De hoofdstad van de 21 ste eeuw

Los Angeles. Een steenrijke derde-wereldstad, gebouwd op auto’s en ‘fake’. Maar onder de postmoderne mobiliteit en oppervlakte broeit nog altijd het geweld. En de verveling.

‘HET IS DE MOOISTE STAD ter wereld, gezien vanuit de verte dan.’ Een terloopse wise-crack uit een Philip Marlowe-pastiche uit de jaren tachtig. De vrouwelijke private-eye Cybille Shepherd is in een gestolen auto op weg naar huis in de Hollywood Hills, waarna de camera een zwenking maakt en vanuit de heuvels een stad zichtbaar wordt, een glinsterend wit-grijs vlak met miljoenen stipjes.
Los Angeles heeft zich er geheel op ingesteld dat er in de volgende eeuw nog slechts twee manieren zijn om de stad binnen te gaan: vanuit de lucht of per auto. Geen mens zal deze havenstad per schip aandoen, weinigen zullen Los Angeles, dat voor 1950 een van de grootste spoorwegnetwerken van het land had, per trein bereiken. Dank zij General Motors, dat de spoorwegmaatschappijen eind jaren vijftig simpelweg opkocht en buiten werking stelde, rijden de Angelino’s nu elke ochtend bumper aan bumper van hun eengezinswoning naar het werk - en niemand die klaagt over een gemiddelde reistijd van twee uur heen en twee uur terug. Een parkeerprobleem kent de stad niet: de stad is eigenlijk een verzameling parkeerplaatsen waartussen enkele gebouwen staan. En ondergronds gaat het parkeren vaak nog vijf verdiepingen door.
Alles in Los Angeles staat in de overtreffende trap. De stad heeft de meest diverse bevolkingssamenstelling ter wereld, in welke periode van de menselijke beschaving ook; de ernstigste luchtvervuiling van de Verenigde Staten; het meest uitgebreide stedelijke netwerk van snelwegen (freeways) ter wereld; de grootste immigranteninstroom van Amerika; de hoogste dichtheid aan personenauto’s, in zeventig procent van de auto’s zit slechts een persoon; en Los Angeles is de rijkste derde-wereldstad ter wereld.
Gemakkelijk valt daarom het cliche dat LA een stad van extremen is. Zoals alle cliches vertelt ook dit de waarheid op een verdraaide wijze: de kern van de kwestie is niet het bestaan van uitersten, maar het ontbreken van een centrum. Los Angeles is een eindeloze opeenvolging van 'naast elkaars’, een eilandenrijk van woningen, van wijken, van gemeenten, van regio’s, die stuk voor stuk hun splendid isolation koesteren.
Een verhaal over de stad is dan ook slechts mogelijk als een even eindeloze reeks individuele verhalen, ooggetuigeverslagen die allemaal voor zichzelf spreken. Voor Gram Parsons, de country-rockzanger die eind jaren zeventig aan een overdosis drugs bezweek, is Los Angeles een 'gilded place of sin’ - tevens de titel van de eerste elpee van zijn Flying Burrito Brothers - waar ieder leeft achter 'gold plated doors’, waar je alleen binnenkomt als je je ID kunt tonen. Dat verwijst naar de absurde neiging om zich te verschansen achter muren, hekken, mobiele buurtwachten en gewapende beveiligingsfunctionarissen. De hele stad is vergeven van externe en interne vijanden: zwarten, criminelen, verslaafden, zwervers, maar ook aidslijders, rokers, andersdenkenden, politici, belastingen, huurwoningen, 'Joe Sixpack’ ('Jan met de Pet’), enzovoorts. Vrijwel alles is een bron van angst en een reden zich te verschansen. Gated communities: hoe verder verwijderd van de armenwijken en getto’s, hoe meer de rijkere Angelino’s zich opsluiten in bewaakte en ommuurde wijken vol eendere, in Spaans-koloniale stijl opgetrokken roze villa’s.
'PEOPLE DON’T merge on freeways in Los Angeles.’ De eerste zin van de roman Less Than Zero van Brett Easton Ellis geeft eveneens een perfecte typering van de stad. To merge: invoegen, voorsorteren. Maar ook: bijeenkomen, samenvloeien, ontmoeten. In LA 'communiceert’ men van achter het stuur van comfortabele, geruisloze en grote auto’s. Het stoplicht is hier uitgegroeid tot betekenisvol aspect van het publieke leven, de auto is de vervanging van de aloude lover’s lane geworden. Voor het overige is het overgrote deel van de stad leeg en stil. De trottoirs en goten kunnen alleen maar zo ongelooflijk schoon zijn omdat niemand ze ooit gebruikt.
