Het jaarlijkse Joyce-congres

De homo erectus linnaeus joyceanus

James Joyce-kenners Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes togen naar het jaarlijkse Joyce-congres. Dit jaar verzamelden kenners en deskundigen zich in Tulsa, Oklahoma, USA.

Wat heeft Tulsa dat Krommenie — met zijn jaarlijkse Beatlesdag in cultureel centrum de Pinguin — niet heeft? In Tulsa, Oklahoma, perifeer gelegen in het midden van het midden van Noord-Amerika, ver weg van oost- zowel als westkust, van cultuur en waanzin, in de schaduw der boortorens en jaknikkers, bevindt zich een schatkamer waarbij die van Toetanchamon verbleekt: de Tulsey Town Treasure Trove, opgeslagen in de McFarlin Library van Tulsa Universiteit, bevattende vele bibliotheken van Joyce-kenners, -liefhebbers en -verzamelaars, van die van Cyril «Palurinus» Connolly tot die van Edmund Wilson, die van de grote Joyce-biograaf Richard Ellmann en niet te vergeten de boeken en papieren van de standvastige mecenas van Joyce, Harriet Shaw Weaver.

We hebben nog nooit zoveel eerste drukken en bijzondere uitgaven van Joyce bij elkaar gezien als op de tentoonstelling van een kleine selectie uit het bezit van de bibliotheek die tijdens het congres werd geopend: de zeldzaamste pamfletten, de onvindbaarste tijdschriften, de uniekste, eenmaligste drukken, de gesigneerdste exemplaren, de onbekendste foto’s en de aangebrandste manuscripten die de brand in de Londense garage van Miss Weaver hebben overleefd — alles lag er te pronken achter glas van de notenhouten uitstalkasten te midden van de boeken uit voornoemde in de loop der tijden opgekochte prachtbibliotheken.

Maar dat is nog lang niet alles. Op de zeven straten in het vierkant tellende campus van de TU vliegt bijvoorbeeld de charmante en erg joyceaanse spotlijster rond, Mimus polyglottus, de door en door Amerikaanse mocking bird, die niet alleen andere vogels kan nadoen, maar ook piepende deuren, cirkelzagen, kijvende buurvrouwen, boze moeders, Finnegans Wake voordragende «stand-up tragedians» en mobieltjes, of zoals ze in Amerika zeggen, cell phones. En niet alleen de spotlijster maar ook de fanatieke koningstiran, de kardinaal, de grote kuiftiran, de Mississippiwouw, de Carolinamees of -meesachtige Chickadee, de dons- of mongoolspecht (de Downy Woodpecker), de gepeperde Mexicaanse roodmus en, last but certainly not least, de ronduit prachtige schaargevorkte zwaluwstaartkoningstiran, de scissortail, die de nationale vogel is van Oklahoma, «the Indian State».

Maar de raarste vogel die wij daar, op het congres onder de wapperende vlag Post-Industrial Joyce hebben waargenomen in zijn min of meer natuurlijke habitat, het jaarlijkse Joycecongres, waar ook ter wereld dat wordt georganiseerd, het ene jaar in Amerika, het andere jaar in Yurp, maar altijd op en om en nabij Bloomsday (16 juni), was de homo erectus linnaeus joyceanus, de transatlantische joyceaan, dwaalgast, trekvogel, maar ook lid van een hecht, bijna geheim genootschap dat zich ten doel gesteld lijkt te hebben haar genenpakket te verspreiden over de zeven continenten van de aardbol en eens per jaar samen te vlokken om de resultaten van het afgelopen jaar door te nemen.

