Neerlandistiek onder druk

De Hollandsche Welsprekend-heid

De studie Nederlandse taal- en letterkunde loopt leeg, met het gevaar dat het Nederlands een statusloos taaltje wordt. Hoe kon het zo ver komen? En vooral: hoe keren we het tij?

Introductiedag voor eerstejaars in het Lambert ten Katehuis. Amsterdam, begin jaren tachtig

‘Wat gebeurt er met een goudvis in een te kleine vissenkom?’ Emeritus hoogleraar Marita Mathijsen tovert vanachter haar katheder een minuscuul kommetje met een levende vis te voorschijn en priemt die strijdlustig in de lucht. ‘Nou? Wat gebeurt er met de goudvis?’ Ze beent met de vis door het gangpad van de Doelenzaal van de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam. ‘Thomas?’ Schrijver Thomas Roosenboom die op de eerste rij zit, schuttert: ‘Die gaat dood?’ Ze wendt zich naar links: ‘Gaston?’ De docent moderne letterkunde aan de UvA probeert: ‘Die groeit niet?’ ‘Et voilà! Een goudvis in een kleine kom blijft klein.’ Waarna Mathijsen haar gelegenheidscollege begint over de Romantiek in de Nederlandse letteren en hoe die decennialang als onbeduidend is geframed, klein werd gehouden door historici, terwijl er wel degelijk ‘een romantische geest door de Lage Landen joeg’.

De vissenkom staat ook symbool voor de neerlandistiek als geheel. Want hoewel het kleine gezelschap van studenten, alumni, wetenschappers en schrijvers vanavond bijeen is om tijdens dit Feest der Letteren het honderdjarig bestaan van de neerlandistiek aan de UvA te vieren (én van studievereniging Helios), luidt de eerste zin op de uitnodiging niet voor niets: ‘De honderdjarige studie die uit het raam klom en verdween?’ Preluderend op Jonas Jonassons roman én het rumoer van de afgelopen maanden over het ineenschrompelen van het vakgebied.

De ooit zo bloeiende vakgroep die alleen al aan de UvA jaarlijks honderden eerstejaars trok, kampt al langer met teruglopende studentenaantallen. Maar sinds 2010 kelderen die landelijk zo hard dat ze aan een vrije val lijken bezig te zijn. Dit jaar startten in heel Nederland 183 eerstejaars. Dat is zestig procent minder dan in 2010. Hoogleraar taalkunde Fred Weerman, decaan geesteswetenschappen van de UvA, vroeg zich daarom in een opiniestuk in universiteitsblad Folia af of de opleiding neerlandistiek nog wel van deze tijd was. Misschien moest die maar opgaan in een brede bacheloropleiding. Vakgenoten reageerden minder laconiek. Als de neerlandistiek inmiddels is gaan lijken op een met uitsterven bedreigde ijsbeer, wat betekent dat voor Nederland? Voor de taal? De cultuur? Moet er niet als de wiedeweerga een Deltaplan komen?

Toen Marita Mathijsen zelf in 1966 ging studeren, zat ze met driehonderd eerstejaars in het statige Lambert ten Katehuis aan de Herengracht, dat via een binnentuin verbonden was met een ander pand van de UvA aan de Keizersgracht. ‘We hadden les in kamers met hoge plafonds en tussen de middag hing iedereen in de tuin.’ Die enorme aantallen hadden natuurlijk alles te maken met de geboortegolf van vlak na de oorlog, maar neerlandistiek behoorde ook tot de populaire studies. ‘Juist omdat die zo algemeen was. Een studie Nederlands werd gezien als brede academische vorming. Je kon er veel kanten mee uit. Aan lezen werd sowieso veel waarde gehecht in die tijd. Ikzelf wilde ook vooral lezen. Ik wist helemaal niet wat ik wilde worden.’

