Kijken

De hoge lariks

Lezen is ook zien. En soms zien we wat we lezen. Zoals William Wordsworth zijn woorden in het gedicht schikte, zo construeerde Mondriaan zijn eigen vertelling tot een unieke compositie.

Robert Zandvliet, Grēne, 2019. Eitempera op linnen, 213 x 270 cm; © Henk Geraedts, Tilburg / Galerie Onrust

Lezen is tegelijk ook zien. Zo laat William Wordsworth ons dingen heel proper zien, in een schoon licht, ik bedoel zonder allerlei ruis er omheen. Zijn woorden staan bijna stil soms, het is wonderbaarlijk van eenvoud: It is the first mild day of March/ Each minute sweeter than before/ The red-breast sings from the tall larch/ That stands beside our door. De woorden gaan langzaam, ze struikelen niet en daardoor laten ze ons meer tijd om beter te zien wat de dichter schrijft. We zijn op een plek waar we stilstaan. We horen een vogel zingen en zien een boom. Elders, in een ander gedicht, maakt bedaarde harmonie ons kijken stil en zeldzaam aandachtig. We zien dan into the life of things.

Het geelgroen straalt en schittert door de ritmes heen

Ik ben een groot liefhebber van Wordsworth en laat me graag meeslepen door all that we behold/ from this green earth; and all the mighty world/ of eye and ear. Ik heb veel van hem geleerd. Jaren geleden liepen we daar te wandelen, mijn vrouw en ik, een pelgrimage in het Lake District in Engeland waar de dichter, die daar geboren was, weer was gaan wonen. Zijn gedichten waren onze reisgids. We zagen wat we lazen. Het landschap was glashelder. We liepen langs de rand van een drassig stuk grasland. De vochtige lucht rook fris. Toen ging mijn telefoon. Het was een vriend uit Londen die de streek goed kende omdat hij er was opgegroeid. Ik vertelde waar we waren: het groene gras, dan voorbij de heg, waar we net langsliepen, lage fruitbomen, verder weg de helling tot aan het koude water. Mijn vriend vroeg met welke kunstenaar ik Wordsworth zou vergelijken. Ik hoefde niet eens lang na te denken. Het landschap was overzichtelijk en schoon. Met Mondriaan, zei ik, daar zou ik hem mee vergelijken. In de taal van zijn gedichten, dacht ik, zijn de woorden zo eenvoudig (zonder opsmuk) dat het leek alsof ze voor gebruik eerst schoongemaakt waren. Alleen gewoon dit: de hoge lariks die bij ons naast de deur staat. Niet alleen zijn die woorden de kortste beschrijving van wat tegelijk een knap beeld is van wat zichtbaar werd: een hoge boom, deur terzijde en ernaast. Toen ik dat zo begreep bij Wordsworth begon ik ook bij Mondriaan omstandigheden helderder te zien.

Kijk naar zijn Compositie II met geel en blauw uit 1929: een verdeling van vorm en kleur op een wit vierkant, afkomstig uit Mondriaans vormrepertoire. Dat was als het ware de vertelling van het schilderij. Bij Wordsworth begon de vertelling, een zachte dag in maart met de boom en het roodborstje bij hun deur, die vervolgens in stille woorden in het gedicht geschreven werd. Net zo had Mondriaan een compositie voor ogen: hij schilderde wat hij zag: dat strakke geel, de zwarte lijnen, het wit, donkerblauw. Bij hem gaat het erom hoe hij keek naar wat hij zag. Dat ademloze kijken bepaalt de lyriek van zijn beheerste handschrift. Zo kwam, bij Wordsworth, door voorzichtig gebruik van woorden de zachte, unieke toon in de gedichten.

Piet Mondriaan, Compositie no II, 1929. Olieverf op doek, 52 x 52 cm © Museum Boijmans Van Beuningen

Dit bedacht ik laatst toen ik bij Galerie Onrust zat te kijken naar een blakend groen schilderij van Robert Zandvliet. Geen strak gazon was het maar eerder een zwaar weiland van sappig gras. Hij wilde een vrijwel monochroom voltooien, had hij me ooit verteld. Om te beginnen het liefst een groen schilderij. Dat was de kleur van toen hij klein was en opgroeide op een boerderij met koeien in Friesland. Groen is een harde kleur. Het mocht geen zwevend impressionisme worden. Zandvliet wilde het land strak vormgeven zoals hij dat eerder gedaan had met andere landschappelijke motieven. Eerst maakte hij de rechthoek compact. Daar begon zijn vertelling mee. De waarneming is geen vergezicht. We zien het gras recht van boven vanuit de lucht. Het beweegt alle kanten op. Het zijn veel, korte, sprieten van gras. Ze zijn in bochtige horizontale lijnen geplant. Het veld van sprieten kreeg een stevige vorm. We zien patronen van ritme in de ruime verdeling van groen. Er verschenen plekken van schaduw. Ze zijn lichtgroen, donkergroen. Ertussen zitten ook sprieten wit. De grondkleur is een listig geel. Er zit tussen al die sprieten veel voorzichtige tussenruimte. Het geelgroen straalt en schittert door die ritmes heen.

Het schilderen begon zo en is zo ook geëindigd, in één grote beweging. Het schilderij met al die sprieten lijkt me relatief langzaam geschilderd. Maar de ruime samenvatting ervan, het intense en wezenlijke veld van groen, beweegt als lange golfslagen van wind en licht. Omdat de kleuren licht zijn is het schilderij ongemeen helder. Het schilderen werd een verbeelding die met losheid werd uitgevoerd. Er zit overal veel ruimte in. Het schilderij is een heel schone kleur. Het zit vol met onbedaarlijk groen licht dat mij blijft achtervolgen.

PS. Liefhebbers beveel ik van William Wordsworth van harte aan: Selected Poetry, Oxford World’s Classics