Uit het oog (1)

De honger in ons

We missen musea. Missen de kunst. We zeggen hoi tegen de bekende gezichten op ons lievelingsschilderij. We kunnen niet wachten om sommige kunstwerken weer als oude vrienden te begroeten.

John Singer Sargent, General Officers of World War I, 1922, olieverf op canvas, 29,97 x 52,83 cm © National Portrait Gallery

Eerst mailde mijn favoriete Londense hotel me om mijn reservering door te schuiven, toen om de aanbetaling te restitueren – en toen niets meer. We wachten tot het virale gordijn open schuift en we weer naar onze oude adresjes kunnen uitvliegen, maar hoeveel van die adressen zullen dicht blijven?

Dus ik maak de wandeling in mijn hoofd. Ik stap uit bij Westminster, dat is een metrohalte te ver, maar geeft een fijnere wandeling. Big Ben en Westminster Abbey laat ik links liggen, want die zijn voor de toeristen, en als je in een bekend buitenland bent probeer je jezelf toch telkens wijs te maken dat je geen toerist bent.

De meest directe route gaat over Parliament Street. Dan passeer je links Downing Street, een smal zijstraatje dat zozeer met hekken en politiewagens is afgezet dat je de beroemde voordeur van de ambtswoning niet eens kunt zien. Na de wereldoorlogen werd de straat behangen met grauwe monumenten die aan de oorlogsdoden herinnerden, op de eerste plaats de sombere cenotaaf, het officiële graf van de onbekende soldaat. In Virginia Woolfs Mrs Dalloway loopt mevrouw Dalloway’s voormalige aanbidder Peter Walsh over deze straat en merkt op dat zelfs de straatlantaarns ‘als bajonetten’ omhoog staan.

Misschien straalt de straat ook oorlogstragedie uit omdat er doorgaans veel demonstranten zitten, Chinezen vaak, die tegen de bezetting van Nepal demonstreren, met grote foto’s van mensen die met naald en draad hun mond en ogen hebben dichtgenaaid.

Maar als die straat somber is, dan vertelt het plein waar het op uitkomt een ander verhaal. Trafalgar Square, met de enorme betonnen leeuwen die (waarschijnlijk) ‘Rule Britannia’ brullen, met zeeheld Horatio Nelson hoog en onaantastbaar op zijn sokkel. Oorlog is zo slecht nog niet, impliceert het plein. Zonder gevaar geen helden en zonder helden geen wereldrijk. De zuilen van de National Gallery maken het plein helemaal majestueus. De truc is niet naar de drukke National Gallery te gaan (wees geen toerist), maar er omheen te lopen en dan via de zijingang (wees een kenner) de rustigere National Portrait Gallery in te lopen. De entree is gratis. Beneden, bij de garderobe, runt een Italiaanse familie heel vrolijk het café (de wifi is slecht, de citroencake heerlijk).

De binnenstad van Londen kent een monumentdichtheid die je, in theorie, geen vijftig meter laat lopen zonder op je telefoon Wikipedia te bezoeken om te begrijpen naar wie welk standbeeld nu weer verwijst. En dan zijn daar de koninklijke paleizen, de regeringsgebouwen, naast elke zoveel voordeuren weer een blauw plakkaat met ‘hier woonde…’ Die voorzet van de stad kopt de National Portrait Gallery binnen, met zijn who’s who van portretten van befaamde Britten.

Die wie-is-wie begint met koningen, koninginnen, hertogen. De zestiende en zeventiende eeuw. Als je de korte bijschriften leest blijft het verbluffend dat Engeland nog een aristocratie heeft, als je ziet hoeveel er op het hakblok zijn beland. De schilderstijl zwenkt, als een dronken fietser. Op elk schilderij ziet Hendrik VIII of Elizabeth I er compleet anders uit, je ziet dat kunstenaars een product proberen te leveren zoals dat in de mode was en dat die mode blijkbaar belangrijker was dan natuurgetrouwheid.