Volgens Mike Davis, voormalig vrachtwagenchauffeur en medewerker van New Left Review, krijg je het beste zicht op deze stad vanuit de woestijn, vanuit Llano. Llano is een lege plek in de woestijn ten noorden van LA, waar socialistische Angelino’s in de jaren tien de fundamenten voor een sociaal paradijs legden. Het experiment ging ten onder, maar Llano is altijd de plek gebleven waar utopische fantasieen op zijn geprojecteerd. De stichters van Llano bouwden het paradijs hier en nu - en vele architecten zouden hetzelfde doen. De eerste generaties architecten, zowel de Arts & Craft-bouwmeesters Greene & Greene rond 1900 als de vroege modernen als Lloyd Wright en Schindler, vonden in LA de gelegenheid een type woonhuis te ontwerpen en te bouwen waarin moderne technieken een vruchtbare fusie aangingen met een 'natuurlijke’ leefstijl. Schindlers eigen huis (een woning voor twee gezinnen met een gemeenschappelijke woonkamer) getuigt van een naief idealisme: de slaapkamers bevonden zich op het dak, in de open lucht - immers: it nevers rains in Southern California. Schindlers experiment hield niet lang stand, en de slaapkamers bleven ongebruikt. Iedereen die ooit de liefde wilde bedrijven op een volle camping, weet waarom. Bovendien: het regent wel degelijk in LA.
Intussen trekt de stad opnieuw de woestijn in, ditmaal onder aanvoering van niets ontziende projectontwikkelaars, die de unieke Joshua Trees wegbulldozeren om de droom van LA levend te houden: de eengezinswoning in een veilige en natuurlijke omgeving. Nergens wordt zoveel natuur vernietigd om een natuurlijke leefwijze te realiseren. In Llano zal over niet al te lange tijd een nieuwe middeleeuwse vesting verrijzen. Rose, in Spaans-koloniale stijl.
Nog een ander verhaal is het relaas van de honderdduizenden billboards in Los Angeles. Deze stad kan niet zonder commentaar. Als automobilist sta je voortdurend bloot aan de meest uiteenlopende mededelingen, oproepen, waarschuwingen, verleidingen, woorden en beelden die je meer dan levensgroot toeschreeuwen, langs de kant van de weg, boven gebouwen, op straathoeken, overal. De simpelste mededeling bevindt zich onveranderlijk rechts van het stoplicht, op ooghoogte van de chauffeur: 'Als u dit kunt lezen, kunnen uw klanten het ook! Bel:….’ Het is de moeder van alle billboards. De mooiste mededeling komt van een leverancier van gashaarden: 'It’s hard to spot the fakes in this town.’ Dat slaat de spijker op zijn kop: fakes, namaak is moeilijk van echt te onderscheiden in LA, simpelweg omdat Los Angeles de stad van de namaak is.
Alles hier is fake; fake is hier echter dan echt. Van de overdosis palmen en satellietsteden met 'Palm’ in hun naam (Palmdale, Palm Springs) tot en met de siliconenborsten van de rolschaatsende meisjes op Venice Beach en de replica-Romeinse villa van het Paul Getty Museum. Mooiste voorbeeld is de City Walk. Bij gebrek aan betekenisvolle publieke ruimte en rekening houdend met de endemische smetvrees van de middle class Angelino werd een flaneerstraat ontworpen die alleen per auto bereikbaar is. Je parkeert je wagen in een ondergrondse parking en je parkeerkaartje verleent je vervolgens toegang tot een klein wandelparadijs vlak bij de Universal-filmstudio’s, de City Walk. En daar paradeert welvarend LA tussen winkels vol gimmicks en gadgets, etalages als kermisattracties en gevels die stuk voor stuk replica’s zijn van elders in de stad gelegen gebouwen. Hier, zo zou je kunnen zeggen, is de stad op haar eerlijkst, hier komt haar 'ware aard’ vanuit de parkeergarages naar boven gekropen. Hier is de stad wat zij voor velen echt is: een afbeelding van een stad.
