Verloren jaren voor Zuid-Amerika

De hoogmoed van een continent

Met het verdwijnen van de militaire dictaturen leek Latijns-Amerika het in de jaren negentig helemaal te gaan maken. Nu verkeert het gebied in een zware economische crisis. Wat ging er mis? Jan van der Putten, voormalig Latijns-Amerika-correspondent voor de Volkskrant over de verloren jaren van een rijk continent.

In de jaren tachtig liepen de meeste militaire dictaturen in Latijns-Amerika op hun eind. De generaals, die naar eigen zeggen de macht hadden gegrepen om het vaderland te redden van subversieve communisten en corrupte politici, hadden met hun staatsterrorisme en doorgaans desastreuze economische politiek vrijwel overal ravages aangericht. De steun waarop ze aanvankelijk konden rekenen, waren ze kwijt. De mensenrechtenpolitiek van de toenmalige Amerikaanse president Carter deed de rest.

In sommige landen dropen de militairen af met de staart tussen de benen, in andere onderhandelden ze langdurig over de voorwaarden voor hun terugkeer naar de kazernes. Een lange nachtmerrie was voorbij. In het ene land na het andere kwamen democratisch gekozen regeringen aan de macht. Latijns-Amerika leek eindelijk de weg te hebben gevonden naar ontwikkeling, verdraagzaamheid en vrede. Na alle trauma’s en verloedering gingen de Latijns-Amerikanen met een nog zelden vertoond optimisme de jaren negentig in.

Hun optimisme is hoogmoed gebleken, of misschien naïviteit, of allebei. Twee decennia later bevindt de democratie ten zuiden van de Río Grande zich in een precaire staat. Ze kan de oude problemen van militarisme, onderontwikkeling en een welvaartskloof niet aan. De nieuwe trouwens ook niet, zoals de massale drugshandel, de globalisering en de strijd tegen het terrorisme. De illusies van toen kenden geen grenzen. De democratische regeringen zouden eindelijk welvaart brengen, en voor een groeiende minderheid meer dan dat. De middenklasse zou immers steeds groter en rijker worden en zich de hedonistische levensstijl van de bovenklasse kunnen veroorloven.

Het is omgekeerd uitgepakt. Het antihedonisme viert hoogtij: de middenklasse verpaupert, het lompenproletariaat dijt uit, in de informele sector van de economie scharrelen steeds meer mensen een miserabel bestaan bij elkaar.

Vrijwel overal op het continent stagneert de economie of holt ze achteruit. Argentinië, eens een van de tien rijkste landen ter wereld, is de eerste Latijns-Amerikaanse staat die bankroet is gegaan. Brazilië is de volgende kandidaat. Overal zijn werkloosheid, armoede en criminaliteit sterk toegenomen. Zelfs in het kalme Costa Rica worden de huizen tegenwoordig beveiligd met prikkeldraadversperringen en tralies voor de ramen.

Niet dat het de wereld veel kan schelen. Nu de guerrillaromantiek verleden tijd is, de Pinochets seniel worden en het communistische gevaar is geweken, is Latijns-Amerika niet zo interessant meer. Neem Midden-Amerika. Tijdens de Koude Oorlog was het wereldnieuws omdat het heette dat daar de strijd werd uitgevochten tussen het communisme en het Vrije Westen. Tegenwoordig is het overgelaten aan zijn lot.

Nicaragua had Somoza, de sandinisten en de contra’s — tegenwoordig heeft het alleen nog maar armoede. In El Salvador heersten een slagersregime en het Farabundo Martí Bevrijdingsfront — tegenwoordig woedt er alleen nog maar de onderontwikkeling. Guatemala was het toneel van genocide en verzet — tegenwoordig alleen nog maar van uitbuiting en sporadisch geweld.

In verscheidene landen van het continent heeft het militarisme weer de kop opgestoken. Staatsgrepen zijn niet meer populair, maar dat betekent niet dat de militairen zich beperken tot het uitoefenen van hun eigenlijke taak, de nationale defensie. Met uitzondering van in Colombia en Mexico is moord niet meer de gebruikelijke manier om conflicten op te lossen, maar de Latijns-Amerikaanse maatschappij is er niet rechtvaardiger op geworden.

Waarom heeft de democratie het zo slecht gedaan? Zó slecht dat ze voor veel Latijns- Amerikanen een vies woord is geworden en politici worden gezien als een verachtelijk mensenras?

De vraag over het democratisch tekort van Latijns-Amerika kwam aan de orde op het door Radio Nederland Wereldomroep georganiseerde internationale radiocongres «Voor een cultuur van de vrede» vorige maand in San José, de hoofdstad van Costa Rica, het enige Latijns-Amerikaanse land zonder leger. Een Nobelprijswinnares voor de vrede, mensenrechtenexperts, generaals die een grote rol hebben gespeeld in de democratiseringsprocessen in hun landen, een oud-president, diplomaten, onderzoekers, schrijvers en journalisten uit Latijns-Amerika en Europa schilderden een verontrustend beeld.