De achttiende eeuw is die van de Verlichting, opeens worden de portretten levensechter, en tonen minder adel en meer wetenschappers, dichters, filosofen. De portretten raken dichter bevolkt met kleine details, parafernalia op de achtergrond die een levensverhaal suggereren. Het verhaal van de negentiende eeuw is meer complex. Dat is de eeuw waarin Groot-Brittannië als wereldmacht vrij spel kreeg. Onder koningin Victoria onderwierp het halve continenten, en toch proberen de schilderijen een ander verhaal te vertellen. Ze tonen uitvinders, ontdekkingsreizigers, apothekers, artsen, godsdienstigen, cricketers, spoorwegmagnaten – een meritocratie van wereldverbeteraars. Er zitten weliswaar ook generaals tussen, maar die zijn dan nooit afgebeeld in hun imperiale kracht, maar menselijk, tussen de lokale bevolking of tussen hun gewonde soldaten. Het wereldrijk vond zijn macht glorieus, maar alleen zolang het zichzelf kon voorhouden dat het een goedaardige macht was.

Edmund Allenby staat op het doek net iets voor de rest, te heroïsch met zijn borst vooruit

Wat missen we als we zeggen dat we de musea missen? Natuurlijk missen we kunst. Missen we de spanning die je voelt als je over een tentoonstelling loopt en ineens oog in oog staat met iets waarvan je mond openvalt? Omdat iemand het heeft gemaakt met een kunde of een verbeelding waar jij nooit bij kunt komen, omdat iets wat je niet kende je raakte zoals je dat nooit kon zien aankomen?

We missen vast ook iets in onszelf – wat Philip Larkin beschreef in zijn gedicht Church Going, over hoe hij, ondanks zijn atheïsme, in kerken toch tot stilte en contemplatie verviel. Die diepte overvalt je, of zoals Larkin dichtte: ‘Someone will forever be surprising/ A hunger in himself to be more serious.’ Dit is dezelfde honger die toeristen naar musea drijft, zou je zeggen. Na de genoegens van uitslapen, slenteren, winkelen, overdreven lunchen, stap je een museum binnen en merk je vanzelf dat je zachter praat, meer rechtop loopt. Je wordt een serieuzer mens.

Op andere momenten is de kunst de laagste drempel voor wat je het best ‘de historische sensatie’ kunt noemen. Al die schilderijen in het Prado, het Louvre, het Rijks – ze zijn gemaakt op een specifiek moment, lang geleden, ze legden een veranderende wereld vast die nu niet meer zichtbaar is. Filips IV poseerde voor Velázquez, Banninck Cocq ging voor Rembrandt staan – we kunnen ze zien precies zoals ze die dag ook gezien werden.

Als ik door de Portrait Gallery loop, worden al die in mijn hoofd opgeslagen historische verhaaltjes geactiveerd. Kijk: naast elkaar de politieke tegenstrevers William Gladstone en Benjamin Disraeli, die met z’n tweeën half Azië en Afrika verder koloniseerden. Kijk, daar hangt graaf Kitchener, de meest dominante bevelhebber van zijn tijd, een borstkas vol medailles. Ook een van de meest dominante aanranders. Wanneer hij te gast was in aristocratische landhuizen barricadeerden de verstandigste bedienden (m/v) hun slaapkamerdeuren.

Schuin tegenover hen: ‘the lady with the lamp’, Florence Nightingale, de verpleegster uit de hogere maatschappelijke echelons die vrijwilligerswerk deed in het noodhospitaal in Scutari tijdens de Krimoorlog (1853-1856). Een heldin voor Victoriaans Engeland, de patroonheilige voor vele generaties Britse verpleegsters. Maar het museum heeft naast haar, nog prominenter, sinds een paar jaar het portret van Mary Seacole gehangen. Deze Jamaicaanse reisde op eigen kosten af naar de Krim, werkte in hetzelfde ziekenhuis als Nightingale, en was vele malen daadkrachtiger en hygiënischer. Pas in de laatste jaren is ze door historici herontdekt als de echte heldin van Scutari.

