De homoseksuele efteling

IK WIST HET zeker, van tevoren. De Gay Games waren niets voor mij. Ik houd van topsport, maar aangezien vanaf het begin duidelijk was dat de homospelen voor iedereen openstaan, dat iedereen er komt om zijn ‘personal best’ te doen ongeacht leeftijd, handicap of sportieve aanleg, dat het om vriendschap gaat en niet om competitie, dat iedereen bij voorbaat een winnaar is, en dat iedereen net als na een kinderpartijtje met een medaille naar huis mag - aangezien dat allemaal vooraf vaststond, wist ik: met echte sport hebben deze Olympics weinig van doen.

Ik val dan wel op vrouwen, maar ik ben geen hartstochtelijk deelnemer van de homoseksuele apartheid die tegenwoordig tot elk segment van de samenleving is doorgedrongen. Ja, ik ga wel eens homoseksueel dansen. Nee, ik ben geen lid van een homoseksuele tennisclub, ik laat mijn gaatjes niet vullen door een lesbische tandarts, probeer mijn matras niet uit bij een homovriendelijke beddenzaak, laat mijn band niet plakken door een potteuze fietsenmaakster, lees niet bij voorkeur homoboeken, ga niet naar de lesbische natuurcamping, laat mijn horoscoop niet homoseksueel trekken, en breng geen voorkeurstem uit op een homoseksuele politicus. Ik heb de eenvoudige overtuiging dat homoseksualiteit na een moeizaam emancipatieproces betrekkelijk normaal is geworden, en dan sluit je je niet vrijwillig opnieuw in een getto op. Ik hoef niet zo nodig mijn ‘eigen’ identiteit collectief te beleven.
Natuurlijk geldt dat niet voor die ene deelnemer uit Iran of de drie vrouwen van het eilandje Vanatu die aan de Gay Games deelnemen. Daar is allicht niet eens een homogetto. Maar in Nederland, en zeker in Amsterdam, is dat anders. Sinds een paar jaar is de Wet Gelijke Behandeling van kracht en mogen mensen niet meer worden gediscrimineerd op grond van hun seksuele voorkeur, homo’s mogen al 'partneren’, vanaf 1 januari mogen ze, deo volente, ook echt trouwen. De homostrijd is hier vrijwel gestreden, waarom zouden homo’s nu ten overstaan van de wereld laten zien dat ze niet goed zijn in sport?
VAN TEVOREN kon ik het uittekenen. De stad zou worden overspoeld door halfnaakte mannen, hun spieren gestaald in de homoseksuele sportschool. Door travestieten in glitterjurkjes, wiebelend op hooggehakte muiltjes. En door mollige, kortgeknipte lesbiennes die Schopenhauers schampere uitspraak in herinnering roepen dat het ongehoord is het korte, smalschouderige, breedheupige, kortbenige geslacht het schone te noemen.
En toen ging ik naar de openingsceremonie in de Arena. Het begon al, wat onwennig, op het metrostation, dat zwart zag van de mannen- en vrouwenstellen. Wat zijn 'we’ met veel, schiet er door me heen. In een lange stoet schuifelt iedereen van station Duivendrecht naar het stadion. Een plukje christenen staat bij de uitgang met grote borden. 'God created Adam & Eve’, staat erop. De stoet lacht wat, mompelt wat afkeurend, er is geen reden om verontwaardigd te zijn, want de macht van het getal spreekt zo duidelijk tegen het plukje.
Het openingsprogramma is weinig opwindend: de gladde, tweedehands disco van Abba-imitators Björn Again, de nichtentopper 'It’s Raining Men’ van de Weather Girls, het ingeblikte hitje van de omgebouwde Songfestivalzangeres Dana International, de eeuwige Mathilde Santing, danseressen in tutu, dansers in matrozenpak. Het is allemaal erg middle of the road, het heet waarschijnlijk camp.