Een van hen zei dat de zwakte van de democratie de militairen tot interveniëren verleidt. Maar is dat niet zoiets als de kip en het ei? Is de zwakte van de democratie niet het gevolg van de interventiedrang van de militairen? Hun erfzonde dateert van lang geleden. Militairen leidden bijna twee eeuwen terug de Latijns-Amerikaanse landen naar hun onafhankelijkheid, krijgsheren organiseerden de staatsvorming, de strijdkrachten werden politieke legers.

Niet de denkers drukten hun stempel op de inrichting van de samenleving — Latijns-Amerika heeft nooit een Verlichting gekend — maar de generaals. Het resultaat was een aartsconservatieve maatschappij, bestuurd door de drie-eenheid leger-grootgrondbezitters-kerk. Het leger was de gewapende arm van de maatschappelijke elite, die bij een crisis al snel op de kazernepoort klopte.

Voor burgerpolitici met hun intriges en corruptie voelen de militairen vanouds diepe minachting. Ze zagen zichzelf als superieure politici met een natuurlijke leidersroeping, als de «morele reserve» van het vaderland. Alleen in Chili en Uruguay schoot de democratie wortel, dankzij competente burgerregeringen en de afwezigheid van ernstige conflicten — totdat in de jaren zeventig de militairen in naam van de strijd tegen het communisme ook daar de macht grepen.

Er zijn continentale golven van militaire interventie te onderscheiden. De beurskrach van 1929 leidde tot een serie staatsgrepen. Een veel heftiger golf volgde in de jaren zestig en zeventig. Het was volop Koude Oorlog, op Cuba was Fidel Castro aan de macht gekomen en in veel landen waren linkse partijen of guerrillabewegingen in opkomst. Om dit gevaar te keren, pasten de militairen de totalitaire doctrine van de Nationale Veiligheid toe, die alle excessen rechtvaardigde in naam van het hoogste goed, de veiligheid. Die doctrine is allesbehalve dood: ze is de hoofdofficieren van nu tijdens hun opleiding met de paplepel ingegoten.

In progressieve kringen is het lange tijd gebruik geweest de schuld voor de staatsgrepen te geven aan de Verenigde Staten en de schuld voor Latijns-Amerika’s onderontwikkeling aan de onrechtvaardige verhoudingen tussen Noord en Zuid in het algemeen en aan het Amerikaanse imperialisme in het bijzonder. Onzin is dat natuurlijk niet, integendeel. Lang voordat de Verenigde Staten de enig overgebleven wereldmacht werden, was in naam van de Monroe-doctrine («Amerika voor de Amerikanen») Latijns-Amerika al gedegradeerd tot achtertuin van de VS. Washington organiseerde tientallen staatsgrepen en invasies, doordrenkte de Latijns-Amerikaanse militairen met het rechtse gedachtegoed en assisteerde bij de repressie. Henry Kissinger was als nationale-veiligheidsadviseur en daarna minister van Buitenlandse Zaken een expert in die agressieve toepassing van de Monroe-doctrine. De pogingen om hem voor zijn sleutelrol in de staatsgreep van Pinochet ter verantwoording te roepen, zouden nog niet zo lang geleden, toen het strafrecht nog niet de nationale grenzen had overschreden, absurd hebben geleken.

Ook over de Amerikaanse economische machtspositie kan geen twijfel bestaan. Amerikaanse transnationale ondernemingen en financiële instellingen maken in Latijns-Amerika meer dan ooit de dienst uit. De neoliberale globalisering prijst het continent uit de markt en ontneemt de staten hun leidende rol in de economische ontwikkeling, voor zover daarvan na de golf van privatiseringen iets over is. Steeds meer komen de beslissingen te liggen bij instanties en personen die de Latijns-Amerikanen niet hebben gekozen. De multinationals en de financiële speculanten worden immers niet geleid door de wetten van de democratie, maar uitsluitend door die van de markt.

Een nieuw extern gevaar bedreigt Latijns-Amerika: de Amerikaanse strijd tegen het terrorisme. Deze dreigt evenzeer de breedte in te gaan als de strijd tegen het communisme gedurende de Koude Oorlog. Zoals destijds alle vormen van oppositie het etiket «communisme» kregen opgeplakt en navenant werden aangepakt, zo lijkt Bush’ adagium «wie niet met ons is, is tegen ons» hetzelfde effect te krijgen: de uitbreiding van de strijd tegen het terrorisme tot een breed scala van andersdenkenden.

Maar dit zijn niet de enige oorzaken van de continentale kwalen. Voor het egoïsme van de lokale elite, de onderdanigheid van de regeringen jegens Washington en hun slechte bestuur had men ook vroeger wel oog, maar die factoren vielen in het niet vergeleken bij de allesoverheersende rol die de Amerikanen werd toegeschreven. Er was echter één binnenlandse factor die zeker niet kon worden genoemd, want het was politiek niet correct om de beschuldigende vinger uit te steken naar «het volk»: het conservatisme van wat in het linkse jargon «de massa’s» heette.