Dit is bewegende geschiedenis – dit is een ademende canon. Elke keer dat je het museum bezoekt zijn er schilderijen weggehaald, nieuwe voor in de plaats gehangen. Het is geenszins een bestraffende herordening, er wordt niemand gecanceld: de weggehaalde stukken komen altijd weer terug, maar dan soms anders gegroepeerd, met de juiste kanttekeningen erbij.

Uit het oog

Zolang de musea in Nederland nog dicht zijn en de musea in het buitenland onbereikbaar, kijken schrijvers vooruit naar de kunst die ze als oude vrienden willen weerzien zodra het virus dat toelaat. Uit het oog, maar niet uit het hart.

In de zaal voor de twintigste eeuw wordt de geschiedenis pas echt opengebroken – daar hangen veel meer vrouwen, meer mensen van kleur, mensen die niet in de juiste families zijn geboren, activisten voor vrouwen- en homorechten. Maar voordat je die zaal in loopt moet je door een klein zaaltje, waar een gigantisch doek hangt. Spreid het uit in het park en je kunt er met een schoolklas op picknicken. De Amerikaan John Singer Sargent (1856-1926) maakte het, in 1922. Het is een groepsportret van de hoogste officieren uit de Eerste Wereldoorlog. Of Sargent maakte zijn modellen mooier dan ze waren, óf Sargent schilderde toevallig alleen heel aantrekkelijke mensen. Elk van de mannen ziet eruit als de ideale schoonvader, ze stralen daadkracht en beleefdheid uit, een adel van geest. Maar daar staat veldmaarschalk Haig, die mensenlevens verspeelde alsof ze niet op konden. Op de eerste dag van de Somme gaf hij het bevel dat soldaten die de Duitse posities bestormden niet mochten rennen, want dat stond zo un-gentleman-like. En daar staat, met dat sympathieke gezicht, Lord Rawlinson, die in India iedereen die om onafhankelijkheid vroeg te zwaard en te vuur het zwijgen wilde opleggen. Rechts staan Botha en Smuts, Zuid-Afrikaners, die bedoeld of onbedoeld aan de bakermat stonden van de apartheid. Er schijnt door het groepsportret een verhaal heen. Er zit een onneembare kloof tussen de kalmte en deftigheid die ze hier uitstralen, en de ellende die ze in het leven hebben veroorzaakt.

Maar er is een uitzondering. De enige man die er en profil tussen staat: Edmund Allenby. Vergeet T.E. ‘Lawrence of Arabia’, Allenby was de echte drijvende kracht achter de Arabische opstand die het Ottomaanse Rijk ten val bracht. In 1917 verdreven ze de Turken uit Palestina en in december 1917 namen ze Jeruzalem in. Bij een van de poorten stapte Allenby van zijn paard en betrad te voet de heilige stad. Het werd gezien als een publiek symbool van nederigheid – een diplomatieke meesterzet dus. Maar het was ook de daad van een man die kort daarvoor te horen had gekregen dat zijn enige kind was gesneuveld bij Ypres, en niet meer het gevecht in zich had. In de jaren na de oorlog werd hij als te mild gezien.

Allenby staat op het doek net iets voor de rest, te geposeerd, te heroïsch met zijn borst vooruit starend naar de horizon. Een stijlbreuk. Is het een photobomb? Met toestemming van Sargent? Ik kan me nooit aan het idee onttrekken dat hij expres op het artificiële wijst, op de propaganda.

Is het mijn lievelingsschilderij? Vast niet, maar hoe weet je ooit wat je favoriete kunstwerk is? Maar telkens als ik in de National Portrait Gallery ben laat ik geen kans voorbij gaan om langs alle bekende gezichten te lopen, en hoi tegen ze te zeggen.