Het Migrantenmuseum

De hoed

Ziya is dood. De man had best nog een paar jaar mee kunnen gaan en zijn zevende kleinkind kunnen meemaken. Het waren de zes kleinkinderen die Ziya wel had zien opgroeien die door de jaren heen roet in het eten hadden gegooid. De laatste woorden van Ziya waren –althans als we het gerucht moeten geloven – de volgende: ‘Ik wou dat ik die kleinkinderen van mij nooit had meegemaakt.’ Wij van het Migrantenmuseum geloven dit gerucht. We kunnen niet anders, omdat dit gerucht ons ingefluisterd is door de beste vriend van Ziya, die het museum de hoed van Ziya heeft geschonken. Als we niet bevestigend met onze hoofden hadden geknikt, dan had die beste vriend van Ziya ons die hoed misschien niet gegeven. Vandaar.
De hoed is een Fedora die in de lengterichting een vouw vertoont. Met twee deuken aan weerszijden. Hij is bruin van kleur. Het ding is bijna vijftig jaar lang door Ziya gedragen en al was je het nu in het water van de rivier de Eufraat, de geur van Ziya krijg je er niet meer uit.
Die beste vriend van Ziya vertelde ons: ‘Het was
in 1968 dat Ziya de hoed in een etalage in het winkelcentrum van Breda zag. “Zal ik het doen?” vroeg hij aan mij. Ik zei tegen hem dat hij normaal moest doen. Als gastarbeider droeg je zo’n moderne hoed alleen als je jezelf belachelijk wilde maken. Maar Ziya was een man die deed waar hij zin in had. De volgende dag kwam hij met dit ding op zijn hoofd. We lachten allemaal en hij lachte met ons mee. Een week hebben we hem uitgelachen, misschien ook wel twee weken. Daarna was iedereen gewend aan de hoed. Soms pakte een van ons de hoed van zijn hoofd en gooiden we hem naar elkaar, maar omdat Ziya zich nooit kwaad maakte en hij gewoon doorging met waar hij mee bezig was, was deze pesterij niet echt leuk. Nee, Ziya maakte zich niet snel kwaad om iets. Eigenlijk heeft hij zich in zijn hele leven alleen om zijn kleinkinderen kwaadgemaakt.’
Een paar dagen later kwam de vrouw van Ziya met vermoeide ogen naar het museum om te controleren of de hoed van haar man wel een goede plek had gekregen. Na een grondige inspectie van het museum wilde ze de hoed op de plaats waar de grafsteen staat. ‘Die ga ik niet meer verplaatsen. U weet natuurlijk niet dat ik deze steen ondanks mijn hernia midden in de nacht zelf uit de grond heb gerukt. Nee, die blijft gewoon daar staan’, zei ik. Twee druppels gleden langs de gele wangen van de vrouw. Ze wierp tegen: ‘Maar Ziya heeft een keer tegen mij gezegd dat hij de hoed droeg om aan alle nieuwe generaties te laten zien dat men moet doen wat je hoort te doen. Als het maar vooruitgang brengt.’
Op een warme middag, die eigenlijk om een siësta vroeg, ging ik uitzoeken wat voor gasten die kleinkinderen van Ziya waren. Ik hoefde niet met alle zes te praten. Een kort gesprek met een van hen bleek meer dan genoeg. Deze twintiger met uitgedoofde, slaperige, bruine ogen zei met een nasale stem: ‘Opa had groot verwachtingen van ons. Want we waren in Europa geboren, weet je. Van hem moesten we naar Amerika en China gaan, vier talen spreken en heel ver schoppen, weet je. O, het is gebedtijd. Ga je mee bidden in ons moskee? Dat opa van mij is bijna nooit naar het moskee gegaan. Moge Allah hem vergeven. Wat een raar vogel was hij toch met dat hoed van hem. Pas in zijn dertigste leren lezen en schrijven, maar zulke hoog verwachting als het om kleinkinderen gaan. Toch hield ik van hem, weet je. Gisterennacht heb ik de hele nacht voor hem gebeden.’
De gebedszang klonk, de moskee werd in korte tijd gevuld met allemaal jongeren van de ‘generatie teleurstelling’. Niet wetend dat ze met z’n allen verantwoordelijk waren voor de te vroege dood van Ziya brachten ze hun voorhoofden naar het tapijt.
Ik ging terug naar het museum en streelde de hoed. Ziya reikte naar de bergen van China en naar de oceaan bij New York.