Russell Shorto over Nederland

De Hollandse fundamenten van New York

Het beeld van Nederland als zelfbewuste, tolerante natie staat in eigen land op de tocht, maar volgens de Amerikaanse journalist Russell Shorto is het in New York nog springlevend.

De zichtbare nalatenschap van de Nederlandse heerschappij op Manhattan in de zeventiende eeuw is beperkt tot details in de melting pot van Italianen, Ieren, Polen, Duitsers, Russen, Chinezen, Hispanics, Britten enzovoort die New York daarna geworden is. Er zijn wat topografische termen, Santa Claus is eigenlijk Sinterklaas en er is een relatie tussen de functie van «District Attorney» en het Nederlandse schoutsambt. Voor de rest heerst vooral de folklore van de dikbuikige, joviale, boertige Hollander, vereeuwigd als Diedrich Knickerbocker in het komische boek van Washington Irving A History of New-York from the Beginning of the World to the end of the Dutch Dynasty uit 1809. Dat beeld is hardnekkig.

Het boek Nieuw Amsterdam: Eiland in het hart van de wereld van Russell Shorto wil dieper graven. Het is een uiterst leesbaar verhaal, dat in een handige mix van lekkere feiten en sappige context drie mannen portretteert die de kolonie in haar hoogtijdagen karakter en gezicht gaven: Peter Stuyvesant, Willem Kieft en Adriaen van der Donck. Ze belichamen verschillende aspecten van de Republiek. Kieft, directeur-generaal van de kolonie van 1637 tot 1647, is een wrede racistische ijzervreter, die een bloedige oorlog tegen de vredelievende indianen begint; zijn opvolger, Stuyvesant, is vooral een steile, opportunistische dienaar van de Compagnie met een houten been, een ijzeren vuist en een grondige afkeer van quakers, lutheranen en joden. Van der Donck is echter een exponent van dat wat de Republiek zo bijzonder maakte, althans in Shorto’s buitenlandse ogen: de specifiek Hollandse traditie van tolerantie. Hij publiceerde zijn ideeën in 1655 in een fraaie Beschryvinge van Nieuw-Nederlandt. Voor Shorto is Van der Donck een ware Hugo de Groot aan de Hudson. Hij is de woordvoerder van de kolonisten die zich verzetten tegen Kiefts bloedige bewind en de Staten-Generaal verzochten om een eigen charter. De petitie stuitte op verzet, Van der Donck belandde zelfs korte tijd achter de tralies, maar de constitutie kwam er, Kieft verloor zijn baan, en ook de autocraat Stuyvesant moest uiteindelijk buigen voor de wil van de kolonisten. Daarmee werd volgens Shorto de basis gelegd voor de liberale, democratische, verlichte stad die nu New York is.

Dat tolerantie in de Republiek een breed gedragen ideologie was, die nog werd geëxporteerd ook, is een even dappere als vleiende stelling, die maar weinig historici innemen. Tegenover De Groene Amsterdammer en de Leidse historicus Jaap Jacobs, die promoveerde op de geschiedenis van Nieuw Nederland en nu de biografie schrijft van Peter Stuyvesant, verdedigt Shorto zijn positie echter met verve.

U spreekt noch leest Nederlands. Hoe heeft dat uw werk beïnvloed?

Russell Shorto: «Dat is één van mijn beperkingen. Ik ben gewoon een journalist. Toen ik voor het eerst in dit onderwerp terechtkwam, was ik vooral verbaasd over mijn eigen onbenulligheid; vervolgens ontmoette ik New Yorkse historici, die zich allemaal voordeden alsof ze niets van de Nederlandse periode wisten. Dat intrigeerde me. En toen ontmoette ik Charles Gehring, die al dertig jaar bezig is met het vertalen van de archieven, ik realiseerde me de omvang van zijn werk, en toen ik daarin doordrong dacht ik dat ik gebaseerd op het werk van een heleboel anderen iets zou kunnen doen, een narratieve benadering van de geschiedenis. Ik schreef puur voor Amerikanen, om ze dat onbekende verhaal te vertellen; ik had geen idee of het iemand wat zou kunnen schelen. Het gebrek aan kennis in de VS is enorm. Terwijl ik eraan werkte is het niet bij me opgekomen dat dit boek in Nederland zou worden uitgegeven en door Nederlanders zou worden gelezen. Als dat wel zo was geweest, dan was ik waarschijnlijk bevroren van de zenuwen.»

