Interview: Pieter Holtrop

De Hollandse kerk

In de negentiende eeuw was ze het culturele centrum van Sint-Petersburg. Lou Salomé dankt haar bekendheid eraan. Nu vormt de Nederlandse kerk in Rusland het onderzoeksobject van Pieter Holtrop. «Je hebt Russen die Van der Vliet heten.»

«Eigenlijk», zegt hij, «komt het allemaal door die maffe afvallige katholiek uit Zwitserland. Die fascineert me al vanaf de jaren zestig.» Sinds Pieter N. Holtrop, hoogleraar zendingsgeschiedenis aan de Theologische Universiteit te Kampen, tijdens het onderzoek voor zijn dissertatie stuitte op de Zwitsere priester Gossner, heeft Sint-Petersburg voor hem een magische klank. Gossner behoorde rond 1800 tot de mystieke opwekkingsbeweging binnen de rooms-katholieke kerk. Na allerlei Russische omzwervingen kwam hij uiteindelijk terecht in Sint-Petersburg. Hij was een van de stichters van het eerste buitenlandse bijbelgenootschap in Rusland en werd een vertrouweling van tsaar Alexander I. «Hij preekte in de Petrikerk in Sint-Petersburg. Dáár moet ik dus uiteindelijk zijn, dacht ik.»

Nu, ruim dertig jaar later, besteedt Holtrop een groot deel van zijn tijd in Petersburgse archieven en is de stad in zijn gemoed verankerd. Maar voor Gossner heeft hij voorlopig geen tijd. Holtrop geeft leiding aan een Nederlands onderzoeksteam dat in samenwerking met Russische archivarissen en wetenschappers het materiaal ontsluit over de Nederlandse hervormde gemeente in de stad. Het project kwam haast toevallig tot stand. Holtrop: «In 1994 las ik dat de hervormde kerk haar Petersburgse archieven op het spoor was. Ik heb meteen de archivaris van de hervormde kerken in Nederland gebeld. Samen hebben we een stelselmatige speurtocht opgezet naar de exacte locatie van de Petersburgse kerk archieven. En we hebben ze gevonden. Maar aanvankelijk kregen we er geen toegang toe. Dat lag allemaal nog heel erg gevoelig bij de Russen, omdat ze niet gewend waren Jan en alleman tot hun archieven toe te laten.»

Gelukkig kan Holtrop het goed vinden met de archivaris van de hervormde kerken in Nederland. Beide mannen bleken uit hetzelfde hout gesneden: weinig formeel, goedlachs en liefhebbers van een borrel op zijn tijd. «We zijn keer op keer samen afgereisd naar Sint-Petersburg om goodwill te kweken. Uiteinde lijk hebben we flink wat vriendschappen gesloten en kwamen we zelfs in contact met een kleindochter van Leonid Tolstoj die zich voor onze zaak ging inzetten. Geleidelijk verdween het wantrouwen. De Russen waren als de dood dat we iets commercieels wilden. Het heeft enorm veel moeite gekost om de archiefbeheerders en instanties ervan te overtuigen dat het ons ging om wetenschap en bewaring van uniek materiaal; dat we er geen cent mee verdienden, maar dat ons het alleen maar geld kóstte. Nu hebben we een unieke samenwerking opgezet. Zij ontsluiten de boel, en daar betalen we ze voor. Wij mogen alles vervolgens bekijken en op microfiche zetten. De teksten typen we in op de computer, en als alles is gedocumenteerd branden we de hele zwik op cd-roms die we ook aan de Russische archieven beschikbaar stellen waar we het materiaal hebben gevonden. Zo is iedereen geholpen.»

Bijna vier jaar duurde het om zover te komen. Het project ging pas sinds februari 1998 lopen. En natuurlijk stuitten de onderzoekers vervolgens op het typisch Russische papierwerk. «Het probleem is dat een microfiche en een fotokopie in Rusland worden beschouwd als originelen. Je mag die niet zomaar uitvoeren. Aanvankelijk moesten we 24 formulieren invullen voor het maken van één fotokopie. Dat was geen onwil, dat zijn nu eenmaal de regels daar.»

Inmiddels heeft Holtrop een streng verbod afgekondigd op het spitten naar materiaal. Er is zo veel te vinden dat de planning in gevaar komt. Eind volgend jaar moet er een lijvige publicatie gereed zijn waarin alle bronnen en hun vindplaatsen zijn vermeld. Vervolgens kan de echte, verhalende geschiedschrijving over de Nederlanders in Sint-Petersburg en hun kerk van start gaan. «Maar als we een héél interessant stuk op het spoor zijn, gaan we misschien nog wel even zoeken», zegt Holtrop met lichtjes in zijn ogen.

De ministeries van Buitenlandse Zaken en Onderwijs subsidiëren het Petersburgse onderzoek. Momenteel wordt het ingepast in het veel grotere, maar later opgestarte project «Neerlandica», dat wordt uitgevoerd onder auspiciën van de Rijksuniversiteit Groningen. Neerlandica heeft tot doel alle archieven op te sporen waarin materiaal ligt over de verhouding Nederland-Rusland. Een ambitieus plan. Holtrop: «Maar wij blijven Sint-Petersburg doen, want wij hebben de beste contacten. En we zijn zeer succesvol.»

De huidige Hollandse kerk in Sint-Petersburg werd gebouwd in 1834. Het is een kolossaal gebouw dat het aanzien bepaalt van het eerste stuk van Petersburgs belangrijkste boulevard, de Nevski Prospekt (hoek Moika). Holtrop: «De tsaar zelf heeft nog voorstellen gedaan voor het veranderen van de gevel. Hij was zeer betrokken. De verhouding tussen de Romanovs en het Nederlandse koningshuis was innig door het huwelijk van Anna Paulovna met Willem II. We hebben allerlei documenten gevonden over het gezamenlijke kerkbezoek van de zwagers in Sint-Petersburg.»

Het aanzienlijke gebouw aan de Nevski Prospekt werd voorafgegaan door een piepklein kerkje waar de Hollandse gemeente al snel uitgroeide. Al in 1708, vijf jaar na de stichting van de stad, liet de half-Nederlandse, half-Noorse vice-admiraal Cornelis Cruys (hij werkte in dienst van Peter de Grote) een houten kapel oprichten op zijn erf. Daar kwamen niet alleen Nederlandse protestanten. Holtrop: «Sint-Petersburg was al vanaf het begin een zeer westerse stad. Peter de Grote liet allerlei buitenlanders overkomen. Engelsen, Fransen, Duitsers en Nederlanders. De Hollanders bewonderde hij om hun vakmanschap. Onder zijn bewind vestigden zich Nederlandse artsen, architecten, scheepsbouwers, zeelieden en kooplui. Natuurlijk was er een enorme Russisch-orthodoxe kerk in de stad, maar Peter de Grote kondigde geloofsvrijheid af voor de buitenlanders, die de gelegenheid kregen hun eigen kerkgemeenschappen op te richten. In dat eerste Hollandse kerkje kwam van alles samen. Lutheranen, gereformeerden, Anglicanen en Franse protestanten. De kerkdienst was een mengvorm, oecumenisch avant la lettre. Het multi-nationale, oecumenische karakter bleef een jaar of tien overeind, maar het taalverschil bleek uiteindelijk te groot. Daarna werd een aparte Anglicaanse kerk gesticht, verschillende Duitse kerken en een Franse gemeente. Peter de Grote bezocht de Hollandse kerk regelmatig. Hij was dol op de Hollanders en bleef hen begunstigen.»

De eerste generatie Nederlanders in Sint-Petersburg steeg snel op de maatschappelijke ladder. Enkelen verwierven grote rijkdom in de handel, anderen werden overladen met goud wegens hun diensten aan de tsaar. Er zijn families die generaties lang in Rusland blijven, maar vaker keert men uiteindelijk herwaarts met achterlating van de zonen die de zaak overnemen. Hoe internationaal Sint-Petersburg ook georiënteerd was, de Hollanders bleven Hollanders — hoe moeilijk dat soms ook was. Holtrop: «Er is een harde strijd gevoerd om het Nederlands als voertaal in de kerk te behouden. Dat had te maken met de aanvankelijke samenwerking met andere genootschappen. Zoals de Duitse lutheranen. Sommige Nederlanders gingen akkoord met diensten in het Duits, maar de meesten zagen dat niet zitten. Als men besloten had het Nederlands op te geven, hadden we waarschijnlijk nu niet meer beschikt over een archief. Dan zou de eigen identiteit zijn weggevallen en was de Hollandse kerk wellicht een onderafdeling geworden van de Duitse.»

Een van de argumenten om de eigen taal in stand te houden was typisch Hollands. Vooral handelaren die korter in Sint-Petersburg verbleven, voerden aan dat elk van hun schepen die de haven binnenvoer vijf roebel moest betalen. Dat geld was bestemd voor de kerkdiensten van de desbetreffende natie. «We betalen onze eigen kerkdiensten, dan willen we ook kunnen verstaan wat er wordt gepreekt», vond men.

Talloze families in Nederland hebben hun oorsprong in Sint-Petersburg en andersom. Vooral in de eerste helft van de achttiende eeuw vertrokken veel Nederlanders naar het Oosten. Met name de inwoners van het Twentse dorp Vriezenveen, van oudsher bekend om zijn textielhandel, waren sterk vertegenwoordigd in Sint-Petersburg. Rond 1720 liepen de opbrengsten uit de Vriezenveense linnenverkoop sterk terug. De marskramers met hun manden vol geweven stoffen konden amper nog het hoofd boven water houden. Een van hen hoorde bij toeval over de stichting van Sint-Petersburg. Een nieuwe stad, met nieuwe behoeftes en dus misschien een nieuwe markt voor Vriezenveens textiel. Hij vertrok naar Rusland en kwam als een steenrijk man terug. Daarop volgden meer avonturiers die al even succesvol waren en bekend staan als de Ruslui. In Sint-Petersburg ontstond een uitgebreide Vriezenveense kolonie die de kern ging uitmaken van de Nederlandse aanwezigheid aldaar. Pas in 1917 kwam er een einde aan de voorspoed toen de communisten elke vorm van kapitalisme de nek omdraaiden. Berooid kwamen de Ruslui terug in Vriezenveen waar ze zich nauwelijks meer Nederlander voelden, zoals ze zich in de eeuwen daarvoor ook nooit Rus hadden gevoeld in Sint-Petersburg. Het enige wat ze restte van hun verblijf in Rusland zijn herinneringen, volksverhalen en een taaltje dat een mengelmoes was van Russisch en Nederlands.

Holtrop: «In de negentiende eeuw hadden de Ruslui het in Nederlandse kringen voor het zeggen. Zo'n twintig tot dertig families woonden anderhalve eeuw in Sint-Petersburg. Engberts, Heydeman, Janssen, Van der Vliet, allemaal Ruslui. Sommige families zijn volledig Russisch geworden. Ik heb een overzicht van een Russische genealoog. Die toonde ons hoe het de familie Van der Vliet verging. Hun kinderen stegen met enorme vaart op de maatschappelijke ladder, werden generaals, admiraals. Het duurde lang voordat er echt vermenging optrad, maar uiteindelijk ontstonden er Russische familietakken. Je hebt Russen die Van der Vliet heten, of Berkhof. Er zijn ook veel namen verbasterd. Op Petersburgse kerkhoven kun je Nederlandse namen aantreffen die zowel in het Latijnse als in het cyrillische schrift zijn geschreven.»

Ook de overgrootvader van de Nederlandse schrijver-dichter Toon Tellegen ligt begraven in Sint-Petersburg. Onlangs publiceerde Tellegen het boek De trein van Pavlovsk naar Oostvoorne, waarin hij herinneringen ophaalt aan de Russische verhalen die zijn opa hem vertelde. Tellegens grootvader was geboren en getogen in Rusland (een telg van de Vriezenveense familie Engberts). In 1918 vluchtte hij uit Sint-Petersburg naar Nederland. Maar Nederlander voelde hij zich niet; hij werd verteerd door heimwee, schreef gedichten in het Russisch en vertelde zijn kleinzoon tal van verhalen die altijd wel iets met Rusland uit te staan hadden.

Mede dankzij de Ruslui bloeide de Hollandse kerk in de negentiende eeuw als nooit tevoren. In de tijd dat Hendrik Gillot daar dominee was, was het een zeer bloeiende gemeenschap. Holtrop: «Dan moet je niet denken aan het lullige kerkelijke plaatje, maar echt aan een centrum van het culturele leven in Sint-Petersburg. De Hollandse kerk had werkelijk allure ten tijde van Gillot.»

Neem de beroemde courtisane Lou Salomé die mannen als Frank Wedekind, Paul Ree, Friedrich Nietzsche en Rainer Maria Rilke het hoofd op hol bracht. Haar minnaressenbestaan nam een aanvang in de Hollandse kerk. Holtrop: «Ze was de dochter van een Russische generaal, haar moeder was Duits. Die stuurde haar naar de Hollandse kerk voor catechisatie. Daar werd ze geconfronteerd met Gillot, een mooie man, een preektijger. Als hij preekte stond de Nevski Prospekt vol met rijtuigen. Uit alle hoeken van de internationale gemeenschap ging men bij hem ter kerke. Dan ontvouwde hij in het Duits allerlei moderne theologische ideeën, ontleend aan de filosofen uit zijn tijd. Een beetje Schelling-achtig. Lou Salomé was jong, ontvankelijk en buitengewoon intelligent. Ze raakte door zijn modernisme van haar geloof af. En hij werd ook nog eens verliefd op haar. Hij wilde voor haar zelfs zijn vrouw verlaten. Dat werd een schandaal dat zo gauw mogelijk werd afgedekt. Uiteindelijk werd ze door haar moeder het land uitgestuurd om te studeren. Omdat ze gedwongen werd Sint-Petersburg te verlaten, ontmoette ze mannen als Nietzsche en Rilke aan wie ze haar bekendheid ontleent. Dat is toch maar mooi begonnen in onze Hollandse kerk.»

Het project van Pieter Holtrop en de zijnen moet in 2003, wanneer Sint-Petersburg zijn driehonderdste verjaardag viert, uitmonden in een tentoonstelling en een boek over de Hollandse kerk en haar kerkgangers.