Maar het hoogtepunt is ook niet het programma, het hoogtepunt is de entree van alle deelnemers aan de Gay Games. Een niet-aflatende slinger van sporters maakt, marcherend op een stevige beat, een ronde door het stadion. Ze zwaaien naar het publiek, het publiek zwaait terug. Even schieten de tranen in mijn ogen.
Het is een ervaring die terugkeert tijdens de spelen: mijn weldenkende, bevrijde ik laat het afweten en even ben ik ontroerd. Ik schiet vol bij het Latijns-Amerikaanse dansen, omdat sommige mannen- en vrouwenparen zo mooi en zo vanzelfsprekend opgaan in de paso doble of rumba. Twee prachtige Duitse vrouwen in blote rood-met-gouden jurkjes dansen met elkaar alsof het niet anders hoort. Als aan het eind van de finale de paren zich met elkaar mengen en een van de vrouwen wordt opgetild door een man protesteer ik innerlijk. Dit is ongerijmd, die man past bij een man, die vrouw bij een vrouw.
Ik pink een traan weg bij het kunstschaatsen als ik grote, stoere mannen zie huilen omdat de internationale schaatsunie hun niet toestaat een wedstrijd te rijden. De internationale regels verbieden het schaatsen door paren van hetzelfde geslacht. 'We’ worden nog steeds gediscrimineerd, gelijkgeslachtelijk schaatsen geldt kennelijk nog steeds als een provocatie. Maar als je de twee zilveren mannen over het ijs ziet zwieren, ziet hoe hun lichamen precies in elkaars kromming passen, hoe ze samenvloeiend één lichaam vormen, dan is er niets provocatiefs aan.
Ik heb het vooral als ik door het centrum van de stad loop en twee vrouwen elkaar omarmen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, of als ik een groepje mannen bier zie drinken, de armen om elkaar heen geslagen. Niemand kijkt om, niemand kijkt ervan op. Integendeel, als ik een man en vrouw hand in hand zie lopen ziet het er opeens heel onwennig uit. 'Hé, hetero’s’, denk ik. 'Doe niet zo gek.’ Het is een merkwaardige gewaarwording: voor een week leef je in de omgekeerde wereld, een week ben je de meerderheid, een week lang ervaar je een vanzelfsprekendheid die je, hoe bevrijd je je ook voelt, niet kent. En dat doet goed. Je raakt je geliefde op straat onnadenkender aan dan anders, je voelt dat je niet uitzonderlijk bent.
Was mijn scepsis onterecht? Zijn Gay Games, ook voor mij, toch nodig?
IN DE ARENA klinkt niet alleen de verplichte muziek, er wordt ook gesproken. Een bijna evangelische boodschap wordt over het publiek uitgestort. Het wordt gezegd in de openingstoespraak door de presidente van de federatie van de Gay Games: 'We can change the world!’ De vertegenwoordigster van het Nederlandse Gay Games-bestuur herhaalt het: 'We zijn hier om de wereld te veranderen.’ 'We have the power to change the world’, zegt acteur Harvey Fierstein tegen zijn 'brothers and sisters’ in het stadion. Het wordt de hele week zo vaak gezegd dat ik vertwijfeld denk: Hoe dan? Hoe moet ik de wereld dan veranderen? Het antwoord luidt eenvoudig: door openlijk en trots te laten zien wie ik ben.
'We are here! We are queer!’ is het statement dat steeds weer klinkt. Of: 'It feels good to be out and proud.’ 'We’re walking together proudly’ is het refrein van het eerste lied dat het Amerikaanse homo- en lesbokoor - het eerste openlijke homoseksuele koor dat optrad in Salzburg! - zingt op de Dam. 'It is great to see the gay rumba’, roept de spreekstalmeesteres bij het dansen. 'You are great!’ 'Thank you for being here! Thank you for being gay!’ jubelt de gastvrouw tijdens de slotceremonie. En zoals telkens als iemand zegt dat 'we’ trots en geweldig zijn, barst het publiek uit in een daverend applaus en gejuich. Ik houd de handen stijf op elkaar. Waarom zou ik trots en geweldig zijn omdat ik een vriendin heb en geen vriend?