Het is net een grote familie. Elk jaar zijn er weer mensen die er elk jaar zijn, de kanonnen, de veteranen, «die in 1958 begonnen zijn te werken aan Joyce» en er eigenlijk in zijn blijven hangen als de naald die blijft hangen in de groef van een plaat die blijft hangen, de grappige en anaalgefixeerde oom die leuke anekdotes vertelt over de petomaan die iedereen al honderd keer heeft gehoord maar nog steeds niet weet dat de petomaan zijn scheten niet liet met intestinale gassen maar met via de anus ingezogen frisse buitenlucht, de nuffe en hysterische tantes, de lieve moederfiguren zoals Aida Yared en Rosa Maria Bollettieri Bosinelli, oma Judith «Edith» Harrington, de kalende mevrouw met moeilijke voeten die nog college had gehad van Joseph Campbell, en de zwarte schapen die Finnegans Wake vertaalden in een taal die niemand kent, de Pepeye en Cockeye van de joyceaanse gemeenschap.

En ook elk jaar zijn er weer de novieten die hun eerste schuchtere maar daarom niet minder doorsnee professionele praatje afsteken om te worden ingewijd in de wondere wereld van de conferentie, de immer uitdijende schare kinderen en kleinkinderen, aangetrouwde neefjes en nichtjes, de zwagers die de drank hebben afgezworen en de wonderkinderen die vakantiebaantjes doen voor Rent-a-Nerd.

Een van de veteranen die wij mochten toehoren in de eerbiedwaardige Chapman Hall, waarbij u zich een doorsnee collegezaal van de Amsterdamse gemeente-universiteit moet voorstellen maar dan schoon dankzij het onvermoeibare werk van de vele negers die voor dat werk werden ingeschakeld, was Robert Scholes. Wij kenden hem van naam als de redacteur van de voorbeeldigste definitiefste Dubliners-editie, van vele jaren geleden. Verder heeft hij niet zoveel gedaan, maar omdat hij zo lang is blijven plakken op zijn leren leerstoel mocht hij dit jaar een uur lang voortkabbelen met een zogenaamde keynote, een sleutelvoordracht waarin een basisbegrip van alle kanten die ertoe doen wordt belicht, in dit geval Sentimentaliteit en James Joyce, voor de gelegenheid in alle familiariteit Jimmy genoemd. Het verschil met een normale paper is dat er geen concurrerende sprekers op andere locaties zijn en dat het praatje even lang mag zijn als vier papers, een dik uur.

Nog steeds op paper-niveau zat de geprononceerde in strak pak met kleurige stropdas met vredestekendasspeld gestoken assistant professor Patricia Juliana Smith van de Hofstra Universiteit in Long Island, auteur van onder andere The Queer Sixties, Lesbian Panic en The Gay and Lesbian Book of Quotations. Zoals te verwachten viel, ging haar praatje over John Lennon en zijn invloed op of onder James Joyce. Interessante ontdekking was dat John Lennon voorkomt in het abonneebestand van de James Joyce Quarterly, het repectabele orgaan dat nu zijn veertigjarig bestaan viert en wordt uitgegeven in datzelfde Tulsa. Kennelijk had Johnny zich geabonneerd op het tijdschrift gewijd aan Jimmy toen hij in 1964 te horen had gekregen, na het verschijnen van zijn woordspelige boek In His Own Write, dat hij beïnvloed moest zijn door Joyce — terwijl hij op dat moment nog niet eens beïnvloed was door marihuana! We waren al één stuk kennis rijker geworden.

Tegelijkertijd was er een voordracht van Jacqueline Thomas van de Universiteit van Texas, vorstelijk getiteld Aphrodite Unshamed: An Anthropological View of Menstruation as a Marker of Culture in Ulysses. Daar waren we graag bij geweest. Maar ja, je moet kiezen op zo’n congres. Voor de cultuurhongerige, naar kennis dorstende joyceaanse congresganger blijft er met honderd lezingen in vier dagen doorgaans niks anders over dan een potje panelhoppen, in de hoop verlichting deelachtig te worden. De panelhopper voelt zich een beetje als de ezel van Buridan die niet kan kiezen tussen twee schelven hooi en verhongert. Want helaas ook tegelijkertijd waren gepland Bloom is a Turtle en Hyssop, Coloquintida, and Cluster-pipes: Anal Fixation in Mulligan and Deasy, en Edith Wharton and James Joyce tegelijkertijd met Henry Roth and James Joyce; Militarism and James Joyce tegelijk met Vampirism in Oxen of the Sun, terwijl Joyce and Cultural Belatedness moest opboksen tegen Leopold Bloom and Fred Flintstone and the Suspension of Disbelief.

