De dag begint met code geel als in het Watersnoodmuseum, gevestigd in vier caissons die bij Ouwerkerk het laatste stroomgat van Schouwen-Duivenland dichtten, het regenwater door scheuren in het beton naar binnen sijpelt en in stroompjes uit het dak naar beneden komt. Het druppelt tussen de wanden en vitrines die de herinnering aan de Watersnoodramp van 1953 levend houden met beelden, objecten en verhalen. Op een grote maquette van het uitgestrekte rampgebied staan afbeeldingen van klokken geprikt op de plaatsen waar de belangrijkste dijken doorbraken. Samen geven ze een beeld van het korte tijdsbestek waarbinnen het in de nacht van 31 januari op 1 februari misging: Bommelse Zeedijk, 3.00 uur; Oostelijke Zeedijk, 3.30 uur; Zuidelijke Zeedijk, 4.00 uur; Oudenhoornse Zeedijk, 4.50 uur; enzovoort. De regendruppels in de ruimte klinken als wegtikkende seconden.

Twee weken voor de herdenking van zeventig jaar Watersnoodramp is het druk in het Watersnoodmuseum. De ramp leeft en het museum trok deze winter samen met Omroep Zeeland met een bus door getroffen dorpen in Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant, op zoek naar nieuwe herinneringen van bewoners. De herdenkingstentoonstelling Ik ben van 1953 toont straks zeventig jaar Watersnoodramp aan de hand van zeventig objecten die deels op deze dagen door bewoners naar de bus werden gebracht. Met de objecten komen de verhalen en ook als de eigenaren zijn overleden, blijven de spullen spreken.

Zo kwam een man naar de bus in Stavenisse met het psalmboekje van Paulientje Dek. Paulientje was twaalf jaar toen ze verdronk, wist hij, tegelijk met haar ouders en zusjes, en dit boekje hield ze in haar hand geklemd. Het kwam via zijn moeder, die op de kinderen had gepast, in het bezit van zijn familie en nu ligt het in bruikleen in een vitrine in het Watersnoodmuseum. Door een gat in de leren omslag prijkt precies een zin uit Mattheüs 2: ‘Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israëls; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten.’

Landelijk is er veel aandacht voor de aanstaande herdenking, onder meer met de ntr-documentaireserie Het water komt, met ruim een miljoen kijkers, en met gasten die aanschuiven in talkshows. ‘En dan kwam er ook nog een paard voorbij?’ vroeg de presentatrice van Op1 aan de vrouw aan tafel die zojuist haar persoonlijke herinneringen had gedeeld, verteld had hoe ze als zesjarig meisje met zeventien man op een plat dak gevangen zat, omsingeld door kolkend water. Ja, er was ook een paard geweest dat zichzelf in veiligheid had proberen te brengen, tevergeefs. En er was een meisje dat zich vastklampte aan hun dakgoot maar dat niet gered kon worden. In Het water komt is te zien hoe de vrouw na zeventig jaar de pyjama die zij die nacht aan had aan het Watersnoodmuseum doneerde. Binnenkort ligt het zachtroze pakje daar ook in een vitrine.

Een jakkerende noordwesterstorm en springtij dreven de bevolking van Zuidwest-Nederland de zolders en daken van hun huizen op, maakten slachtoffers zowel op zee als in Engeland en deden uiteindelijk de dijken in ons land op negentig plaatsen bezwijken. De gebeurtenis geldt als de grootste natuurramp van Nederland in de twintigste eeuw, met 1836 doden tot gevolg, van wie er meer dan honderd niet werden teruggevonden, en vele verdronken dieren. Het getroffen gebied was omvangrijk, de schade aan land en woningen immens, en de Watersnoodramp van 1953 nestelde zich in het nationaal geheugen als een grijze massa, grijs van het water, dat het land als een filter bedekte, en grijs van de tijd, nog veelal zonder kleurenopnames.

Het was wel de eerste watersnood in de geschiedenis die de media met camera’s konden verslaan en een stroom van beelden kwam vrijwel onmiddellijk op gang. Een dag na de ramp huurde de Volkskrant een Dakota voor opnamen vanuit de lucht en een speciale editie van het Polygoonjournaal bracht ‘De eerste beelden van de stormramp’, dat laatste woord in een lettertype als op de omslag van een thriller.

Al in februari verscheen een nationale publicatie om geld in te zamelen, met een voorwoord van koningin Juliana die de hoop uitspreekt dat het boek een monument kan vormen voor ‘het saamhorigheidsgevoel van ons volk’. De ramp is rauwe verslaggeving in woord in beeld, een tekst geschreven op de toon van ongeloof gepaard met foto’s genomen in de eerste kritieke dagen. ‘De ware ramp heeft nog geen stem die tot de wereld reikt’, aldus de niet bij naam genoemde auteur, die de omvang van het leed duidt als ‘een honderdduizendvoudige ellende’.