Het leraarschap was nog een beroep met status en bood een aantrekkelijk toekomstperspectief voor de generatie kinderen uit de lagere sociale klassen die eind jaren zestig en begin zeventig voor het eerst in groten getale gingen studeren. Dat gold bijvoorbeeld voor collega Herman Pleij, net als Mathijsen nu met emeritaat. Hij was de eerste van zijn familie die ging studeren en koos voor Nederlands omdat hij sinds zijn zesde jaar van lezen hield en omdat het een helder beroepsperspectief had: het leraarschap. ‘Maar ook omdat ik docenten had die een soort opwinding konden veroorzaken’, zegt hij in een desolaat P.C. Hoofthuis waar hij met Mathijsen nog een ‘pijpenla’ deelt. Hier en daar bieden de uit glas opgetrokken lokaaltjes zicht op twee, drie studenten rond de laptop van de docent – colleges anno 2018. ‘Die docenten droegen een zeker mysterie uit – iets wat ik niet begreep, maar waarvan ik wel voelde dat er wat te halen viel.’

Het vak voelde uiterst relevant, zegt Pleij. Nog zo’n verschil met nu. ‘We waren doordesemd met het idee dat we een maatschappelijke functie hadden, dat het belangrijk was om je met je moedertaal en -cultuur bezig te houden omdat we gevormd waren door ons verleden. Het verleden is nodig om het heden te begrijpen. Wij waren ervan overtuigd dat we ons op het middelpunt van de aarde bevonden. Natuurlijk, medici waren ook belangrijk en wiskundigen, maar wij deden daar echt niet voor onder.’

Dat idee ontkiemde tijdens de colleges van professor Hellinga, ‘een geniale bruut’, zoals Pleij hem karakteriseert. ‘Schreef nooit. Maar gaf briljant college.’ Officieel historische letterkunde, colleges die hij op eigen houtje uitbreidde tot lessen tekenleer. ‘Als hij college gaf kwam hij steevast vijf minuten te laat. De zaal in de Oudemanhuispoort was dan afgeladen. Mensen, ook van andere studies, zaten tot in de vensterbanken. En dan kwam hij binnen, hing in doodse stilte zijn jas en hoed op en schreef dan bijvoorbeeld een omgekeerde letter A op het bord. Vervolgens zei hij niets. Draaide zich om naar de staf die op de eerste rij zat – want als de professor les gaf kwamen de andere docenten ook – en dan zei hij: “Wat denkt u, dr. Lulofs” – om even aan te geven dat het hier een hooggeleerde heer betrof, het was echt een beest van een man – “wat ik op het bord heb gezet?” Alsof die docent een schooljongen was. Die arme man dacht natuurlijk: ik moet niet zeggen “een omgekeerde A”, want zo simpel zal het toch niet wezen. Die mompelde dan iets van dat het een geïnfecteerd taalteken was uit een incompatibel tekensysteem en dan bleek het natuurlijk toch gewoon een omgekeerde A. Van het belang van context bij het begrijpen van taal zeilde Hellinga dan zo de zeventiende eeuw in.’

Wat Pleij maar wil zeggen: de prof maakte het vak belangrijk. ‘We hadden het over mentaliteiten – die invloed hebben op ons denken en doen en die onder andere gevormd werden door literatuur. Niet voor niets werden er in het verleden handschriften verbrand en worden er nog steeds schrijvers vervolgd.’

Door de verengelsing van het universitaire onderwijs wordt dat gevoel van relevantie nu node gemist, denken Pleij en Mathijsen. In het afgelopen studiejaar werd bijna een kwart van de bachelorstudies aan Nederlandse universiteiten alleen nog in het Engels aangeboden. Van de masteropleidingen was dat zelfs bijna driekwart. ‘Ik snap wel dat die zogenaamde internationalisering de reddingsboei voor de universiteiten was omdat ze zo buitenlandse studenten konden binnenharken, wat een hoop geld opleverde’, zegt Pleij. ‘Maar met dat Engels kelderde niet alleen het niveau van het discours op dramatische wijze, door de nadruk op internationalisering en globalisering krijgen studenten ook het gevoel dat ze een provinciaaltje zijn geworden als ze hun eigen vak in het Nederlands beoefenen, dat ze niet meer meedoen. Je bent folklore aan het bestuderen.’ Niets mis met het Engels als internationale wetenschappelijke taal – ‘vroeger hadden we het Latijn en Frans – maar laat het naast elkaar bestaan’, vindt hij.

Op het moment dat Pleij en Mathijsen jaren later zelf docenten werden aan de UvA was er veel veranderd. Na de studentenprotesten en de Maagdenhuisbezetting verdwenen de massale colleges zoals die van professor Hellinga en professor Stuiveling. ‘Er kwamen veel meer werkcolleges, studenten kregen meer inspraak. De inhoud werd maatschappelijker, er kwam ook aandacht voor leesgeschiedenis, volksverhalen, detectives’, zegt Mathijsen. ‘De canon werd doorbroken.’