DE ARCHITECTUURCRITICUS Charles Jencks viert LA als 'heteropolis’, als de ideale mix van uiteenlopende culturen, stijlen en etniciteiten. Het is niet zo moeilijk om hier een postmoderne evocatie van mobiliteit en oppervlakkigheid op te roepen, of een heerlijk amoreel vertoog over de leegte van de stad af te steken. Los Angeles is misschien wel de bron bij uitstek geweest van dergelijke impressionistische esthetica’s, die ons slechts voorhouden dat we leven in een namaakwerkelijkheid en dat we elk moment een duizelingwekkende val in een andere, virtuele werkelijkheid kunnen maken, de netwerkrealiteit van de cyberpunks. Zulke fantasieen worden in leven gehouden door een onhoudbare fixatie op hetgeen zichtbaar is aan de stad, dat wil zeggen: op de eindeloze circulatie van beelden die de stad van zichzelf genereert. Maar Los Angeles is eigenlijk voor het overgrote deel onzichtbaar.
De meest concrete 'onzichtbare’ plattegrond is die van het water. Zonder water bestond de stad niet; Los Angeles is voor het overgrote deel in de woestijn gebouwd. Tweederde van het watergebruik van de regio Southern California komt van elders. Het in 1928 opgerichte Metropolitan Water District, een van de machtigste organisaties in Zuid-Californie, is de belangrijkste leverancier van dat water. Dank zij miljardeninvesteringen ligt er nu een duizenden kilometers lang systeem van aquaducten dat garant moet staan voor de comfortabele levensstijl van de Angelino’s: het meeste water gaat op aan tuinonderhoud en de duizenden privezwembaden. De stad is dus zelfs fake wat betreft de vochtigheid.
De laatste jaren zwelt de discussie over de klimatologische gevolgen van dit type watervoorziening aan. De aanhoudende bevolkingsgroei geeft aanleiding tot diverse doemscenario’s: waterrantsoenering, uitdroging van de bronnen en toenemende kans op aardverschuivingen. Maar ondanks het vrij hoog ontwikkelde ecologische bewustzijn van de Californiers en de enorme diversiteit aan milieupressiegroepen lijkt van een serieus waterdebat geen sprake te zijn. Een stad die honderden grotere en kleinere aardbevingen overleeft, ligt niet wakker van ecologische rampstatistieken.
ONZICHTBAARDER NOG dan het water is de macht in Los Angeles. Vooral de politieke macht. Het stedelijk gebied van Zuid-Californie is onderverdeeld in tientallen kleinere gemeenten, en de gemeente Los Angeles loopt zonder duidelijke grenzen aan alle kanten over in gemeenten als Pasadena, Beverly Hills en Santa Monica. De verkaveling van de politieke macht in de regio is een van de grootste problemen. Grote infrastructurele projecten, op de watervoorziening en de freeways na, stuiten keer op keer op onneembare barrieres. Zo wordt de aanleg van een nieuw metronet (na jaren stilte op het front van het openbaar vervoer) ernstig gefrustreerd door de nimby-politiek (not in my backyard) van welvarende gemeenten als Beverly Hills. Een metrostation in Beverly Hills betekent zoveel als een invasie van het zwarte gevaar: armoede, bedelarij, coke, crack en aids.
De overheid is behalve versplinterd ook in andere opzichten van weinig betekenis. Niets staat hier in een zo laag aanzien als de gemeentepolitiek. De macht is vrijwel geheel in prive-handen, en dan gaat het niet alleen om de grote ondernemingen: ook de dagelijkse organisatie van buurten en wijken ressorteert veelal onder semi-legale organisaties van wijkassociaties, die zonder uitzondering bestaan uit huis- en grondeigenaren. Deze associaties beheren en bewaken hun buurt of wijk, en wel volgens de aloude tradities van de vele religieuze gemeenschappen die hun stempel hebben gedrukt op de Amerikaanse geschiedenis: de buitenwereld wordt consequent opgevat als een dreiging, de gemeenschap sluit zich daarvoor af en controleert de eigen moraal op nauwgezette wijze.
