De holocaust als hype goldhagen onderscheidt maar twee groepen duitsers: daders en slachtoffers. daartussenin zit niets

De discussie over Goldhagens provocerende boek over het Duitse antisemitsme wil maar niet verstommen. De ene bundel na de andere met reacties op het boek verschijnt. Veel emoties, veel gescheld, maar ook veel waardering en veel aanvulling. Bijvoorbeeld over de cruciale rol van intellectuelen bij het aanjagen van de holocaust.
Dienke Hondius is historica, werkzaam bij de Amsterdamse School voor Sociaalwetenschappelijk Onderzoek
Inmiddels is van Daniel J. Goldhagens Hitlers Willing Executioners: Ordinary Germans and the Holocaust een nieuwe editie verschenen, met een nieuw nawoord waarin de auteur ingaat op de reacties op het boek tot november 1996 en met het voorwoord bij de Duitse uitgave.
BIJ DE INGANG VAN het Center for European Studies van Harvard University in Cambridge, Massachusetts, hangt Goldhagens boekomslag in een vitrine. Hier schreef hij zijn proefschrift. Collega’s vertellen hoe de post nog steeds met stapels wordt binnengebracht - zeer ongebruikelijk voor een dissertatie.

Binnen het instituut zelf liepen de reacties sterk uiteen. En ook in heel Amerika heeft het boek felle discussies uitgelokt. De eerste reacties van historici, bijeen tijdens een conferentie in het jonge Holocaust Memorial Museum in Washington in april vorig jaar, logen er niet om. Yehuda Bauer en Raul Hilberg, twee eminente schrijvers van standaardwerken over de jodenvervolging, vielen dermate fel en persoonlijk naar Goldhagen uit dat de pers sprak van een partijtje modderworstelen. De irritatie was deels het gevolg van de arrogantie - anderen spreken van het verbazingwekkend grote zelfvertrouwen - waarmee Goldhagen zijn stelling poneerde. Zijn boek zou als eerste het antwoord geven op de vraag hoe de jodenvervolging kon worden verklaard. Eerder onderzoek zou hij eenvoudig onbesproken laten, of in een voetnoot minzaam terzijde schuiven. Een blik op de noten bij het boek laat zien dat deze kritiek niet terecht is. Goldhagen noemt verreweg de meeste studies met naam en toenaam, maar heeft overal zijn eigen kijk op. Het was van meet af aan duidelijk: hier is een man met een missie aan het woord.
ONBESPROKEN BLEEF IN elk geval niet het bekende boek Ordinary Men van Christopher Browning (New York 1992). Deze studie, in Nederlandse kranten indertijd uitgebreid en lovend gerecenseerd en door de Arbeiderspers in vertaling uitgebracht, moet worden gezien als belangrijkste inspiratie- en irritatiebron voor Goldhagens onderzoek. Sterker: Goldhagen schreef vooral tegen Browning. Daarnaast zet hij zich sterk af tegen Hannah Arendts idee van de banaliteit van het kwaad (want het kwaad is volgens Goldhagen specifiek en particulier, en weloverwogen), en tegen Raul Hilbergs rationele reconstructie van de deportatiemachinerie.
Uit bestudering van de voetnoten blijkt hoezeer Goldhagen systematisch elke bewering van Christopher Browning becommentarieert. Daarbij herhaalt hij zichzelf steeds met zinsneden als ‘Browning fails to see that…’, 'Browning neglects…’ Het komt niet zo vaak voor dat twee onderzoekers precies hetzelfde bronnenmateriaal bestuderen. Beiden reconstrueerden de geschiedenis van enkele 'Einsatzgruppen’ en politiebataljons. Dat waren groepen Duitse militairen, voormalige politieagenten en vrijwilligers die de moordcommando’s vormden in de eerste fase van de vernietiging van de joodse gemeenschappen in Oost-Europa. In Polen, Oekraïne en Rusland trokken deze groepen in 1941 van dorp tot dorp. Daarbij werd telkens de gehele joodse bevolking bijeengedreven en één voor één vermoord.