De ramp doet een poging die ellende recht te doen met onder meer een opsomming van tragische berichten in klare taal. ‘Daar op Tholen zag een man zijn vrouw en twaalf kinderen verdrinken.’ De foto’s doen de rest. Overal is water, op de eerste bladzijden nog met woeste schuimkoppen, gaandeweg het verhaal kalmer, als een spiegelende, verstikkende deken. Sprekende details versterken de emotie: de natte haren van een kind, een klomp op een stuk drijfhout, een hobbelpaard in prikkeldraad. En op het omslag van De ramp prijkt een echt paard in een zee van water, het hoofd gebogen, het lijf even donker als de golven om hem heen. Even waardig als tragisch staat hij daar, als een monument midden in de ramp.

Aangespoelde huisraad, waaronder een hobbelpaard, in de buurt van Fijnaart, Noord-Brabant, februari 1953 © Aart Klein / Nederlands Fotomuseum

Aan de stem van de Watersnoodramp van 1953 wordt, zou je kunnen zeggen, zeventig jaar later nog altijd gewerkt. Niet dat er weinig aandacht voor was: de respons in de dagen, weken en maanden direct na de watersnood was overweldigend. De nationale radiocampagne ‘Beurzen open, dijken dicht’ leverde miljoenen op voor het Rampenfonds en ook het buitenland bekommerde zich massaal om de slachtoffers. Vanuit Rusland tot Pakistan stroomden geld en goederen binnen, van bontmantels gestuurd door Zweden en Noorwegen tot citroenen en krenten uit Griekenland.

Na de eerste hulp kwam het grote herstel, het dichten van de dijken, het opruimen van het land, het ontwerp van de Deltawerken. In de loop van decennia werden de zeearmen die eerder het land in reikten afgesloten, zevenhonderd kilometer grillige kustlijn werd teruggebracht tot tachtig overzichtelijke kilometers en de kust was zogezegd veilig. Maar pas in 1993, veertig jaar na de ramp, vond voor het eerst een nationale herdenking van de slachtoffers plaats.

Waarom zo laat? Er werd al die tijd niet alleen niet collectief herdacht, er was ook geen wetenschappelijk onderzoek naar de ramp gedaan, ontdekte Selma Leydesdorff, historica en emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, begin jaren negentig. Voor Het water en de herinnering (1993) tekenden Leydesdorff en haar team de herinneringen van tweehonderd mensen uit Zeeland op. Het beeld dat rijst uit hun verhalen gaat in tegen het ‘nationaal gestandaardiseerde beeld van de ramp’ zoals dat in veertig jaar tijd ontstaan was. ‘Daarin staat het nationale voor de gevoelens en herinneringen van de helpers en de buitenstaanders, de kloeke redders van een amorfe, niet gedifferentieerde groep getroffenen’, schreef Leydesdorff. ‘De ervaringen en de kijk van de slachtoffers zijn tot nu toe buiten de officiële geschiedschrijving gebleven.’

Uit de persoonlijke herinneringen zoals opgetekend in Het water en de herinnering blijken veel overeenkomsten – het wakker worden, de onzekere tijd op zolder, vliering, dak – maar zeker zoveel verschillen. Je hóórt de mensen spreken. De nationale herinnering aan de watersnood daarentegen plaatst Leydesdorff in de bredere context van de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw. De grote stroom hulp voer op een gevoel zoals dat kort na de oorlog bestond, dat van een collectief belang waar een beroep op kon worden gedaan. Het succes daarvan, ‘de saamhorigheid’ waar de koningin op hoopte, bepaalde uiteindelijk hoe men op de ramp terugkeek.

‘Herinneringen komen soms pas na dertig, veertig jaar boven. Dat zie je met verhalen over Indië en zo is het ook met de Watersnoodramp’

Voor rouw was weinig plek, laat staan voor kritiek, met name Zeeland werd gezien als een geïsoleerd, ronduit achtergebleven gebied (De Groene stelde dat met de Deltawet een van de laatste ‘calvinistische openluchtmusea’ werd gesloten) dat in de vaart van de vooruitgang werd meegenomen. Leydesdorff schreef: ‘De ramp wordt buiten Zeeland gezien als een collectieve daad van heldenmoed en Nederlanderschap, iets waarop we gezamenlijk trots kunnen zijn en iets wat nooit meer zal gebeuren; er is nu immers het Deltaplan.’ De mensen die het meemaakten spraken er vaak niet meer over, soms zelfs op doktersadvies, en in de nationale canonisering liepen de werkelijke ervaring van de ramp en de gezamenlijke herinnering aan die vreselijke gebeurtenis uit elkaar.

