Een van de mijlpalen tijdens het schrijven van een boek is het moment dat de uitgever je een pdf-bestand doorstuurt. Het omslagontwerp!
Eerst zijn er de angstige seconden waarin de computer nog wat hapert en ratelt, en daar is hij dan, de pagina die Joseph Brodsky ooit typeerde als ‘voor mensen in ons vak het equivalent van een gevel’.
Met die gevel is iets geks aan de hand. Hij wordt namelijk steeds vaker gebouwd nog vóór het huis af is. De aanbiedingscatalogi van de uitgevers moeten steeds eerder de deur uit, zodat omslagontwerpers al aan het werk gaan terwijl de schrijver nog maar halverwege is, en alleen nog een uiterst voorlopige flaptekst heeft ingeleverd.
Allebei mijn romans bestonden al in een catalogus (compleet met verschijningsdatum en het aantal pagina’s) voordat ze af waren, wat een beetje voelde alsof de geboortekaartjes al de deur uit waren terwijl het kind nog maar net de twintig-weken-echo was gepasseerd.
Maar ditmaal is het anders. Mijn novelle is af, en zelfs al geredigeerd, en bovendien was ik erbij toen de foto’s voor het ontwerp geschoten werden: een danseres achter het glas van een etalage van de Bijenkorf.
De fotosessie trok nogal wat bekijks van winkelende passanten, en het was eigenaardig om me te realiseren dat door mijn gedachtespinsels in een lege kamer, alleen achter een bureau, er nu ineens een klein leger op de been was: de danseres, mensen van het Nederlands Danstheater, de fotografe met een assistente en twee meisjes van de Bijenkorf, die waarschijnlijk moesten toezien of we de boel niet sloopten.
Voor Brodsky was een omslag een gevel, maar ik heb inmiddels geleerd dat het ook een spotlight is. Als ik terugdenk aan gelezen boeken hebben de decors veelal een kleur waarin dat van het omslag is doorgesijpeld. Zo kan het gebeuren dat een nogal zwart verhaal als De asielzoeker in mijn verbeelding toch een vrolijk gele bijklank heeft. De hilarische wervelwind van Vladiwostok! is daarentegen dan weer gebaad in een donkere, rokerige atmosfeer.
Ook het universum van mijn novelle is met dit omslag van kleur veranderd. Het is vooral lichter, helderder dan de beschreven wereld in eerste instantie was. Alsof iemand het licht heeft aangeknipt, waardoor ineens de meer lichtvoetige passages eruit springen.
Never judge a book by its cover, luidt een bekend gebod, maar in de praktijk schijnen daar hele volksstammen tegen te zondigen. Een Vlaamse sportjournalist vertelde me laatst dat hij boeken vaak koopt op basis van ‘de hoes’.
Het boek is dus zijn eigen advertentie. Het product en de aanprijzer ervan vallen samen, een verschijnsel dat je verder eigenlijk alleen in de prostitutie ziet. Het gevolg hiervan is dat er talloze mensen vooraf naar zo’n omslagontwerp moeten kijken. Uitgevers leggen het voor aan een klankbord van boekverkopers, aan mensen van de afdeling verkoop, enzovoort. Op die manier is een eigen voorstel voor de kaft van de midprice-editie van mijn debuut destijds gesneuveld. Ik wilde een schilderij van Matisse. Het klankbord wilde een blote vrouw.
Nu kun je je afvragen of boekverkopers wel de ideale beoordelaars zijn. Volgens mij vragen ze hun klanten nooit of ze een boek hebben aangeschaft op basis van ‘de hoes’. Je kunt er beter reclamelui naar laten kijken die bekend zijn met de subtiele psychologische verleidingsprocessen.
En als je bedenkt dat het overgrote koop- en leespubliek uit vrouwen van middelbare leeftijd bestaat, kun je je afvragen of ze wel zo’n blote vrouw willen gaan afrekenen aan de toonbank.
Hoe dan ook: het werd die blote vrouw, ook omdat de erven Matisse onredelijke eisen stelden. Het schilderij moest bijvoorbeeld ergens in de binnenkant zonder belettering worden afgedrukt. Bovendien was gebruik van een uitsnede eruit uit den boze.
De Stichting Best Verzorgde Boeken kiest jaarlijks het mooiste omslag. Dit jaar was het De valk van Kester Freriks. Volgens de juryvoorzitter, Just Enschedé, had Turks fruit het mooiste omslag dat ooit is ontworpen.
Pardon? Dat zwarte ding met die groen-rode blokletters? Ja, ‘de combinatie van kleuren, de eenvoud en het gebruik van letters. Iedereen heeft dat op zijn netvlies staan.’
Nou goed, over smaak valt te twisten, maar voor die collectieve herkenning valt wel wat te zeggen. In het beste geval wordt een omslag een icoon, zoals Jan Cremer op zijn motor.
Misschien is dat de reden dat er steeds meer boeken verschijnen met één bevreemdend object op het omslag: een pelikaan, een pisbak, een kreeft, een open mosselschelp, een strandemmertje, een sanseveria… Allemaal de wereld in gestuurd om een blijvende plaats als icoon in het collectieve bewustzijn te veroveren.
Het gevolg is uiteraard dat boekhandels op carnavalswinkels gaan lijken, waar geen enkel omslag er nog ‘uit kan springen’. Je gaat haast verlangen naar de oude dagen van Van Oorschot, waarbij een boek gewoon een donkere kaft met letters was.