een doelpunt pas telt als de bal in de cirkel door de tegenpartij wordt geraakt. Ze zijn er trots op dat hockey nog steeds een oprechte amateursport is waarin het fair play voorop staat. De spelers van het Nederlands elftal zijn topsporters, dat wel. Ze hebben, zo stelt menig hockeyer graag, een betere conditie dan de gemiddelde profvoetballer. Ze blijven amateur. En de hockeyfamilie blijft beschaafd, al presenteert ze zich tegenwoordig zo gewoon mogelijk.
HET IS ZATERDAG stampend druk in de Frockey Shop in het eerste Hockey Plaza, vlak bij de ingang. Je kan er een complete World-Cupgarderobe aanschaffen. Van poloshirts tot stropdassen, van windjacks tot bretels en horloges. Overal staat Frockey op, een vrolijk groen kikkertje dat de mascotte is van de hockeybond. Nu zie ik dat de oranje boerenzakdoeken sjaaltjes zijn met Frockey erop en dat er hockeysticks en de tekst van het eerste couplet van het Wilhelmus om hem heen zweven. Het is geen zakdoek, maar een bandana. De bandana’s gaan als warme broodjes over de toonbank. Het meest bijzondere item is zonder twijfel de Rietveld Hockeygoal in beperkte oplage.
In de Frockey Shop ontmoet ik Antoinette. Voor het hele gezin heeft ze een T-shirt met kikker gekocht. Ik vraag haar wat ze van het tenue van de Oranje-dames vindt. Over de hockeykleding van de dames, of ruimer: over het sportieve imago van de hockeydames, is de laatste tijd veel gedoe. Daarin gaat het pas echt om democratisering. Het zit zo: de Australische dames wilden het wereldkampioenschap in een strakke bodysuit spelen. De mondiale hockeybond decreteerde ijlings dat het hockeyrokje voor dames verplicht is. De Australische vrouwen gaan nu gekleed in een compromis: een nauw aansluitend mouwloos jurkje met blote hals.
'Geen gezicht’, vindt Antoinette. 'Ik begrijp ook niet waarom dat vod opeens vrouwelijk heet te zijn. Het oude vertrouwde rokje is vrouwelijk genoeg.’ Ze vervolgt lachend: 'Hockey doe je in een rokkie.’
Het verhaal over het vrouwelijke imago van de tophockeyster gaat nog verder: Britta Becker, fotomodel en aanvalster van het Duitse elftal, liet zich voor het toernooi als pinup fotograferen. Ook een speelster van het Engelse team poseerde bevallig op bed voor een fotograaf. 'We willen laten zien’, verklaarde de Engelse hockeybond, 'dat normale, sexy, in jongens geïnteresseerde meisjes hockey spelen en dat je er niet als een paard hoeft uit te zien.’
Ook dat noemt Antoinette onzin. En ze heeft gelijk. Voetbal wordt in Nederland gespeeld door mannen en vrouwen; hockey door heren en dames. Dat de Nederlandse dames, anders dan de Engelse, in jongens zijn geïnteresseerd blijkt deze middag overduidelijk. Vanmiddag staat de wedstrijd tussen de Oranje-dames en Korea op het programma. Nederland wint nipt in een wedstrijd die het aanzien niet waard is. Na afloop interviewt oud-international Carina Benninga de maakster van het enige doelpunt in het stadion. Aan de lelijke wedstrijd wil ze geen woorden vuil maken, ze vraagt matchwinner Fleur van de Kieft naar haar exotische rastakapsel: 'Hoe doe je dat? Vooral de kerels willen dat graag weten.’
Zo gaat dat als het er wat vlotter aan toe gaat. Dan heten de heren en dames kerels en meisjes. 'Het was geen wereldpot’, vat een man naast mij de wedstrijd samen. 'Ze hebben wel geknokt, de meisjes’, zegt zijn buurman.
NA AFLOOP VAN de wedstrijd wordt het pas echt gezellig. De hockeyfamilie flaneert tussen het stadion en het Hockey Plaza. De gelukkigen die een uitnodiging van een van de sponsors op zak hebben, gaan naar een van de parties in de Village. 'Het is genieten, hè!’ roept een mevrouw in college coat naar een passante.
V&D baat een groot restaurant uit waar allerlei heerlijkheden zijn te krijgen: gemarineerde zalm, biefstuk, vers gemaakte pizza, Italiaanse broodjes, soep, fruitsalade. Bij de verschillende Heinekenbars vloeit het bier. Pas na een tijdje valt het op: nergens staat een frietkraam, nergens een hotdogkarretje, nergens een snackbar.
Om een wat afgelegen hoog tafeltje staat een groepje middelbare Indiase mannen zelfgemaakte roti te eten. Ze dragen de vertrouwde kleren: grijze broek en blauwe blazer. Maar ze hebben ook zwarte baarden en een witte tulband op hun hoofd. Ze zijn in de jaren vijftig van Kenia naar Londen verhuisd. Daar zijn ze lid van Maharadja, een hockey- en cricketclub die in de jaren twintig is opgericht omdat de Indiërs en Pakistani geen lid mochten worden van de blanke clubs. Tegenwoordig is de vereniging gemengd. Hier in Nederland weten ze niet voor wie ze zijn. Zowel de Engelse als de Indiase mannen en vrouwen presteren teleurstellend.
'We blijven het hele toernooi’, vertelt een van de Indiërs. 'Wie er ook wint, we zien graag mooi hockey.’ Hij wijst op het kleinste en dikste mannetje van het gezelschap. 'He was a great hockeyplayer’, zegt hij. 'Hij speelde ooit voor het nationale elftal van Malawi.’