Brownings boektitel Ordinary Men is zijn conclusie. De mannen die in staat bleken tot dergelijk bruut geweld, waren volgens hem geen onmensen of monsters, maar alledaagse figuren met onopvallende levensgeschiedenissen. Ter verklaring wijst Browning op de gevaarlijke dynamische kracht van de combinatie van oorlog en racisme. Daardoor kon in zeer korte tijd een zeer effectieve moordmachine op gang komen, die draaiend gehouden werd door gewone mensen. Juist de alledaagsheid en onopvallendheid van de moordenaars zoals Browning ze beschrijft, is huiveringwekkend en maakt voor de lezer dat de daders plotseling veel dichterbij komen. Daarnaast gaat Browning uitgebreid in op daders die opdrachten weigerden en wat er met hen gebeurde.
De ondertitel van Goldhagens boek is een directe reactie op Browning: Ordinary Germans and the Holocaust. Al in eerdere lezingen, voordat zijn boek uitkwam, had Goldhagen zijn irritatie over Browning geuit. Het wilde er bij hem eenvoudig niet in dat gewone mensen, dus iedereen, in staat zouden zijn tot dergelijke daden. Dat zou immers betekenen, zegt hij in een noot, dat ook nu nog mensen 'voor een vaste aanstelling op een universiteit of een eenvoudige loonsverhoging bereid zouden zijn om duizenden onschuldige mensen neer te maaien’. Dat kan hij niet geloven, en daarom gaat hij op zoek naar een achterliggend motief en een ideologie. Die vindt hij in de haat tegen joden. Op grond van hetzelfde bronnenmateriaal en hetzelfde archiefonderzoek dat Browning deed trok Goldhagen een veel specifiekere conclusie door Duitsers - en in zijn boek noemt hij ze steeds 'de Duitsers’ - als gemotiveerde, verantwoordelijke, behulpzame en zelfs enthousiaste daders aan te wijzen. Die toespitsing op jodenhaat en de generalisatie over 'de Duitsers’ geeft het boek de kracht van een zweepslag, van een felle aanklacht tegen de Duitsers’ in het algemeen. De conclusie werd onderbouwd door een zoektocht naar de geschiedenis van specifiek Duits antisemitisme, dat zoals bekend door Goldhagen 'eliminationist’, gericht dus op de volledige verwijdering van de joden, is genoemd. Daarmee was de theorie rond. De Duitsers haatten de joden al eeuwenlang; tijdens het nazi-regime brachten ze massaal en gewillig het geleerde in de praktijk bij de jodenvervolging.
Goldhagen zocht niet naar het verzet tegen of het weigeren van medewerking aan de jodenvervolging, en heeft in discussies over het boek steeds herhaald dat het verzet dermate minimaal was dat het geen plaats in zijn studie kon krijgen. Zijn behandeling van Brownings werk is dan ook steeds gericht op het onderuithalen van de nuanceringen die Browning aanbracht. Goldhagen verwijt Browning dat hij een veel te hoge schatting (tien tot twintig procent) maakt van de mogelijke aantallen weigeraars onder de daders. Daar komt bij dat hij het weigeren van een bevel om door te gaan met het vermoorden van joodse mannen, vrouwen en kinderen steeds toetst aan één criterium, namelijk of de weigeraars aangaven dat ze het niet eens waren met de genocide. Alleen dat motief is voor hem aanvaardbaar als weigering. Goldhagen zoekt dus telkens naar ideologisch gemotiveerde Duitse soldaten en militairen die, omdat ze de jodenvervolging afwijzen, weigeren eraan mee te werken. En die dat dan ook in hun verhoren (het bronnenmateriaal daarvoor bestaat voornamelijk uit naoorlogse protocollen van verhoren) als motief noemen. Maar dat is nu niet direct de motivatie die de weigeraars aangeven. Ze weigerden, zeggen ze, omdat ze het moorden niet meer konden aanzien, omdat ze geen vrouwen en kinderen zeiden te kunnen vermoorden, omdat ze walgden van rondspattend bloed, botsplinters, hersenen. Ze doen een beroep op hun 'zwakte’. Weigering leidde meestal tot overplaatsing en zelden tot straf. Goldhagen accepteert de motieven van deze weigeraars niet: het bleven daders, ook als ze op een andere plek tewerkgesteld werden. Waar Browning op zeer terughoudende toon alle nuances van de morele dilemma’s van de daders schetst, sloopt Goldhagen die nuances er systematisch uit en hij bespaart de lezer niets in zijn citaten over het plezier dat de enthousiaste moordenaars aan hun praktijken beleefden.