We hebben overigens gemerkt dat de slavernij nog steeds niet is afgeschaft in Amerika. In Nederland is dat al 140 jaar geleden gebeurd, zo lang geleden dat er zelfs monumenten voor moeten worden opgericht omdat we het anders zouden vergeten. Maar in de Verenigde Staten doen de negers nog steeds dwangarbeid: wc’s schoonmaken, cateren met homemade brownies, bedelen («I will make it up to you some day»). De enige zwarte intellectueel, die nog vrouw was ook (naar haar seksuele geaardheid hebben we niet durven raden, daar ging het ons inziens ook helemaal niet om), stak meteen een van de domste praatjes van het hele congres af, over Molly Bloom als een zwarte feministe gekooid in de fallocentrische taal van Joyce, afgezet tegen het jouïssance-begrip bij Lacan. Ziedaar waar de slavernij en de daaruit rechtstreeks voortvloeiende slavenmoraal in nietzscheaanse zin toe leidt. Schande kome over het hoofd en de dubbele tong van de witte man, die dat allemaal op zijn geweten heeft. Zong John Lennon al niet Woman is the nigger of the world?

Het was trouwens ook opvallend niet alleen hoeveel vrouwen er deelnamen (een solide vijftig procent) maar ook — quote — hoe vaak die wijven het over seks hadden — unquote — terwijl wij mannen — quote — er altijd alleen maar aan denken — unquote. En helemaal op zo’n congres. Ook dat is wat onderdrukking doet met mensen, of die mensen nou vrouwen zijn of honden, negers of kabouters, nerds of anonieme alcoholisten, heteronieme homofielen of bibliofiele petomanen. Je gaat je identiteit uit een groepsgevoel halen, door je op een of andere manier af te zetten of juist aan te schurken tegen degene die heer en meester is over de groep, er mijlenver boven staat en altijd absent is, in zijn «er-niet zijn», zijn nagels vijlend, een deuntje fluitend, vogels kijkend, in dit geval James Joyce.

Om de congresgangers niet te laten bezwijken onder de monolithische alpdruk van de Joyce-industrie met al zijn wetenswaardigheden en waardevrije kennis en ontdekkingen, heeft elk congres zijn vrije dagen die bestemd zijn voor sociale activiteiten. Midden in de week kon iedereen een wandeling maken langs de art deco-wolkenkrabbers in downtown Tulsa. Gestolde olierijkdom in een stad waar verder nooit iets gebeurt, Tulsa is «not a very happening place», zoals de serveerster die ons de befaamde Tulsa chicken fried steak serveerde ons verzekerde, behalve in de no go-areas natuurlijk.

Een prediker vertelde ons, in een partytent op de hoek van Sheridan en de Tweede straat, waar blank en zwart en latino gebroederlijk en gezusterlijk uit hun tentdak gingen, bij de opzwepende klanken van een keurig blank gospelorkest, dat ze God gingen brengen in Tulsa-Noord, waar de afgelopen weken twaalf negers waren omgekomen bij schietpartijen. Werk aan de winkel. Of wij daaraan wilden meedoen.

«Where you guys from?»

«From Holland.»

«From Holland! Where your wooden shoes?»

«We had to leave them at the airport.»

«What brings you over here?»

«Well, there’s a congress about James Joyce the author and we were invited to hold a talk.»

«Is marihuana still legal in Holland?» vroeg een andere maar niet minder fanatiek gestropdaste en glad gecoiffeerde prediker ons op het grasveldje.

«It’s only for the tourists.»