Omslag van Paris Match, met een (ingekleurde en bewerkte) foto van de Watersnoodramp, 1953 © Ed van Wijk / Nederlands Fotomuseum

Er werd voor 1993 wel herdacht, vertelt Jaap Schoof aan de telefoon, maar alleen op lokaal niveau, bijvoorbeeld tijdens herdenkingsdiensten in de kerk. Ook waren er voor die tijd al verschillende monumenten voor de Watersnoodramp opgericht, maar inderdaad, van een nationale herdenking kwam het niet en het staat Schoof bij dat die eerste herdenking ook niet eenvoudig van de grond kwam. Krantenberichten uit die tijd bevestigen dat: bewoners gluurden naar de herdenkingsdelegatie tussen de vitrage, aldus Trouw. Of ze op de nationale gebeurtenis hadden zitten wachten, was volgens het dagblad de vraag.

De ramp is ook een moeilijk onderwerp om over te praten, weet Schoof uit eigen ervaring. Tijdens ons gesprek zit de emotie hoog, en dat terwijl zijn eigen verhaal ‘niet eens zo erg’ is, zegt hij. Schoof was negen jaar, op zondagochtend werd hij wakker en hun oude boerderij, die op een zandrug lag, was weliswaar omsingeld door water, maar stond nog droog. Later die dag niet meer, het vee verdronk en uiteindelijk werd het gezin gered door Urker vissers. Zijn oma en zijn tante met haar gezin waren omgekomen.

De mensen gingen na de ramp snel verder, vertelt hij, met opruimen en herstellen, maar op een gegeven moment komt het bewustzijn. ‘Herinneringen komen soms pas na dertig, veertig jaar boven. Dat zie je met verhalen over Indië en zo is het ook met de ramp.’ Ook de vragen komen later, merkte hij. De woning van de knecht op het land van Schoofs familie bijvoorbeeld werd in de loop van zondag weggespoeld en de knecht verloor daarbij een kind. ‘Waarom is hij op zondagmorgen niet naar de boerderij gekomen, of naar de dijk, vijftig meter verderop? Waarom bleef hij zitten tot de middag, toen er met het hoge water twee tot drie meter water bijkwam?’

Schoof zag de belangstelling voor de Watersnoodramp toenemen in zijn tijd bij het Watersnoodmuseum, geopend in 2001, waar hij eerst als vrijwilliger en toen als bestuurder en als eerste directeur bij betrokken was. ‘Bij de vijftigjarige herdenking in 2003 was het heel moeilijk om iemand te vinden die erover wilde praten. Toen ik in 2013 begon met het Oral History Project had ik een lijst met namen, maar moest ik nog moeite doen om de mensen te laten praten. En nu komen ze uit zichzelf naar me toe, “ik heb ook nog een verhaal”.’

Voor het Oral History Project, met vele getuigenissen die zowel op schermen in het museum als op de website te bekijken zijn, deelden mensen niet zelden voor het eerst in hun leven hun herinnering. ‘We stuurden deelnemers na afloop altijd een dvd met de ruwe opname van het gesprek toe en ik weet dat sommige mensen die nooit over de ramp hadden gesproken die gebruikt hebben om erover te praten met de eigen familie.’

Het geheugen is feilbaar, zag ook Leydesdorff in haar onderzoek: herinneringen aan evacuaties tijdens de Watersnoodramp werden bijvoorbeeld niet zelden verhaspeld met die tijdens de oorlog. Soms weet Schoof ook dat er iets aan een verhaal niet klopt, dat iemand bijvoorbeeld niet gered kan zijn op maandag, dat het op dinsdag moet zijn geweest. Maar dat een verhaal rammelt, maakt hem niet uit. Het gaat om de geschiedenis zoals die bestaat in de beleving van de mensen. Het Oral History Project loopt nog altijd.

Zeeland, 1 februari 1953 © ANP

De verwerking van de Watersnoodramp past in een eeuwenlange, bij uitstek Nederlandse traditie die Lotte Jensen, hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit, optekende in Wij en het water: Een Nederlandse geschiedenis. Jensen onderzocht de culturele verbeelding van watersnoden, de liederen, schilderijen, monumenten, gedenkboeken, dichtkunst en literatuur die een ramp betekenis gaven. Watersnoden zijn in de Nederlandse geschiedenis meer regel dan uitzondering, blijkt uit haar rijke boek: we herdenken 1953, maar wat te denken van de Sint Elisabethvloed van 1421, de Allerheiligenvloed van 1570, de watersnoden van 1682, 1686, 1775, 1776 of 1916?