De centrale positie van uw boek is dat in Nieuw Amsterdam de Nederlandse praktijk van tolerantie jegens andere religies en andere culturele en etnische gemeenschappen werd overgenomen. U impliceert dat daarmee het fundament werd gelegd voor de culturele diversiteit, de «melting pot», die nu New York kenmerkt.

«Het waren zeker de Nederlanders die de fundamenten legden. De vraag is in hoeverre die tolerantie, die openheid, dat uitnodigen van kolonisten uit andere delen van Amerika, ook een ideologie was. Ik zie dat niet zo, maar er zijn wel opvallende dingen. Bijvoorbeeld als Kieft kolonisten uit Nieuw-Engeland naar Nieuw Amsterdam probeert te lokken, zegt hij: ‹Wij zijn een tolerante plek, kom hierheen.›»

Jaap Jacobs: «Dat was vooral pragmatisch denken. De eerste keer dat de Engelsen probeerden land op Long Island in te nemen werden ze weggejaagd; de tweede keer, een jaar later, vroegen ze vooraf permissie. Kieft stond dat toe. Nederlanders waren gewend aan immigranten van allerlei slag, inclusief de Puriteinen, de Pilgrim Fathers. Etniciteit zoals wij het kennen speelde in de zeventiende eeuw nog helemaal niet zo’n rol. Voor Kieft was het niets bijzonders om Engelsen onder zijn jurisdictie toe te laten en toe te staan dat ze zich vestigden.»

Shorto: «Maar het feit dat Nederlandse steden altijd flinke percentages minderheden telden, lijkt me toch een belangrijk deel van het ‹Nederlander-zijn›. In de loop van de zeventiende eeuw varieert het bewustzijn van tolerantie, en de mate waarin men met andere religieuze groeperingen omging. Aan het eind van zijn boek doet Van der Donck een frappante voorspelling over de toekomst van Nieuw Nederland. Manhattan en omgeving zullen volgens hem exponentieel groeien, niet zozeer omdat de Nederlanders zelf hun vaderland zullen verlaten, maar omdat Nederland een lange traditie kent in het verwelkomen van vluchtelingen uit heel Europa: ‹De Nederlanders hebben een barmhartige aard en beschouwen buitenlanders feitelijk als ingeborenen.› Het zijn deze massa’s – ‹vanuit Oost-Europa, Duitsland, Westfalen, Scandinavië, Wallonië, etc.› – die nadat ze zijn onder gedompeld in de Nederlandse traditie van tolerantie, de kolonie zullen bevolken.»

Dat doet wel erg denken aan dat «…give me your tired huddled masses, yearning to breathe free» van het Vrijheidsbeeld en Ellis Island. Is het er echt een voorbode van?

Shorto: «Het is een flits van inzicht van Van der Donck. Ik zeg niet dat daaruit een doel bewust beleid van diversiteit voortvloeide, maar toch: het uiteindelijke resultaat was dat dit een stad met een zeer gemengde bevolking was, die wezenlijk anders was dan Hartford of Boston of welke plaats dan ook in Brits Amerika. Wat er vervolgens gebeurde in Rhode Island (een toevluchtsoord voor dissenters – kk), de stichting van Pennsylvania, dat zijn allemaal verschillende manieren waarop het idee van religieuze tolerantie werd uitgedragen. De manier waarop Boston werd gesticht had invloed op Amerika. De manier waarop New York werd gesticht had invloed, zeker op het moderne New York City. De fundering lag er, de stad bleef onder invloed van beide wereldrijken, de Nederlanders en de Engelsen. Toen de stad zich later veel sterker ontwikkelde was de identiteit al heel anders dan onder de Nederlanders, maar toch: een element daarvan bleef bestaan. Een academicus zal die vergelijking nooit maken, maar ik heb er geen enkele moeite mee te zeggen dat er een relatie is tussen de maatschappij die de fundamenten heeft gelegd en de stad die later ontstond, als een volledige metropool. De twee componenten waren de gemengde samenleving, die heel anders was dan de Britse, en de Hollandse benadering van handel, die heel anders was dan de Britse.»