De recente privatisering van de (sociale) woningbouw in Nederland doet vermoeden dat wij voor een realistisch toekomstscenario wel eens het beste te rade kunnen gaan bij de volkshuisvesters van Los Angeles. Zij beschikken voor een bevolking van drieeneenhalf miljoen inwoners over een jaarlijkse begroting van zes miljoen dollar - nog niet voldoende voor de reparatie van de kranen. Sociale woningbouw en huisvesting als regulier programma ontbreken dan ook. Een tot twee procent van de bevolking is permanent thuisloos, honderdduizend Angelino’s zijn dat minstens een keer per jaar voor langere tijd. Een kwart van de huurhuizen is permanent overbevolkt en velen betalen meer dan de helft van hun inkomen aan huur.
Dergelijke cijfers steken schril af tegen het gangbare beeld van deze stad: het beeld van een eindeloze keten van breed bemeten eengezinswoningen met dubbele garage, tuin en zwembad in een lommerrijke en zonovergoten entourage. Qua vierkante meters klopt dat beeld, en daarom ook spreekt Sally Richman van de afdeling volkshuisvesting van LA over haar stad als 'de dichotome versie van de Amerikaanse droom’: dichtheid versus absolute mobiliteit. De dichtheid geldt hier niet de bebouwing, zoals in de meeste andere moderne steden, maar de bewoning. Te veel mensen opeen gestapeld in te kleine, te dure appartementengebouwen. En de absolute mobiliteit geldt voor de grote minderheid van de bevolking, de meestal blanke en Aziatische huiseigenaren die voor hun luxe en veiligheid slechts een concessie hoeven te doen: het urenlang fileparkeren als een dagelijkse gang naar Mekka. Die concessie valt op te brengen, dank zij de zwaar gesubsidieerde benzine (die is nagenoeg gratis naar Europese maatstaven) en het omvangrijke en perfecte wegennet, dat ongeveer veertig procent van het gehele oppervlak van de regio in beslag neemt.
NIET ECHT ONZICHTBAAR zijn de zwarten in LA, acht procent van de bevolking. Die dienen dan ook onzichtbaar te worden gemaakt. Dat is in LA gelukt, afgezien van de Watts- rellen in de jaren zestig en de explosie van geweld en plundering die volgde op de Rodney-King-affaire in 1992. Voor de blanke Angelino’s (bijna de helft van de bevolking) is de zwarte bevolking effectief onzichtbaar gemaakt: zwarten, en vooral zwart geweld, zie je op televisie, niet op straat. De arme, zwarte bevolking is steeds verder terugggedrongen naar het zuiden van de stad, terwijl de rijkdom zich vooral in de noordelijke heuvels ophoudt. Zelfs de Rodney-King-rellen troffen alleen de zwarten zelf, en de Koreaanse middenstanders die in de zwarte wijken hun zaakje hadden. Ook het meer alledaagse zwarte gang-geweld is vrijwel geheel een zwarte aangelegenheid. De schizofrenie van de stad in optima forma: een liberale, multi-etnische en verdraagzame gemeenschap (huwelijken tussen blanken en Aziaten zijn zeer gangbaar bijvoorbeeld), maar ook een diepe kloof tussen de grote uitzichtloosheid van de zwarte gemeenschap en de vrolijke smeltkroes van fortuinlijk Amerika, met daar tussenin de hispanics, niet welvarend maar evenmin hopeloos.
Het is niet zo moeilijk om aan Los Angeles enkele scenario’s voor de Nederlandse urbanisatie in de komende eeuw te ontlenen. De manier waarop de diverse stedelijke kernen van de Randstad geleidelijk naar elkaar toegroeien, vertoont alle trekken van de urban sprawl van Zuid-Californie. Ook hier bouwen projectontwikkelaars bij voorkeur eengezinswoningen met tuin en garage. Rem Koolhaas noemde de suburbanisatie in Nederland de grootste ecologische bedreiging voor de komende jaren. Volgens David Stein, hoofd planning van de Southern Californian Association of Goverments (een soort provincie Rotterdam, maar dan met een oppervlakte van 100.000 km2) is het in Los Angeles al zo ver. De stad heeft de ernstigste luchtvervuiling van de Verenigde Staten.
Ook in sociale en economische zin toont LA wat de 21ste eeuw hoogst waarschijnlijk te bieden heeft aan grote stedelijke centra in het 'Westen’. LA draait vooral op de dienstensector en de computerbranche; de werkgelegenheid in de zware industrie neemt af door bezuinigingen op defensie. De structurele werkloosheid van ongeschoolden is dan ook endemisch. En de reaganomics werden niet voor niets hier uitgevonden. Hier is niets te bezuinigen op overheidsuitgaven - de overheid geeft al nauwelijks iets uit. Planning en infrastructurele projecten worden verder voortdurend gefrustreerd door de zogeheten juridische ziekte. De paar woningbouwprojecten met een zekere alternatieve uitstraling (middelhoogbouw, aandacht voor wijkvoorzieningen en openbare ruimte) werden zo tien tot vijftien jaar vertraagd door processen van naburige eigenaars, wantrouwige milieugroepen en de 'wijkassociaties’.
DE ONGEKENDE MOBILITEIT zorgt bovendien voor een ander curieus sociaal effect: de afwezigheid van contact tussen de generaties. Jongeren verliezen vaak al vroeg het contact met hun ouders, omdat zij zelf of juist hun ouders voortdurend verhuizen, hun baan achterna. LA is een stad zonder bejaarden; die leven samen in de bejaardenparadijzen aan de rand van de stedelijke conglomeratie of in goedkope mobil homes in de woestijn. Hier past de term individualisering niet eens meer; beter is het te spreken van sociale segmentering: iedere leeftijdsgroep, iedere inkomensgroep, iedere etnische groep een afzonderlijk lapje van het ruimtelijk tapijt. Sociale smetvrees als organisatieprincipe in de tapijtmetropool.
Is Los Angeles de hoofdstad van de 21ste eeuw? Architectuurcriticus Charles Jencks, uitvinder van de 'LA School’ van architecten, ziet in de stad vooral het embleem van een toekomstige pluralistische en democratische stedelijke realiteit. Hij roemt de stad als heterogeniteitsmachine en het pragmatisme van haar bevolking. Maar ook Jencks is het niet ontgaan dat er in 1992 een golf van geweld door South Central LA heen trok. De gemiddelde Angelino lijkt dit raciale geweld als een natuurverschijnsel te beschouwen, zoiets als de aardbevingen en bosbranden. David Stein en Mike Davis zijn een stuk pessimistischer, zij signaleren een gevaarlijk machtsvacuum. Davis wijst op de economische richtingloosheid: er is geen leidende kapitaalgroep meer, het 'oude’ kapitaal (joods, protestants, downtown) en het 'jonge’ kapitaal (vooral Aziatisch, in Beverly Hills) houden elkaar in evenwicht, zonder nieuwe economische routes uit te stippelen. Stein ziet het meer als een algemeen Amerikaans probleem: politiek bevindt het land zich in een pijnlijke overgangstoestand van een traditionele, piramidale gezagsverhouding naar een situatie waarin nieuwe gezagsrelaties nog onduidelijk zijn. Wat Jencks ziet als openheid en heterogeniteit is in Steins ogen ambivalentie en onoverzichtelijkheid. Niemand weet het meer. Bovendien mist Amerika een bureaucratische continuiteit die doorwerkt waar de politiek een zaak van korte-termijnsuccessen is geworden.
In die politieke, sociale en ruimtelijke chaos klinkt om de haverklap het toverwoord community als antwoord op alle problemen. Gemeenschapsvorming en gemeenschapszin moeten een halt toeroepen aan de woekerende fragmentering van het leven in deze (derde-)wereldstad. Liberals, kritische geesten en zelfs marxisten trachten nieuwe inhoud te geven aan dit juist hier zwaar belaste begrip.
Intussen heerst in de propere en veilige buitenwijken van de stad een immense rust, die slechts zo nu en dan even wordt verstoord. Zoals toen Dave Adkins (17) uit Pasadena een blauwtje liep en het meisje overhoop schoot. Of toen die andere zeventienjarige uit Northridge, LA, zijn vader met diens eigen geweer neerknalde omdat hij klaagde over de luide muziek van zijn zoontje. De inmiddels gearriveerde politieauto gaf hij eveneens de volle laag, waarbij hij een agente dodelijk trof, om vervolgens zichzelf door het hoofd te schieten. Ook deze individuele gewelderupties zijn een soort natuurverschijnsel in de rijke, blanke delen van de stad. Dat verschijnsel heet: verveling. En volgens Davis Stein is het ondoenlijk een community te bouwen op basis van verveling.