Wie weet nog van de Kerstvloed van 1277 of die van 1717 (veertienduizend doden), of de Stormvloed van 1825 die grote gebieden rond de Zuiderzee trof? Nederland kent een lange traditie in het duiden van dat eeuwige gevecht tegen het water, vaak verbeeld als de strijd van de ‘Hollandse leeuw’ tegen de ‘waterwolf’, en Jensen wijst in haar boek de watersnood aan als vormende gebeurtenis voor de nationale identiteit.

De ramp van 1953 noemt ze in een gesprek aan de telefoon een ijkpunt in de Nederlandse geschiedenis, de ramp die de herinnering aan alle eerdere watersnoden heeft verdrongen. Door de vele beelden die ervan zijn overgeleverd en door de ongekende liefdadigheid die de ramp losmaakte, maar sowieso: de laatste grote overstromingsramp beklijft in het collectieve geheugen altijd het beste. Toch zijn er overeenkomsten met eerdere rampen aan te wijzen. De verbeelding ervan bijvoorbeeld is ondanks de intrede van nieuwe media niet wezenlijk anders dan die in voorgaande eeuwen.

Aan twee kanten van de telefoon bladeren we door De ramp en houden stil bij een foto van een moeder met een pasgeboren kind en dan bij een foto van een meisje dat een poes tegen zich aangedrukt houdt. ‘Het type beelden van mensen die hun toevlucht nemen op daken en van de allerkwetsbaarsten, van vrouwen, kinderen en dieren, is eeuwenoud. Met het directe realisme van de journalistieke verslaggeving zit het drama er wat feller in, maar hoe gruwelijk de rampfoto’s ook zijn, sommige laten ook iets hoopvols zien, iets ontroerends. In de verbeelding van een watersnood treedt altijd een soort esthetisering op die voortleeft in de herinnering.’

Met de breed gedragen zorgen rondom klimaatverandering krijgt de oude ramp weer een nieuwe urgentie

Jensen ziet een paradox in de nationale herinneringscultuur van overstromingsrampen: aan de ene kant is er de kwetsbaarheid van de inwoners van Nederland, aan de andere kant de trots van de overwinning op het water. Voor 1953 werkt dat precies zo, vertelt ze. ‘In Zeeland kun je op bezoek bij het Watersnoodmuseum, maar je kunt ook naar de Deltawerken gaan kijken.’ De paradox zit verpakt in het luctor et emergo-narratief, ‘ik worstel en ik kom boven’, sinds de Tachtigjarige Oorlog de wapenspreuk van Zeeland.

Of in de herinnering aan 1953 het worstelen of het bovenkomen de boventoon voert, hangt sterk af van het onderzoeksperspectief, vertelt ze. ‘Ik heb gekeken naar solidariteit en liefdadigheid en dan voert de medemenselijkheid na de ramp van 1953 de boventoon. Het gevoel van verbondenheid in het hele land en zelfs over de grenzen heen.’ De Deense grootvader van Jensen was betrokken bij het transport dat op gang kwam vanuit Denemarken. ‘De hoeveelheid acties alleen al in Denemarken is onvoorstelbaar. In de Deense kranten gaat het maar door over de Hollandse watersnoodramp. De bereidwilligheid om te helpen was vlak na de Tweede Wereldoorlog groot, maar ik denk ook dat al die beelden van kale, ondergelopen vlaktes tot de verbeelding spraken.’

Van alle beelden en verhalen in Wij en het water is het een object dat het meest bijblijft, een wollen deken van een Deen met het opschrift: ‘Deze deken is mij in een concentratiekamp gegeven door een barmhartige Nederlander. Nu keert de deken terug naar zijn vaderland om een Nederlander in nood te verwarmen, zoals de deken eens mij zijn warmte gaf.’

Zierikzee, evacuatie met een beurtschip, februari 1953 © Kees Molkenboer / Nederlands Fotomuseum / ANP

De Watersnoodramp van 1953 was, kortom, een groot verlies dat we groots te boven zijn gekomen. Na zeventig jaar bestaat de herinnering uit een stroom van beelden, objecten en verhalen die zich met het verstrijken van de tijd alleen maar uitbreidt. Met het overlijden van een familielid kreeg ik onlangs zelf een verhaal in de schoot geworpen. Het Delfts blauwe herdenkingsbord dat eens bij mijn overgrootouders op Goeree-Overflakkee in huis hing, had ik al in bezit, nu wist ik dat het gezin twee dagen had doorgebracht op het dak van dat huis voordat ze gered werden door Scheveningse vissers. Na jaren hangt het bord met daarop een omgeslagen bootje weer aan de muur.