U schetst in de persoon van Adriaan van der Donck een beeld van de verlichte, moderne, tolerante Nederlandse cultuur, beïnvloed door Descartes, Grotius, Spinoza en anderen. Dat is, ook voor moderne Nederlanders, een heel vleiend idee. Maar in 1621 liet J.P. Coen de complete autochtone bevolking van Banda uitmoorden om het nootmuskaat-monopolie in handen te krijgen. Was dat dan een heel ander soort Nederlander?

Russell Shorto: «Dat is een lastig punt. Iets wat mij in Amerika steeds opvalt is het impliciete idee van ‹The Dutch›. Meer dan eens heeft een Amerikaan tegen me gezegd: ‹Die Hollanders waren bastards.› Slavenhalers. Dat komt voort uit die Anglocentrische blik, die Amerikanen zich eigen hebben gemaakt. Het verhaal van de Amerikaanse oorsprong en vroege geschiedenis en de rol van de Nederlanders is altijd verteld vanuit het oogpunt ‹wij en zij›, en wij zijn dan de Britten, zij zijn die anderen, die beschonken Hollandse kinkels, die maar wat aanmodderden. En dat klopt niet. De sociale geschiedenis die uit die documenten, die Gehring vertaalt, naar voren komt is grotendeels over het hoofd gezien. Als je die gemeenschap herwaardeert zie je dat het niet zomaar een stelletje dronken Hollanders was, maar dat ze ambities hadden. Ze bouwden straten, hielden volkstellingen, enzovoort. Ik concludeer dat de Hollanders net zulke schoften waren als de Engelsen of de Spanjaarden, maar Peter Stuyvesant en Adriaen van der Donck vertegenwoordigen heel verschillende typen van de Nederlandse Gouden Eeuw. Stuyvesant heeft alle elementen in zich van de koopman-slavenhaler-opportunist, die in de Compagnie groot was geworden en geen andere wereld kende. Van der Donck was een vertegenwoordiger van de Universiteit van Leiden, het humanistische centrum van Europa.»

Van der Donck wordt in uw boek een voorloper van Jefferson en Adams. Hij verzet zich namens de kolonisten tegen de macht van de WIC en zaait zo het zaad van de republikeinse geest, die leidt tot de Onafhankelijkheidsverklaring van 1776.

«Ik doe mijn best om niet te zeggen dat hij de Thomas Jefferson van zijn tijd was, of dat hij plantte wat een eeuw later werd geoogst. Wat ik denk is dat de opstand in Nederland voortkwam uit bepaalde ideeën in vroeg-modern Europa; wat dat mede teweegbracht is dat het ook de situatie in Nieuw Nederland bepaalde, en daarmee in New York. De notie dat de Amerikaanse Founding Fathers – Jefferson, Adams – naar Nederlandse voorbeelden keken of zich erop baseerden is interessant. Ik zeg niet: de Nederlanders zijn dus de voorvaderen van de Founding Fathers, de mannen achter het gordijn. Wat ik wél heb geleerd is dat de volledige bloei van de Verlichting veel sterker dan vroeger werd aangenomen in relatie staat tot de vroeg-moderne periode. Als iemand nou nog een boek zou vinden in Jeffersons bibliotheek dat dat bewijst…»

Jaap Jacobs: «Die ‹missing link› is nog niet gevonden. Het loopt in elk geval niet via Nieuw Nederland. Of via Van der Donck.»