Studentenaantallen groeiden, onderwijs en onderzoek waren sterk verweven. ‘Dat wat we in werkgroepen bestudeerden mondde uit in een publicatie of editie’, zegt Mathijsen. ‘Als het interessant was, verlengden we het college gewoon met een semester. Het ging niet om punten halen, maar om je ontwikkeling.’ Pleij wijst naar de boekenkast ín de pijpenla waarin een rij van zijn eigen publicaties staat. ‘Die zijn allemaal begonnen met een werkcollege. Dat onderzoeken van iets nieuws creëerde opwinding, inspireerde, ook mijzelf. Er ontstond een sfeer van: we zijn iets op het spoor, we ontdekken iets nieuws! Studenten hadden nog iets wat ik maar slordige tijd noem: tijd om te experimenteren. Iets uitzoeken en er dan achterkomen: oké, zo moet het dus niet. Trial and error is de essentie van de wetenschap, maar daar was steeds minder tijd voor.’ Mathijsen: ‘Vroeger onderzochten we een leesbibliotheek die nog niet bestudeerd was. Later moest je een college leesbibliotheken geven in het blok literaire instituties. Dat is de dood in de pot geweest voor het vak. Het werd een verplicht nummer. Gericht op onderwijs, niet op onderzoek.’

Die verschoolsing zette halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw al in met de introductie van de prestatiebeurs, maar bereikte een hoogtepunt met de invoering van de bachelor-masterstructuur in 2002. Pleij had het gevoel dat zijn vak ‘naar de klote’ ging. ‘Ik dacht: zo kan ik geen academisch onderwijs geven. Dit is een volksuniversiteit geworden met inleiding op inleiding en bijspijkercursussen Griekse mythologie of bijbelse verhalen – omdat de algemene kennis achteruit holde. In de master kreeg ik studenten met allemaal een andere achtergrond – de een had een bachelor Engels, twee anderen kunstgeschiedenis, en met een beetje geluk had je er nog een student Nederlands bij. Niemand had dezelfde voorkennis. En dan werd je geacht om in blokjes van zes weken de diepte in te gaan. Wat kun je leren in zes weken? De wetenschappelijke nota’s werden multiple-choice-opdrachten. Ik voelde me volstrekt machteloos. Dat is het failliet van de studie geweest.’

Herman Pleij (l) tijdens een hearing over studentenparticipatie. Jaren tachtig

Een verdieping lager zitten in de volle kantine twee studenten Nederlands (master redacteur/editor) achter hun laptopjes een opdracht te maken voor het college Taalanalyse en tekstredactie. Ze hebben geen idee hoe de studie, waar ze nu zo vol van zijn, ooit was. Zij vinden die een verademing vergeleken bij het doodsaaie vak Nederlands op school.

‘Studenten krijgen het gevoel dat ze een provinciaaltje zijn geworden als ze hun eigen vak in het Nederlands beoefenen’

Toen was Nederlands alles behalve hun lievelingsvak. Aan literatuurlessen deden ze niet of nauwelijks. Je moest natuurlijk lezen voor de lijst – wat ze allebei graag deden, maar erover praten? Romans plaatsen in een literatuurhistorisch perspectief? Dat gebeurde niet. ‘We gingen nooit de diepte in en praatten eigenlijk sowieso niet over boeken’, zegt Maaike Broere (22). Het kwam niet bij ze op om het te gaan studeren. Maaike ging communicatie doen; Laura Dashwood (24) Engels. Laura’s ouders – werkzaam in de kunstsector – hadden haar met klem geadviseerd de bètakant te kiezen, desnoods economie & maatschappij (E&M). Het cultuurprofiel, dat had een slechte naam: het was een ‘pretpakket’ en er viel geen droog brood mee te verdienen. ‘Ik zat op een gymnasium in Amsterdam. Van de honderd leerlingen in mijn jaar kozen er vier voor C&M (landelijk kiest zeven procent voor het profiel). Bijna iedereen ging voor een bètaprofiel. Er werd enorm op C&M neergekeken. Ook door de school zelf trouwens. Nederlands stelde helemaal niets voor. Voor Engels had je nog plusprogramma’s zoals Cambridge en bij Duits het Goethe-programma. Bij Nederlands deden we nooit iets extra’s. Waarom bezochten we niet een keer een bijzondere collectie? Of voor mijn part de Koninklijke Bibliotheek?’