Prediker 2 keek nog wat dreigender en vroeg ons op de man af:

«You go to church in Holland?»

Onze knieën begonnen ja te knikken. Een onzer keek schuins naar onze getaway car en toen naar het meisje dat ons als een ware Maria Magdalena de tent in had gelokt met een wulps hoofdgebaar.

«Well, you know», zei de ander, «Holland is a Godless country.»

«O maybe you guys come over here to find God. Jonah came to the whale and got out of it.» En in één adem nodigde hij ons uit om morgen terug te komen om meer wonderbaarlijke bekeringen en genezingen te zien. Nu stond er een dronkaard die ze van de straat hadden geplukt met zijn armen omhoog omringd en betast door huilende gelovigen.

«I’ve seen God make men sober like that.» En hij knipte met zijn vingers.

«You can’t follow God in neutral», beaamde de ander.

We namen afscheid en zeiden dat we morgen misschien wel zouden komen, maar eerst de bizons wilden zien in de Tall Grass Prairie Reserve, bij Pawhuska.

Toch was de vraag van de prediker gerechtvaardigd: wat kwamen wij hier doen in de buik van de joyceaanse wallevis? Zoals we al zeiden, er was meer, veel meer dan het congres alleen. Op de sociale woensdag bevonden wij ons in de McFarlin-bibliotheek op de campus, gehuisvest in een pseudo-gotisch bouwwerk dat voor Citizen Kane of Walt Disney niet zou misstaan, met een versgeslepen potlood in de aanslag, omdat we onze pennen en andere gevaarlijke voorwerpen in een kluisje moesten achterlaten, om ons te mogen vergapen aan de eerder genoemde schatkamer. Want behalve boeken en bijzondere uitgaven bevat die ook handschriften, typoscripten en door Joyce zwaar gecorrigeerde drukproeven. In feite is het de op drie na grootste bewaarplaats van Joyce-materiaal ter wereld. En dat is vooral te danken aan de hier terechtgekomen bibliotheek en paperassen van Paul Léon, die als een soort amanuensis en secretaris voor Joyce optrad in de laatste twaalf jaar van diens leven.

De Paul and Lucie Léon/James Joyce Collection is weliswaar al in 1984 in het bezit gekomen van de universiteit van Tulsa, dankzij een gulle donor, in het kader van de actie Adopteer-een-Joyce-collectie, maar dit bleef lange tijd en zelfs tot op de dag van vandaag het best bewaarde Joyce-geheim sinds de onthulling dat moeder de vrouw Nora Joyce helemaal niet dom was, maar juist heel goed kon koken en zelf haar eigen brieven schreef!

In bordeelrode cassettes lagen ze voor ons: de allerlaatste drukproeven van Finnegans Wake, een onmisbare missing link in het ontstaansproces van de Wake, alleen maar te vergelijken met het spiegelei van Columbus of het atoommodel van Rutherford. Deze drukproeven staan niet afgedrukt in de James Joyce Archives, de zogeheten Garland-editie, die verder wel een complete verzameling is van de stadia van de werken van Joyce. Wij waren hier de eersten die ze bestudeerden en ontsloten voor de Wakenschap. Voor ons ook voor het eerst dat we live in aanraking kwamen met papieren die door de mooie vrouwelijk smalle vingers van Joyce waren gegaan, waar zijn vingerafdrukken en wellicht hele genenpakketten op achtergebleven waren.

We zagen hoe Joyce tot op het allerlaatst het Tim-Tom motief aan het uitwerken was, door telkens als er een «Tom» voorkwam er meteen in de buurt een «Tim» tegenover te stellen.

En moet je hier zien: Joyce wilde «cat» in «Bat» veranderen, maar de Glasgowse drukker MacLehose maakt er alleen «Cat» met een hoofdletter van: «Hooshed the Cat from the Bacon» op FW 71.24, maar die kat moet dus een vleermuis worden en toch een kat blijven. En allitereren met spek.

Daar gaat onze vakantie.

