KUNST

De Hollandsche Tuin

Sypesteyn

In het boekje Tuinvisioenen: Jonkheer van Sypesteyn op zoek naar de verloren tuinkunst (een mooie Ollie B. Bommel-achtige titel) wordt melding gemaakt van een interessante correspondentie in het tijdschrift Buiten, jaargang 1908. De drukbezette tuinarchitect Leonard Springer kruist daarin de degens met een zekere ’S. v. H.’, die op uitnodiging van de redactie filosofeert over de juiste stijl voor het tuinontwerp van die tijd. Dat was misschien niet een brandende kwestie, maar in de context van vergelijkbare debatten binnen de architectuur en de vormgeving, die in die jaren vrij scherp werden gevoerd, toch een relevant zij-onderwerp. De geschiedenis van het Nederlands tuinontwerp vóór de twintigste eeuw werd in die jaren meestal versimpeld tot twee sjablonen: de Franse formele baroktuin en de Engelse landschapsstijl. In 1908 waren die sjablonen vermengd tot een eclectische warboel. De vraag of er ook zoiets als een Nederlandse traditie had bestaan, dan wel of er binnen die grote Europese stromingen iets van een eigen visie of watermerk te herkennen was, werd lange tijd verwaarloosd. Daarover ging de correspondentie.
Achter S. v. H. ging de wat excentrieke jonker Catharinus Henri Cornelis Ascanius van Sypesteyn (1857-1937) schuil. Deze Sypesteyn was een Hagenaar, behept met een prettige verzamelwoede (penningen, porselein, portretten, wapentuig, uurwerken) en zin voor traditie. Tussen 1911 en 1927 bouwde hij in Loosdrecht op de fundamenten van een verdwenen kasteeltje, gebruikmakend van historische fragmenten en oud bouwmateriaal, een nieuw middeleeuws familiekasteel, dat er nog altijd staat. Van meet af aan was het open voor het publiek.
Sypesteyn oordeelde terecht dat er geen echte kennis bestond over de Nederlandse tuintraditie, en dus schreef hij zelf een boek, Oud-Nederlandsche Tuinkunst (1910), wat misschien wel het eerste grondige historisch overzicht van het onderwerp is, grotendeels gebaseerd op een uitvoerig onderzoek naar visuele bronnen. In Sypesteyns visie was de grote tuinkunst van de zeventiende eeuw, die werd gedomineerd door immigranten als LeNôtre, juist geen slaafse navolging van de Franse, maar eerder een eigen, Hollands-classicistische interpretatie van de oudere Italiaanse renaissancetuin, ontwikkeld in de zestiende eeuw. Die eigen traditie was vervolgens van grote invloed op buitenlandse ontwerpers, in het bijzonder in Engeland. Bovendien was er, aldus Sypesteyn, nog een oudere, ‘gotische’ traditie, die ook een eigen karakter had. Springer, die aanvankelijk dacht dat hij met een vriendelijke amateur te maken had, reageerde geërgerd op de correcties op zijn kennelijke dwalingen.
Vervolgens doemde natuurlijk de vraag op wat voor tuin er dan bij zo'n quasi-middeleeuwse havezate als het Loosdrechtse kasteeltje zou moeten worden aangelegd. 'Wel, eenvoudig naar onzen eigen smaak’, had ’S. v. H.’ geschreven. De jonkheer wilde zeker niet een laffe reconstructie, geen pastiche, maar 'een oude tuin met nieuwe trekken’, gebaseerd op de suggestie dat de fundamenten van zijn nieuwe huis uit de late zestiende eeuw stamden. Hij ontwierp zelf een tuin die 'complexer, ambitieuzer en tegelijkertijd frivoler’ was dan de gangbare reconstructies, maar dan wel zonder de malle ornamenten, de Chinese tempeltjes, lege tombes of gotische ruïnes, die zo lang in zwang waren geweest. Kasteel Sypesteyn toont in een kleine tentoonstelling een hele serie ontwerpen en schetsen, die een grote variatie aan vormen en ideeën bevatten, sommige zeer twintigste-eeuws. De uiteindelijke tuin, een mooie eigenzinnige mengeling van vormen en beplanting, is nog grotendeels intact.

Tuinvisioenen: Jonkheer van Sypesteyn en de terugkeer van de Oud-Nederlandse Tuinkunst. T/m 3 oktober. Kasteel-Museum Sypesteyn, Loosdrecht;www.sypesteyn.nl.