Nederlands is op school het saaiste vak, vinden middelbareschoolleerlingen (79 procent van de havisten, 67 procent van de vwo’ers). Het is oninteressant en makkelijk, blijkt uit recent onderzoek van de lerarenopleiding van de Rijksuniversiteit Groningen. Veel leerlingen (47 en 64 procent) zien er het nut niet van in: Nederlands, dat kunnen ze toch al?

Hoe kan dat? Was Nederlands niet ooit het vak van docenten die auteurs-in-de-dop in vuur en vlam zetten voor de letteren? Aan wie schrijvers odes opdroegen (zoals in verhalenbundels als Mijn leraar Nederlands of De leraar die mijn leven veranderde)?

Das war einmal. Marc van Oostendorp, hoogleraar aan de Radboud Universiteit en onderzoeker bij het Meertens Instituut, merkt bij iedere voorlichtingsronde hoe ‘gehaat’ het schoolvak is. Iedere keer moet hij weer uitleggen dat het universitaire vak weinig te maken heeft met wat je op de middelbare school doet bij Nederlands. Veel meer dan de verschoolsing van de neerlandistiek is de verschraling van het vak op school debet aan de terugloop van studenten, denkt hij. En hij kan het omslagpunt van die kaalslag vrij precies aangeven.

1998, de invoering van de Tweede Fase – het Studiehuis. ‘Dat is zeker een van de belangrijkste boosdoeners geweest. Op dat moment is ervoor gekozen om het vak dienend te maken en de taalvaardigheid te benadrukken. Literatuur – dat was iets waar je als docent zelf op eigen initiatief ruimte voor moest zoeken.’ Zo’n vijftien procent van het examen van havo en vwo bestaat nog maar uit literatuur. Dat was voorheen 35 procent.

De studenten Maaike en Laura hebben hun liefde voor literatuur ook niet op school opgedaan. Maaike’s vader kocht een keer Oeroeg voor haar op een tweedehands-boekenmarkt en begon er allerlei vragen over te stellen. ‘Dat er zoveel meer dan een plotje in dat ene boek kon zitten! Vanaf dat moment las ik anders. Ik denk dat ik lees omdat het een andere manier is om de wereld te leren kennen. Een andere manier om naar de geschiedenis te kijken.’

Laura werd als jong kind al gegrepen door het idee dat een verhaal je door het leven ‘gidst’. ‘Het verbreedt je horizon: je wordt gedwongen om gebeurtenissen vanuit een ander perspectief dan het jouwe te bekijken, mee te beleven. Dat vind ik een magische combinatie. Toen ik een tijdje in Newcastle woonde en taalstudenten en expats Nederlandse les gaf, ontdekte ik pas hoe bijzonder onze taal is, hoe je allerlei grappige uitdrukkingen en zegswijzen hebt die onvertaalbaar zijn. Maar op school hadden we het nooit over dat soort dingen.’

En ook de studenten Floor Kleuskens (19), tweedejaars en organisator van het Feest der Letteren, ging meer ondanks dan dankzij het schoolvak Nederlands studeren. Op aanraden van haar docent bezocht ze ‘toch maar’ een open dag hoewel het haar niets leek, maar ze moest iets. ‘Alles viel op zijn plek toen ik daar zat. Ik hield van lezen en schrijven. Neerlandistiek bleek een brede, generalistische studie en maatschappelijk relevant. Op school bestond Nederlands uit een soort vaardighedenlesjes, het toepassen van regeltjes.’

‘En dan het examen!’ zegt Van Oostendorp. ‘Het vlaggenschip van de verschrikkelijkheid van het schoolvak Nederlands.’ Hij deed in 2003 voor het eerst een centraal schriftelijk examen en schrok van wat er getoetst wordt en hoe erbarmelijk dat gebeurt. Zelf had hij voor het laatste centraal schriftelijk een 7,5. ‘Dat het geen 10 is, oké. Maar dat een hoogleraar taalkunde geen 9 haalt, zegt iets. Je kunt er niet goed in worden, niet in excelleren.’ Hij heeft een tijdje lokale kranten nagevlooid op examenrubriekjes. ‘Bijna iedere lokale krant maakt in de examentijd wel een interviewtje met die ene briljante dorpsgenoot die alleen maar tienen haalt. Bij al die leerlingen was Nederlands altijd het slechtste vak. Ze hadden er nooit een tien voor.’