Op die manier geeft hij een overzichtelijk beeld van de geschiedenis, waarin slechts twee groepen onderscheiden worden: daders en slachtoffers. Daartussenin zit niets. Hoezeer Goldhagens beeld door deze tweedeling is bepaald, bleek vooral tijdens Duitse debatten over zijn boek. In een talkshow werd hem tijdens een zogenaamde phone-in door een Duitse vrouw gevraagd: Stelt u zich voor dat u vijftig jaar geleden, tijdens het nazi-regime geleefd had, wat zou u dan gedaan hebben? Goldhagens antwoord was onmiddellijk: 'I would have been a victim.’ Daarop volgde haar tweede vraag: ja, maar stel nu dat u niet joods was, wat dan? Het was de enige keer dat Goldhagens gezicht verwarring en twijfel liet zien. Na een korte stilte hernam hij zich en zei stellig: 'Ik zou het nooit geaccepteerd hebben, en zou bij het verzet gezeten hebben.’ Die reactie laat zien dat hij nog niet eerder over die vraag, die in Duitsland en ook in Nederland zo voor de hand liggend is, had nagedacht.
INMIDDELS BLIJKT dat Goldhagens werk velen inspireert tot het schrijven van reacties en van voorstellen voor verder onderzoek. De eerste kritische reacties in Duitse kranten werden gebundeld onder de provocerende titel Ein Volk von Mördern? (Hamburg, 1996). De kritiek uit Duitsland is inmiddels echter aanmerkelijk afgezwakt. Dat heeft wellicht te maken met de enorme belangstelling voor het boek bij het publiek en de positieve indruk die de auteur kennelijk heeft gemaakt. Een tweede publikatie, van Wolfgang Wippermann, Wessen Schuld? Vom Historikerstreit zur Goldhagen-Kontroverse (Berlijn 1997), is veel waarderender voor Goldhagen.
Tijdens zijn grote tournee langs Duitse steden hield Goldhagen, ondanks de scherpe kritiek waar hij op stuitte, vast aan zijn these, maar hij benadrukte tegelijkertijd steeds dat het hedendaagse Duitsland heel anders is dan nazi-Duitsland. Ook in een apart voorwoord in de Duitse uitgave van zijn boek put hij zichzelf uit in het weerleggen van het verwijt dat hij de Duitsers collectief schuldig zou hebben verklaard. Zo schept hij een beeld van een eeuwenlang door en door antisemitisch Duitsland en een massale hoeveelheid enthousiaste Duitse daders tóen, en van een totaal veranderd, modern, democratisch en verantwoordelijk Duitsland nú. Maar wanneer de geschiedenis van het virulente en diepgewortelde Duitse antisemitisme zoals Goldhagen die schrijft serieus wordt genomen, is een dergelijke totale verandering sinds 1945 moeilijk te begrijpen en weinig geloofwaardig. Wat is er dan precies veranderd in Duitsland? En wanneer heeft die verandering plaatsgevonden? Heeft de overwinning van de geallieerden het typisch Duitse, eliminationistische antisemitisme dan in zo korte tijd ook volledig doen verdwijnen? Dat lijkt niet waarschijnlijk.
Intussen werken zijn geruststellende en zelfs zeer lovende woorden over de moderne Duitse democratie als zalf op de wonde die het boek zelf eerst had geopend. Tekenend voor de waardering en opluchting is de toekenning van de Prijs voor Democratie door de Blätter für Deutsche und Internationale Politik in Bonn op 10 maart, waarbij niemand minder dan Jürgen Habermas het dankwoord uitsprak. Het lijkt erop dat ook Goldhagen zelf oprecht verwonderd en opgelucht was over de ontvangst die hem in Duitsland ten deel viel, een ontvangst die hij in een recent artikel in het maandblad Foreign Affairs 'extremely positive’ noemt. Hij meent dat dat komt doordat de Duitse kopers van zijn boek het met hem eens zijn. De Duitsers, zegt hij, willen niet langer voor de gek worden gehouden met 'mythen en misleidende interpretaties’. Er zijn in Duitsland echter ook sceptischer reacties, zoals die van Henryk Broder, die zuurzoet opmerkte: 'Het verzet tegen Hitler groeit hier met de dag’.