Het is een misverstand om te denken dat het gewoon gezellig is tijdens de homospelen, dat het niet uitmaakt wat er allemaal is georganiseerd, maar dat het vooral een bijzondere ervaring is om met zo veel te zijn. Dat is een misverstand: we bedrijven hier politiek. In de jaren zeventig werd het persoonlijke politiek verklaard, nu, zo'n vijfentwintig jaar later, is alles wat persoonlijk, privé is politiek. Omdat seks en de seksuele identiteit het meest persoonlijke zijn dat je kunt bedenken, is juist dát een publieke aangelegenheid geworden. De hele wereld is geseksualiseerd, juist door seksualiteit definiëren mensen hun identiteit. En dat heet politiek. Dat heet politiek tot in het absurde.
Op aanraden van vriendinnen bezoek ik donderdagavond het aan de Gay Games gelieerde vrouwenfestival in de Melkweg. Het thema: 'Take a walk on the wild side.’ Mijn vriendinnen zijn het erover eens: hier gaat eindelijk iets gebeuren dat lesbisch is en toch niet braaf. Er is een wedstrijd 'bootlicking’; de winnares likt geroutineerd elk stukje van de leren laars schoon. Er is een wedstrijd orgasme-imiteren, en er is door sm-dames een speciale dark room ingericht, naar verluidt met kettingen en al. Het sluitstuk van de avond is een optreden van de vrouwelijke pornorockband Rock Bitch. De bandleden, slechts gekleed in een paar kettingen en leren riemen, doen alles wat intiem is open en bloot op het podium.
De gitariste kondigt aan het Rock Bitch-manifest voor te lezen. Ze graaft het papier diep uit haar tussenbeense op, vouwt het open en brengt iets te berde van vrijheid, van tolerantie en van vrouwen die hun eigen seksualiteit hebben. De boodschap is niet te missen: ook hier wordt de wereld veranderd, ook hier wordt gestreden voor meer vrijheid. Publiekelijk neuken, een orgie op het podium met meisjes uit het publiek, plasseks - je kunt er kokhalzend naar kijken, maar vergeet niet: hier wordt politiek bedreven. Of beter: hier is duidelijk hoezeer de leuze dat het persoonlijke politiek is, is geperverteerd. Hoe hypocriet de leuze is geworden.
NERGENS IS het persoonlijke zo politiek als in de Verenigde Staten. Ik had de afgelopen week niet alleen de gewaarwording van het leven in de omgekeerde wereld, ik had ook de vervreemdende ervaring dat Amsterdam voor een week Amerikaans was geworden. De Gay & Lesbian Marching Bands die trommelend en trompetterend door de stad marcheren. De kirrende aanmoedigingen van Amerikaanse vrouwen bij het ijshockey of basketbal. De retoriek van trots en het veranderen van de wereld, die toch bovenal een Amerikaanse retoriek is.
Bij de wedstrijden bodybuilden in de Rai zijn niet alleen de deelnemers voornamelijk Amerikaans, het publiek is dat ook. Het klinkt snerpend 'Com'on Becky’ en 'You’re beautiful Sally’ als de bodybuildsters in een rij tussen de Griekse zuiltjes op het podium staan. Als Patrick uit LA wordt aangekondigd als een bodybuilder met aids die een jaar geleden de 'dead man running’ was toen hij de marathon van New York liep en nu de 'dead man running and pumping’ is, volgt een staande ovatie. Het publiek raakt buiten zinnen als de presentator meedeelt dat David Copey in de zaal zit, de eerste openlijke homoseksuele footballspeler in Amerika. Copey gaat staan, houdt zijn armen met het gebaar van de triomfator in de lucht en aanvaardt het applaus breeduit lachend.