Het examen is ook nog eens belangrijker geworden waardoor er jaren naartoe gewerkt wordt. Dus gaat een groot deel van de les naar het voorbereiden van begrijpend lezen: een set van trucjes die je zes jaar lang herhaalt en waar je ook weinig mee kunt in een vervolgstudie. Geen wonder dat leerlingen het een saai vak vinden.

In de westerse samenleving kampen de geesteswetenschappen in het algemeen ook nog eens met een afnemende populariteit. Mogelijk speelt onze huidige preoccupatie met techniek en technische innovatie een rol. ‘De natuurwetenschappen en de meetbaarheid ervan hebben als ultieme vorm van kennis de afgelopen jaren enorm aan prestige gewonnen’, zegt Van Oostendorp. Het aantal leerlingen dat een natuurprofiel koos (natuur & techniek of natuur & gezondheid) nam in de afgelopen veertien jaar met 27 procent toe. En als eenmaal voor zo’n profiel is gekozen ligt een bètastudie voor de hand – ook dat geldt voor steeds meer afgestudeerden. Het aantal vwo’ers met een bètaprofiel dat ook daadwerkelijk een bètastudie ging doen, steeg de afgelopen tien jaar met bijna achttien procent. Daan van Kessel (23), tweedejaars Nederlands (taal en communicatie), had zo’n N&T-profiel en koos ‘dus’ voor werktuigbouw aan de TU in Delft. ‘Je wordt vanzelf in die richting gedreven. Iedere verjaardag krijg je de vraag welke studie in Delft je gaat doen. Maar ik zat daar helemaal verkeerd. Ik hield van politiek, journalistiek en schrijven. Toen ik op een gegeven moment overstapte, vonden mijn Delftse vrienden dat ik voor een pretstudie koos. Onzin, een aantal van hen zou hier nooit doorheen komen.’

Wat dat aangaat zijn de Kies-exact-achtige campagnes zeer effectief gebleken. Rond de eeuwwisseling – Nederland had zich net gecommitteerd aan de Lissabon-doelstellingen om een kenniseconomie te worden – kampte Nederland met een almaar dalend aantal bèta’s en technici, cruciaal voor een kenniseconomie. In 2003 werd daarom een Deltaplan bèta-techniek bedacht om het tij te keren. Het uitvoerend Platform Bèta Techniek kreeg daarvoor tussen 2004 en 2010 ruim 340 miljoen euro van het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap.

Verkiezingsbijeenkomst voor de subfaculteitsraad in het Lambert ten Katehuis

‘Laten we even een doemscenario schetsen’, zegt Van Oostendorp en hij wrijft zich bijna vergenoegd in de handen. ‘Wat gebeurt er als straks niemand meer Nederlands wil studeren?’ Want tot overmaat van ramp is ook het aantal eerstejaars op de tweedegraads-lerarenopleiding Nederlands voor het eerst gedaald, met maar liefst 24 procent.

‘Als je je taal en cultuur niet meer bestudeert, reduceer je de samenleving tot een uithoek van de wereld’

‘Op het onderwijs is de impact het onmiddellijkst en hevigst. Er zullen minder goede leraren voor de klas staan. We hebben minder kennis over taal omdat die minder bestudeerd wordt. Wat eigenlijk heel paradoxaal is voor een tijd waarin we steeds meer zijn gaan communiceren. We bloggen en vloggen ons een ongeluk. Juist dan is er behoefte aan mensen die onderzocht hebben hoe je dat het best en effectiefst doet, zou je zeggen.’

De taal zal niet onmiddellijk instorten, maar op den duur heeft het wel degelijk gevolgen. Van Oostendorp denkt dat we naar een samenleving gaan waarin we tweetalig worden en moeiteloos schakelen tussen de ene en andere taal. ‘Dat hoeft geen probleem te zijn. Maar zonder leraren Nederlands wel. Want als we het Nederlands niet meer onderwijzen, bestuderen en niet meer gebruiken in al zijn functies, dan wordt het een soort huis-tuin-en-keukentaaltje, een gebruikstaal die haar status kwijtraakt.’ Je moet alles doen in een taal – ‘liefhebben, vloeken, bidden, haten’ – anders is ze volgens Herman Pleij ten dode opgeschreven.

En dat is erg. ‘Je snijdt alle banden los met je geschiedenis, je verleden, waar je vandaan komt – met alle gevolgen voor de identiteitsvorming’, vindt Van Oostendorp. ‘Je snijdt jezelf af van de rijke literatuur en cultuur in die taal’, vindt Mathijsen. Je moedertaal is het belangrijkste dat je hebt, vindt Pleij. Een richtpunt voor allen. Het is noodzakelijk om te bestuderen hoe we naar iets toe gegroeid zijn. ‘Als je je taal en cultuur niet meer bestudeert, heb je geen voedingsbron meer voor wat die cultuur voortbrengt. Je reduceert de samenleving tot een uithoek van de wereld.’

‘Dan worden we een beetje zoals de indianenstammen in Brazilië die hun taal verruilden voor het Engels’, vindt Van Oostendorp, ‘dat ze nooit echt machtig werden waardoor ze nooit echt konden meedoen en in sloppen terechtkwamen. Nederland als een soort sloppenwijk van Trumptown! Ik denk dat we daarmee ons zwartste scenario te pakken hebben. En ja, dat lijkt me eigenlijk vrij erg.’

Want dan is het voorbij met het Nederlands dat we in de zeventiende eeuw hebben ‘gemaakt’ toen de standaardtaal werd ingevoerd. Een taal die zich weldra zo emancipeerde dat op 23 september 1797 Matthys Siegenbeek als eerste het ambt van ‘buitengewoon Hoogleeraar in de Hollandsche Welsprekend-heid’ aanvaardde, ‘houdende by die gelegenheid eene plechtige Redevoering over het openbaar onderwys in de Nederduitsche Welspreekendheid’, zo berichtte De Leydse Courant daags daarna.

Het is tijd voor een Deltaplan, vindt een aantal hoogleraren . Net zoals het er destijds kwam voor de noodlijdende bètastudies. Dat Deltaplan komt er ook. Hoewel minister Van Engelshoven antwoordde op Kamervragen over de deplorabele toestand van de studie Nederlands op universiteiten: ‘In zijn algemeenheid onderschrijf ik niet de stelling dat voorkomen moet worden dat een opleiding verdwijnt.’ Op veel financiële steun hoeft het vers opgerichte Platform voor de Talen dat het Deltaplan in de loop van 2019 zal presenteren dan ook niet te rekenen. ‘De bèta’s hebben inderdaad veel geld gekregen’, mailt voorzitter Mike Hannay terug op de vraag hoeveel geld de minister heeft uitgetrokken. ‘Maar dat zal niet lukken voor de talen, vrees ik. Het is de vraag of er überhaupt wat komt.’

Wel is het Platform alvast begonnen met een enquête onder taalstudenten en verse alumni (afgestudeerd tussen 2012 en 2018). Uit een voor De Groene Amsterdammer uitgedraaide tussenstand van de jonge alumni neerlandistiek (73 personen) blijkt dat negentig procent van hen ook anderen zou aanraden een taal te studeren; 74 procent zou voor dezelfde studie hebben gekozen. Bijna negentig procent heeft een baan, meestal in het onderwijs maar ook in de communicatie, de wetenschap en de media.

Los van het Deltaplan zou de minister neerlandistiek een uitzonderingspositie moeten geven en speciale bescherming bieden, vindt Van Oostendorp, en met hem een net opgerichte Raad voor de Neerlandistiek die politieke druk gaat uitoefenen. ‘Die opleiding moet door het unieke karakter – omdat het onze moedertaal bestudeert en onderwijst – overleven. Al was het maar omdat je niet even een blik Polen opentrekt voor de functie van leraar.’

De geestdrift in het veld is groter dan ooit. Op een avond half november, belegd door de Akademie voor Kunsten, zijn dichters, een acteur, wetenschappers en leraren Nederlands bijeengekomen om de handen ineen te slaan. Van Oostendorp wordt er wel een beetje opgetogen van: ‘Er is echt van alles aan de hand. De verontwaardiging over het mogelijke verdwijnen van het universitaire vak wordt zo breed gedragen, er zijn zoveel mensen mee bezig, dat het goed moet komen. Het heeft momentum.’