IN DE VERENIGDE Staten is enkele weken geleden een bundel verschenen met kritische reacties, 'Hyping the Holocaust: Scholars answer Goldhagen’. Ze werden verzameld door Franklin H. Littell en werden geschreven door onder anderen Yehuda Bauer, Hans Mommsen, Eberhard Jäckel, Roger Smith en Hubert Locke. Het is een verzameling zeer uiteenlopende artikelen, variërend van een potje ongebreideld schelden tot zorgvuldig geformuleerde kritische waardering.
Ten onzent maakten Jan Colijn en Didier Pollefeyt een interessante analyse van de eerste 35 Nederlandse en Belgische reacties op Goldhagens boek, waarin ze opmerken dat de betreffende journalisten en recensenten aanzienlijk genuanceerder en voorzichtiger schreven dan hun Duitse collega’s.
Een litanie van scheldwoorden daarentegen kenmerkt de reactie van Jacob Neusner, theoloog uit Florida, waarin echter nogal wat jaloezie op het succes van Goldhagen doorklinkt. Neusner maakt zich vooral kwaad om het feit dat Goldhagen zijn dissertatie zonder problemen in Harvard heeft kunnen verdedigen. Daarnaast ergert hij zich (merkwaardig, gezien zijn eigen uitbarstingen) aan de woedende en emotionele stijl in het boek.
De kritiek op de emoties komt ook bij anderen terug en doet denken aan de latere reacties op Pressers boek Ondergang uit 1965. Presser zou te zeer betrokken zijn geweest bij de geschiedenis, onvoldoende afstand hebben genomen, te veel tranen in zijn tekst hebben laten doorklinken. Tegelijkertijd maakten die sterke betrokkenheid, die woede en dat verdriet het boek van Presser mede zo aangrijpend en toegankelijk. Een vergelijkbare directe stijl hanteert ook Goldhagen, en ook hem wordt dat verweten.
ECHT VERNIEUWEND en opmerkelijk genuanceerd is het artikel 'Daniel J. Goldhagen’s View of the Holocaust’ van de Israelische historicus Yehuda Bauer, die aanvankelijk een van de felste critici was. In Bauers artikel zijn zonder meer de meeste concrete suggesties voor een verder verloop van de discussie en voor verder onderzoek te vinden.
Bauer meent dat het Goldhagens grote verdienste is dat hij de holocaust in essentie verklaarbaar acht, en vooral dat hij het antisemitisme als kern van die verklaring aanwijst. Dit in tegenstelling tot andere onderzoekers, die de holocaust óf als groot vraagteken blijven beschouwen, óf zich uitputten in rationele reconstructies van de werking van de bureaucratie, van het crisismanagement of van de economie. Veel meer onderzoek naar antisemitisme is noodzakelijk, stelt ook Bauer, en vooral vergelijkend onderzoek. Voor hem is de antisemitische ideologie een cruciaal begin van het antwoord op de vraag waarom de holocaust plaatsvond, omdat die ideologie werkte als algemene motivatie. Zodra daar consensus over ontstond, en met name toen de Duitse en Oostenrijkse elites het radicale antisemitisme modieus en interessant genoeg vonden om het op te pikken, ontstond voor de joden heel snel een heel gevaarlijke situatie. De aanvaarding van het antisemitisme in intellectuele kringen en in de hogere kringen van industriëlen, het leger, de bureaucratie, de medische wereld, het recht, maar ook van de universiteiten en het hoger onderwijs, was een essentieel moment.
Bauer heeft echter grondige kritiek op Goldhagens behandeling van de geschiedenis van het Duitse antisemitisme, die hij simplistisch, slecht onderbouwd en niet overtuigend noemt. De term 'eliminationistisch antisemitisme’ - de kern van Goldhagens theorie - acht hij allerminst op àlle Duitsers van toepassing. Daarentegen wijst hij op het belang van veel mildere vormen van antisemitisme, omdat die het verzet tegen de jodenvervolging zo effectief verhinderden. Het gaat daarbij om extreem wijd verbreide, latente en openlijke, populaire antisemitische sentimenten die konden worden gevonden in zeer brede lagen van de Duitse - en niet alleen de Duitse - bevolking.