And here, in diezelfde bordeelrode cassettes hebben ze ook alle nummers van transition met de voorpublicaties van de Wake toen het werk in uitvoering was! Met verbeteringen van Joyce en Léon, verbeteringen die niet allemaal zijn doorgekomen!

Lookey here: The Mime of Mick Nick and the Maggies in transition 22 (februari 1933, gepubliceerd door Servire, Rietzangerlaan 15, The Hague, prijs fl 1,90 — kom daar nu nog eens om), daar heeft Joyce met dikke kleurpotloden strepen in de marge gezet: dikke oranje, groene en blauwe potloodstrepen. Soms een alinea lang, soms wel een paar alinea’s en af en toe afbrekend voor het einde van een alinea. Waar slaat dat op?

Het spelletje dat ze hier spelen in hoofdstuk II.1 heet Colours, en Glugg moet de kleur raden (het is heliotroop). Die strepen in de marge zullen wel iets met het spelletje te maken hebben of met wie er aan het woord is. We’ll have to do some more research on this.

En daar gaat onze vakantie van volgend jaar. Er zijn ook nog four handwritten marginal corrections: and they all made it into the final text! Opwindend!

Kijk wat ik hier heb. Nog een transition, nr. 23, also published by Servire (July 1935, price fl 2,50). The subtitle here is ‹An International Workshop for Vertigralist Transmutation›. What did nr. 22 have?

An International Workshop for Orphic Creation. Net Platforum! Elke keer wat anders en toch hetzelfde. Hier echter geen handgeschreven correcties. Jammer! Dat is een medelijden!

Maar het volgende nummer bevat wel degelijk uniek handgeschreven materiaal waarop nog geen mensenoog ooit voet heeft gezet! Ontzaglijk!

De vondst van deze drukproeven en van andere bewaarde stadia in het ontstaansproces van de Wake is voor ons weer een nieuwe doorbraak op weg naar een variourum-editie van Finnegans Wake waarin alle schrijf-, typ-, zet- en drukfouten die er allemaal ongelukkig genoeg in de Wake zijn blijven staan, opgeheven zijn. In onze vertaling hebben we een eerste stap gedaan om notoir onstabiele tekst enigszins te fixeren, door er een lijst bij te leveren met 1293 «transmissional departures», dat wil zeggen zeer waarschijnlijk fouten in de overdracht van het ene stadium naar het andere, en een tweede stap door die verbeteringen meteen te vertalen.

De doorgewinterde joyceaan had het meteen door: met onze lijst was er voor het eerst een gecorrigeerde tekst van Finnegans Wake op de markt, al was het een doe-het-zelfpakket. Met onze aanwijzingen kan de lezer deze omgevallen Ikea-boekenkast, model Billy, zo weer overeind krijgen (twee echtscheidingen en drie vakanties later), met andere woorden de Engelse reconstrueren zoals de natuur hem ooit had bedoeld.

Het laatste nieuws kwam van het rechtenfront: zoals boven alle Joyce-congressen hing Stephen James Joyce, de alleenrechthebbende kleinzoon, ook als een donderwolk boven dit congres. Werkelijk elke joyceaan heeft een hartverscheurend verhaal te vertellen over de dingen die hij, maar vooral zij, niet mocht doen van de erfgenaam. (Dat zou een mooi boek opleveren.)

Over elf jaar lopen de copyrights van de gepubliceerde werken van Joyce af, troost men zich. Maar nieuwe donkere wolken pakken zich samen: over achttien jaar is Mickey Mouse ook rechtenvrij en denk maar niet dat de Walt Disney Company het zover laat komen. Ze zijn nu al aan het lobbyen om de copyrightwetten te verlengen, en dat zal niet alleen voor Mickey Mouse en Donald Duck maar ook voor Ulysses en Finnegans Wake gevolgen hebben. Het hele Amerikaanse congres is inmiddels voorzien van grappige gratis Mickey Mouse-oren.