Hier hoor ik niet thuis, denk ik, dit is een idiote wereld. En ook dat onbehaaglijke gevoel is een constante tijdens de spelen. Soms zit ik in het weldadige bad van de vanzelfsprekendheid, veel vaker ervaar ik dat ik nolens volens word ingelijfd bij een groep met een haast totalitaire identiteit. Dat het niet zo is dat je seksuele voorkeur een deel van je identiteit is, maar dat het, omgekeerd, zo is dat je seksuele geaardheid je hele identiteit uitmaakt.
DE STRATEGIE die het persoonlijke politiek maakte, is, daar zijn veel sociologen het al lang over eens, overgegaan in een identiteitenpolitiek. Dat heeft iets vreemds: tijdens het ijveren voor homo-emancipatie werd het uniek homoseksuele van de identiteit teruggedrongen: homoseksuelen waren net zo gelijk als anderen. Nu de emancipatie zo ongeveer een feit is, moeten 'we’ opeens weer heel homoseksueel zijn. Op het moment dat de homoseksuelen opgaan in de heteroseksuele meerderheid, wordt het verschil opeens weer sterk benadrukt. Het vooral Amerikaanse argument daarvoor: de samenleving wordt wel heel saai, net en gemiddeld als iedereen keurig hetzelfde wordt. Juist als de samenleving een smeltkroes is, moet je je eigen identiteit behouden. Het probleem is alleen dat je daarmee de verschillende identiteiten verabsoluteert. Je hebt homo’s en hetero’s, and never the twain shall meet.
Hoe moet ik trots op mezelf zijn? vraag ik me tijdens de Gay Games almaar af. Wat is de homoseksuele identiteit nog, nu de good old days van de repressie voorbij zijn en de muren van het getto zijn afgebrokkeld? Wat is het unieke, kleurrijke en verrijkende van de homocultuur?
De verrijking wordt het duidelijkst zichtbaar tijdens de grachtenparade, de middag voor de opening van de Gay Games. De lange vloot laat een verbijsterend beperkt aantal beelden van homoseksualiteit zien: gespierde mannen in minuscule slipjes, matrozen, ruige mannen met snor in leer, travestieten, en, op een boot met charleston dansende danseressen na, een handjevol onopvallende lesbiennes. Tijdens de openings- en slotceremonies is de iconografie van de homoseksualiteit identiek: travestieten, matrozen, gespierde mannen en te dikke lesbiennes. Het is alsof de lesbo’s tijdens de spelen niet alleen de lesbofobie maar ook de anorexia de wereld uit willen helpen.
Zichtbaarheid, dat is een van de sleutelwoorden in alle evangelische praat. Maar waarom en hoe moet je zichtbaar zijn als je niet zo heel erg anders bent? Kennelijk is het niet genoeg om als vrouw gewoon een vriendin te hebben, als man gewoon een vriend. Daar kijkt niemand meer van op. De o zo zichtbare homoseksualiteit van nu grijpt terug op de iconografie die stamt uit de gettotijd, toen de homo-identiteit werd vormgegeven tegen de verdrukking in. De zichtbaarheid van nu is folklore. Het is niet voor niets dat de ambassadrice van de Gay Games een travestiet in Volendammer klederdracht is. Avondjurken, hoge hakken, veren stola’s en matrozenpakken - het is de klederdracht voor mannelijke homo’s.
Het is al vaker gezegd: de Gay Games zijn in Nederland geen antwoord op onderdrukking. Dat blijkt ook uit de Nederlandse media, die er welwillend verslag van hebben gedaan. De homospelen vormden, volgens de evaluaties in de kranten na afloop, een 'pretpark voor homotoeristen’, een 'roze kermis’, een homoseksuele Efteling. Daarin hebben de kranten gelijk. De disneyficatie van de westerse homoseksualiteit is een feit. En bij die disneyficatie past dat homoseksualiteit een goedverkopend product is geworden. Natuurlijk heeft het ook iets prettigs dat pretpark te bezoeken. In pretparken draait het behalve om geld om amusement en ontroering. Alleen bewerkstelligen pretparken eerder bevestiging dan een verandering van de wereld