Het Migrantenmuseum

De hoofddoek

Gisteren, in de ochtenduren, stond ik nog naar de hoofddoek te staren. En vandaag is hij weg. Onze hoofddoek heeft een plek op de receptietafel, meteen bij de ingang van het museumgebouw dus. Het is het enige museumobject dat de bezoekers mogen meenemen uit het museum. Met de voorwaarde dat ze het weer terugbrengen als ze het niet meer nodig hebben. Want laten we eerlijk zijn, de gewone migrant heeft een gespleten persoonlijkheid, dat is geen geheim meer voor u en voor mij. Maar de dochter van de migrant daarentegen, die heeft niet twee, maar net zo veel persoonlijkheden als de jongens van wie ze wil dat ze haar leuk vinden. Wat kunnen we anders dan haar een handje helpen, terwijl ze van de ene zoektocht in de andere belandt?
Gisteren lag hij er nog, de hoofddoek, keurig gevouwen, trouw, bereid om de volgende dochter van dienst te zijn…
Altijd, als de hoofddoek niet meer in het museum ligt, vraag ik onze receptioniste om me het meisje te beschrijven dat de hoofddoek heeft meegenomen. ‘Het was deze keer een lichtblond meisje met donkerblauwe ogen, meneer de museumdirecteur. Ze was eerder te dik dan te mager. Ze had blijkbaar erg veel haast. De hoofddoek deed ze hier al om haar hoofd. Ze vroeg nog of het haar goed stond.’
Ik heb ooit van de rode plekken op de vrouwelijke benen gehouden die ontstaan als de vrouw haar ene been over het andere been gooit. Ik hield van die rode plekken omdat ze aan het meisje toebehoorden dat ik meer liefhad dan alle veertien oudere jongens bij elkaar die de hele dag voor onze school stonden om haar hart te veroveren.
Ik en alle anderen hadden uiteindelijk het nakijken. Dilek wilde namelijk geliefd worden door de bakkerszoon. De bakker zelf dacht aan niets anders dan rijker en rijker worden, maar zijn zoon bezocht de moskee, vastte in de ramadanmaanden en bad tot God voor een vrome echtgenote. Terwijl we ons de hele tijd afvroegen waarom onze Dilek zo was veranderd en een hoofddoek droeg hoorden we weldra dat er al een datum was geprikt voor het bruiloftsfeest van Dilek en de bakkerszoon.
Ik: ‘Jij hoeft geen hoofddoek op hoor. Ik wil je hebben zoals je bent.’
De receptioniste: ‘Ha ha ha, meneer de directeur. Wat bent u toch een grapjas.’
Ik: ‘Inderdaad, ik ben een grapjas. Maar ik ben het niet meer als je verzuimt om me meteen te bellen als die vrouw komt die ik je heb beschreven. Ik heb van een zeer betrouwbare bron gehoord dat ze na haar scheiding van de bakkerszoon een hele tijd geen hoofddoeken meer heeft gedragen, maar de laatste tijd weer aan een hoofddoek denkt omdat ze zoals de meeste migrantendochters denkt dat migrantenmannen alleen serieuze plannen maken met vrouwen die bedekt zijn.’
In de avonduren was de hoofddoek weer terug. Volgens de receptioniste maakte het meisje met het donkerblonde haar niet veel kans, met of zonder hoofddoek.
‘Zijn de broden vers, meneer de bakker?’
‘Uiteraard, meneer de directeur. Hoeveel wilt u hebben?’
‘Ach, laat maar. Ik hoef geen brood. Hoe gaat het met uw gescheiden zoon? Komt zijn ex-vrouw nog wel eens naar onze stad? Waar woont ze tegenwoordig? Ik had gehoord dat ze in Duitsland woonden, niet?’
Mijn telefoon gaat opeens… De receptioniste aan de andere kant van de lijn: ‘Hier is een vrouw die onze hoofddoek omdoet. Ze heeft kastanjebruin haar, grote, zwarte, amandelvormige ogen, kleine tanden en lippen die constant in een houding staan van “kus me”. Kom je even kijken voor de zekerheid?’
Het is inmiddels donker. Ik rij als een gek. Het museum is al langer dan een uur gesloten. Ik betreed het gebouw. Ze zit daar, in mijn stoel, met onze hoofddoek van Syrisch katoen om haar hoofd, met een ondeugende blik kijkt ze naar mij en zegt zachtjes: ‘Kom hier jij. Ik kon je niet langer laten wachten.’
Ik hou haar handen vast, kijk in haar ogen en zeg: ‘Als je geen hoofddoek droeg zou ik je niet willen, schitterende Dilek van me.’
De receptioniste lacht en kust me in de nek. Al de textiel op haar lichaam gooi ik her en der neer. Alleen de hoofddoek raak ik niet aan. Niets beter dan goed personeel…