Deze analyse van het antisemitisme in Duitsland lijkt ook voor Nederland op te gaan. Voor het succes van de vervolgers was ook in Nederland geen enthousiast antisemitisme in brede kring nodig. Voldoende was het dat, op het moment dat de deportaties begonnen, de meerderheid van de bevolking afzag van verzet, ingrijpen of hulp, omdat ze zich niet betrokken achtte bij wat een andere bevolkingsgroep overkwam. Voor velen ook omdat ze (nog) niet op het idee kwamen dat ze daar iets aan zouden kunnen veranderen.
Er blijven nog veel vragen over. Hoe en wanneer ontstaat er een dynamiek tussen populair en elitair antisemitisme? Wat is het verband tussen dat milde antisemitisme in Duitsland dat begin jaren dertig nog zo onschuldig leek, en de situatie minder dan tien jaar later?
Want hierover zijn Bauer, Hilberg, Goldhagen en Browning het eens: rond 1940-1941 was de overgrote meerderheid van de Duitse bevolking een reservoir geworden van bereidwillige handlangers die klaarstonden om te helpen bij de moord op de joden.
Bauer suggereert een ontwikkeling van vooroordeel naar moord. 'Wanneer een intellectuele of pseudo-intellectuele elite met een programma van genocide - expliciet of impliciet - macht verwerft in een maatschappij die zich in een crisis bevindt om economische, sociale en politieke redenen die niets met dat genocidale programma te maken hebben, en wanneer het die elite lukt de intellectuele kringen aan haar zijde te krijgen, zal genocide mogelijk worden.’ Deze elite is niet direct zelf betrokken bij steun aan dat moordprogramma, maar draagt bij aan het ontstaan van een algemene sociale consensus, die de deelname van brede bevolkingsgroepen aan het moordplan legitimeert en bevordert.
Het idee van een bevorderende consensus is cruciaal in Bauers redenering, en zijn analyse van de rol van elites bij het versnellen van antisemitisme is nieuw. Hij geeft hiermee naar mijn smaak een algemeen uitgangspunt voor vergelijkende studie, een richting die ook Goldhagen overigens inmiddels is ingeslagen.
Zo lijkt het erop dat terwijl de kritiek op Goldhagens houding tegenover zijn collega-onderzoekers en op zijn monocausale, simplistische verklaringen aanhoudt, zijn onderzoeksvragen over de motivatie van de daders en zijn onderwerpkeuze wel degelijk zeer inspirerend blijken te zijn. Na lezing van de reacties is Christopher Browning tot nu toe de grote afwezige. Het is te hopen dat hij zich alsnog in het debat mengt. Overigens, ook voor het onderzoek in Nederland geldt dat er nog maar weinig bekend is over de daders. Hoe overtuigd waren zij? Wat waren de motieven van verraders van onderduikers?
Het pleidooi, hoorbaar vanaf begin jaren tachtig, voor het beschouwen van de joden als meer dan alleen maar slachtoffers of patiënten of anonieme doden, het pleidooi voor 'rehumanising the victims’, is inmiddels in brede kring overgenomen en in de praktijk gebracht in onderzoek, literatuur, onderwijs en musea. Tot de meest zichtbare resultaten van deze benadering behoren het indrukwekkende United States Holocaust Memorial Museum in Washington, en ook de vele projecten om overlevenden van de kampen of voormalige onderduikers uitgebreid te interviewen, waarvan Steven Spielbergs Survivors of the Shoah Visual History Foundation de grootste is.
Nu is het tijd die benadering uit te breiden naar andere groepen die betrokken waren bij de jodenvervolging. Daders en verraders, toekijkers of helpers van onderduikers: ook zij waren tegelijkertijd unieke individuen met een geheel eigen geschiedenis, maar ook allemaal 'gewone’ mensen.
Daarmee komt de geschiedenis van de jodenvervolging, hoewel steeds langer geleden, merkwaardig genoeg tegelijkertijd steeds dichter bij ons eigen leven hier en nu te liggen.