In aanloop naar de zeventigjarige herdenking trokken schrijvers en kunstenaars ook naar het rampgebied op zoek naar nieuwe verhalen. Auteur Corine Nijenhuis schreef in Een nieuwe tijd: Zeeland na de ramp vanaf het water over de gevolgen van de ramp, waarbij persoonlijke geschiedenissen kleur geven aan de moderne tijd. Fotograaf Robin de Puy kwam op uitnodiging van de gemeente Goeree-Overflakkee naar het Zuid-Hollandse eiland waar ze zelf opgroeide en fotografeerde bewoners die de Watersnoodramp meemaakten of die ermee groot werden. Hun portretten zijn samengebracht in het boek Waters en hun verhalen, opgetekend door Maria Barnas, klinken als in een koor. Dat koor wil ook een waarschuwing zijn, aldus het voorwoord: een duidelijk signaal om niet weg te kijken van klimaatverandering en een snel stijgend waterpeil.

De tocht met de bus leverde het Watersnoodmuseum een vracht aan nieuwe spullen op. Een Zeeuws paardenmes, een geboortetegel van een meisje dat geboren werd tijdens de rampnacht, een tinnen cowboy uit een van de troostpakketten die Amerikaanse kinderen opstuurden naar leeftijdsgenoten in het rampgebied. Collectiebeheerder Marc van Velzen vertelt dat het hem bij de bustochten opviel dat in de zwaarst getroffen dorpen de minste aanloop was. Of dat komt door een hardnekkig trauma of door een zwijgcultuur, kan hij niet zeggen. Maar over het algemeen komen er meer spullen en verhalen los dan ooit tevoren, ziet hij. Na zeventig jaar willen mensen delen nu het nog kan.

Met de breed gedragen zorgen rondom klimaatverandering krijgt de oude ramp bovendien een nieuwe urgentie en bij de herdenking wordt niet alleen zeventig jaar terug, maar ook zeventig jaar vooruitgekeken. In het vierde caisson van het museum draait het sowieso al om ‘waterbewustzijn’, met onder meer een indrukwekkende panoramafilm over de wereldwijde dreiging van water.

Ook Lotte Jensen ziet een omslag in de belangstelling voor de ramp, zeker na de recente overstromingen in Limburg die nog maar eens duidelijk maakten dat watersnood niet voorbehouden is aan het kustgebied en zich uitstrekt over landsgrenzen. ‘Ons geloof in de techniek groeide na 1953 enorm, maar we leven nu in een tijdsgewricht waarin dat vanzelfsprekende vertrouwen verandert. Het is een goed moment om te reflecteren op wat die oude ramp ons te zeggen heeft.’

‘Kwetsbaarheid’ zou wat haar betreft centraal moeten staan in het toekomstige nationale narratief van onze omgang met het water. ‘Eeuwenlang heeft een positief zelfbeeld de boventoon gevoerd, het beeld van de landleeuw die de waterwolf overwon. Maar zonder iets af te willen doen aan de grote waterwerken kan juist de kwetsbaarheid van Nederland als lens fungeren om naar de toekomst te kijken. Het scherpt onze blik op de risico’s van het gebied waarin we wonen.’

Leydesdorff wees begin jaren negentig de lange stilte aan als een van de oorzaken voor het gebrek aan menselijke ervaringen in de nationale geschiedschrijving. Die stilte zal met de tijd weer terugkeren, maar dankzij de inspanningen van de laatste jaren vele malen rijker gevuld. Dat blijkt al uit het interactieve namenmonument 1835+1 in een van de caissons van het Watersnoodmuseum, de titel verwijzend naar de 1835 directe slachtoffers en de ene baby die op de avond van de ramp werd geboren, in de nacht verdronk en nooit werd gevonden.

Het is vochtig in de ruimte, ook hier blijft het slechte weer niet buiten, en op de kale, hobbelende zandgrond komen de namen van de slachtoffers in een projectie van blauw licht voorbij, de letters kabbelend als op golven. Op een beeldscherm bij de installatie, maar ook elders op een website, kun je kiezen voor een naam en, indien aanwezig, een herinnering. Een herinnering aan Leendert Kooijman uit Nieuwerkerk: ‘Hoe je eruit zag en hoe je stem klonk weet ik niet meer, we waren toen ongeveer acht jaar oud, maar je blijft in mijn herinnering als mijn schoolvriendje.’

Ik ben van 1953 opent op 1 februari in het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk.