Het Migrantenmuseum

De honingpot

De bijen vlogen niet om alle afgesneden hoofden heen. Nee, het gezoem om het hoofd kon je alleen horen als het in een honingpot was gezet. En waarom een hoofd in een honingpot geplaatst werd? Ik weet wel waarom. Ik heb erover gelezen. Ik heb ook films gezien waar dit dierbaarste lichaamsdeel van de onthoofde man in een honingpot gezet werd en op een paard vervoerd werd. Het klinkt nogal vies, maar deze praktijk was wel een noodzakelijke.
Onze honingpot lijkt zo veel mogelijk op zijn voorgangers. Hij is groot en van klei gemaakt. De museumbezoekers kijken met verbazing naar de pot waar de hele tijd twee, drie of vier bijen omheen vliegen.
Zit er een echt mensenhoofd in? Mocht dat zo zijn, waarom doen de autoriteiten niets aan deze barbarij? De museumbezoekers morren en klagen wel, maar het weerhoudt ze er niet van om de volgende dag weer een museumkaartje te kopen om de honingpot, met misschien wel een hoofd erin, te bekijken.
Sinds de honingpot in het museum staat, hebben we geen gebrek aan bezoekers. De honingpot heeft ons behoed voor sluiting. Dankzij de honingpot kunnen ik en het nieuwe bestuur van het Migrantenmuseum het ons zelfs permitteren om een keer in de week met z’n allen tot drie uur in de nacht bier te drinken in een bar.
De museumbezoeker is uiteraard politiek correct genoeg om schande te spreken over de mogelijkheid dat er een echt hoofd in de honingpot bewaard wordt. Maar de museumbezoeker zou geen museumbezoeker zijn als die na een poosje niet ging fantaseren over wiens hoofd misschien in de honingpot bewaard wordt.
‘Is het waar dat een zwerver zijn hoofd vrijwillig heeft aangeboden voor de honingpot?’
‘Nee, ik heb van een betrouwbare bron gehoord dat het het hoofd van de overleden opa van de museumdirecteur is.’
‘Waar wacht de politie nog op? Dit kan toch niet in een land als Nederland?’
‘Misschien zit er wel het hoofd van een incestpleger in. Nou dan heb ik geen bezwaar hoor…’
Sinds de honingpot in het museum staat ben ik niet meer de directeur van het museum, maar de sultan van het gebouw. In de honingpot zit een hoofd dat dankzij de honing tegen het verrotten beschermd wordt. Het is aan mij om, wanneer ik wil, het hoofd eruit te laten halen, het schoon te laten maken en ernaar te kijken.
De sultan baalt van het slechte weer vandaag. Sinds hij van de bijstand heeft gehoord is de nar niet meer wat hij is geweest. Natuurlijk, in de harem waar de vrouwen achter de ramen zitten ben ik altijd welkom, maar de sultan zou geen sultan zijn als hij betaalde voor een dienst die voor hem gratis zou moeten zijn.
Is vandaag de dag dat het hoofd uit de honingpot komt? Nee, laat ik nog even wachten. Nog een paar goede weken draaien in het museum. Misschien op de dood van pa en ma wachten ook, hoeven ze geen verdriet te voelen op hun oude dag.
Slaap, een diepe slaap redt me van verveling vandaag. In mijn droom zie ik het hoofd in de pot praten. ‘Waarom heb je me laten onthoofden?’ vroeg hij en stak zijn tong uit naar me. Op dat moment ging de bel en werd ik wakker. Ik deed de deur open en keek in de donkere ogen van een agent. We gingen naar het museum. Daar maakte ik op last van de politie de honingpot open. We hoorden af en toe het geluid van een voorbijrijdende auto. Het hoofd dat uit de honingpot kwam en schoongespoeld werd glimlachte naar de politie. Zijn tong stak uit naar buiten. Een van de agenten werd kwaad en schreeuwde: ‘Zeg tegen je hoofd dat hij respect moet tonen aan de politie.’
Ik zei toen dat het hoofd ook tijdens zijn leven geen politie gehoorzaamde. ‘Het hoofd in de honingpot is van een van de grootste goddelozen onder de migranten, meneer de politie’, zei ik. ‘Ook tijdens zijn leven gehoorzaamde hij geen autoriteit. De sultan kon niet anders dan zijn hoofd opeisen. Dit is de straf die een goddeloze verdient, vroeger en nu.’
‘Maar het is je eigen hoofd dat uit deze verdomde honingpot kwam. Zie jij dat dan niet?’
‘Meneer de politie, tegenwoordig is ieder zijn eigen sultan. Heeft u het nog niet gehoord?’