Om te beginnen wordt op het ogenblik het hele onderwijs opnieuw ingericht. Onderwijs 2032 – een plan voor toekomstbestendig onderwijs – werd destijds bij de presentatie weggehoond. Nu doen teams van docenten wederom een poging en ontwerpen nieuwe curricula die in rondes worden gepubliceerd zodat iedereen die wil er digitaal feedback op kan geven. In de laatste ronde deden vijftienhonderd mensen dat bij Nederlands. ‘Wat we tot nu toe zien, stemt positief’, zegt Van Oostendorp. ‘De kennis is terug, het is niet meer alleen vaardighedenonderwijs.’ En mogelijk komt er weer zoiets als creative writing, scholieren geven in de onderzoeken aan dat ze daar behoefte aan hebben.

Maar er zijn ook projecten voor de kortere termijn. Els Stronks, hoogleraar vroegmoderne letterkunde aan de Universiteit Utrecht, zag jaren terug al dat het niet goed ging met het vak op school. Vroeger maakte ze schooledities van historische romans. Maar rond 2010 stopte de subsidie en kwam ze erachter dat scholen nauwelijks meer literatuur, laat staan historische literatuur behandelen. ‘En als ze over boeken praten is dat vanuit een soort herkennend lezen: wat herken je van jezelf in het boek?’ Kijkend naar de bèta’s dacht ze: we moeten onderzoekstactieken aanbieden. Zij bieden analyse-instrumenten, gaan proeven doen en dan komt daar een bepaald resultaat uit. Ze ontwikkelde Litlab.nl, en is daarnaast bezig met het opzetten van een plusprogramma voor het schoolvak Nederlands dat de diversiteit van het vakgebied laat zien en bedoeld is voor meer dan geïnteresseerde leerlingen.

Litlab.nl is een digitale leeromgeving waarin de leerling kan kiezen om bepaalde ‘proeven’ te doen – thematische vragen over hoe gekleurd de taal is bijvoorbeeld of hoe de middeleeuwse gewoonte om een tekst voor te dragen die tekst beïnvloedde. Aan de hand van bronnen en databases kunnen leerlingen echt onderzoek doen.

En Litlab biedt een online boekenclub. Groepjes leerlingen bespreken met elkaar aan de hand van ‘quizvragen’ een boek dat ze allemaal gelezen hebben. Behalve herkenningsvragen (‘Feest der herkenning’) krijgen ze ook onderzoeksvragen (‘Stof tot nadenken’) die hen laten ontdekken dat er een reden is dat literatuur soms moeilijk te begrijpen is; dat je de oningevulde dingen kunt onderzoeken; dat die je aan het denken zetten en dat dat de bedoeling is.’ Inmiddels maken zo’n 2500 bezoekers per maand er gebruik van.

Hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis Lotte Jensen is aan de Radboud Universiteit ook bezig aan een site vol materiaal om leerlingen vakoverschrijdend onderzoek te laten doen. Economie, literatuur en geschiedenis komen samen in onderzoeksthema’s als ‘De beurs’ of ‘Slavernij’ en zijn gekoppeld aan de actualiteit.

Van Oostendorp zelf is bezig met olympiades waarin goede scholieren in Nederland en Vlaanderen de strijd met elkaar aangaan en in plaats van wiskundige puzzels allerlei uitdagende taal- en literatuurkwesties moeten oplossen.

De universiteiten buigen zich ondertussen over een nieuw profiel: wie is die neerlandicus en wat kan die dan voor speciale dingen? ‘En dan komen we toch uit op datgene waarom veel mensen vroeger Nederlands gingen studeren – om schrijver of journalist te worden. Namelijk die hoge mate van taalvaardigheid; weten hoe het werkt en waarom dat zo is.’ En eigenlijk zijn we daarmee weer terug bij het begin, constateert Van Oostendorp, want de eerste hoogleraar neerlandistiek, Matthys Siegenbeek, was hoogleraar in Nederlandse welsprekendheid.

‘Het is dus nog niet verloren’, zegt Van Oostendorp. ‘We zijn het tij aan het keren.’