Egoïsme. Veel landen van Latijns-Amerika, speciaal de grotere, zijn helemaal niet arm. Alleen is hun rijkdom bar slecht verdeeld. Zo was het vroeger, zo is het nog steeds. De rijken weigeren, democratie of geen democratie, iets van hun rijkdom af te staan. Ze ontduiken de belastingen en schrijven de armoede van hun landgenoten graag toe aan vermeende luiheid. Omdat de leiders zelf uit de elite afkomstig zijn, zullen uit die hoek de veranderingen niet komen. Ook niet van een man als Fernando Henrique Cardoso, eens een linkse sociologische goeroe, als president van Brazilië praktisch de gevangene van de aristocratie.

Onderdanigheid. De eerste reis die Latijns-Amerikaanse presidenten na hun installatie maken, voert hen naar Washington. Daar komen ze de zegen en de instructies halen van hun Amerikaanse collega, die ze beschouwen als hun natuurlijke leider. Alsof de belangen van het Noorden en het Zuiden van Latijns-Amerika hetzelfde gewicht in de schaal zouden leggen.

Slecht bestuur. Alles wordt beloofd, bijna niets wordt uitgevoerd, en wát er wordt gedaan, deugt vaak van geen kant. De Chileen Ricardo Lagos is onder de Latijns-Amerikaanse presidenten een uitzondering. Vicente Fox, ex-president van Coca-Cola Mexico, beloofde gouden bergen. Hij heeft niets gedaan. Hij is de enige niet.

Conservatisme. Tegenover de leiders die bij Washington in het gevlij willen te komen, staan de «volksmassa’s» die, zo leerde het marxistische boekje, zich slechts van hun ellende bewust hoefden te worden om in opstand te komen. Dat gold misschien voor de Chinese boeren in de tijd dat Mao de revolutie predikte, maar het geldt niet voor de Latijns-Amerikanen. Die kiezen juist bij voorkeur een leider die ze volgens het boekje als hun klassenvijand moeten zien. Kijk naar Nicaragua, waar een kompaan van de vorige president, een notoir corrupte figuur tegen wie nu een proces loopt, tot president is gekozen. Of kijk naar Colombia, waar de meest conservatieve presidentskandidaat een absolute meerderheid heeft gehaald. Het volk — het is voor de overlevende revolutionairen bitter om te moeten constateren — is in hart en nieren behoudend.

Al deze factoren maken de democratieën inherent zwak. Ze worden nog verder ontkracht door de groep die vanouds het politieke vacuüm pleegt te vullen: de militairen. Her en der treden de militairen weer op de politieke voorgrond.

De dictaturen hebben een zware hypotheek gelegd op de regeringen die hen zijn opgevolgd. Een dictator die het veld ruimt, pleegt voor zichzelf en zijn officieren straffeloosheid te bedingen. In Suriname zijn de decembermoorden nog altijd onbestraft, in Chili werd Pinochet senator-voor-het-leven. In Argenti nië zette president Alfonsín de militaire dictatoren gevangen, maar latere amnestieën maakten dit weer ongedaan. Alleen de grootste boeven hebben nu huisarrest.

Als de roep om gerechtigheid niet sterk genoeg klinkt, gaat de afgang van de militairen niet verder dan een terugkeer naar de kazernes. Zelden onderwerpen ze zich volledig aan de democratische spelregels. Ze blijven zichzelf zien als een autonome macht. De democratische regering heeft geen vat op hen. Vaak is zelfs het omgekeerde het geval.

Zoals in Guatemala. De 39-jarige binnenlandse oorlog kostte twee miljoen doden en vijftigduizend vermisten. Volgens de akkoorden van de jaren negentig omhelsde de guerrilla de democratie. De militaire organisatoren van de genocide onder de indianen bleven echter onbestraft. Ze trekken nu weer aan de touwtjes. Vorig jaar zijn twintig mensenrechtenactivisten vermoord en zeventig met de dood bedreigd. De daders gaan vrijuit. Generaal Efraín Ríos Montt, lid van een protestantse sekte, die als president de uitroeiingscampagne bijbelse allure gaf, is parlementsvoorzitter en leider van de regeringspartij.

Ecuador lijkt rijp voor een nieuw militair regime. In Peru zijn onder burgerpresident Alejandro Toledo weliswaar tientallen militaire criminelen van het vorige bewind achter slot en grendel gezet, maar het leger is zijn macht niet kwijt. Toledo lijkt zich daar al bij voorbaat bij te hebben neergelegd. Bij onlusten vorige maand na de aankondiging van de nationalisering van nutsbedrijven deed hij niet een beroep op de politie, maar op de strijdkrachten.

In Venezuela is in de parachutistengeneraal Hugo Chávez een militaire populist opgestaan die de schrik van de rijken en de held van de armen is. Zijn populariteit illustreert pijnlijk de mislukking van de democratie: de armen van Venezuela zijn niet geïnteresseerd in democratie maar in brood op de plank.

De mondiale strijd tegen het terrorisme, of wat daarvoor doorgaat, dreigt de democratie nog verder te ondergraven. Colombia wordt Latijns-Amerika’s eerste proeftuin voor de toepassing van de nieuwe prioriteit van Washington; Europa heeft al zijn toestemming gegeven door de guerrillabeweging Farc op de lijst van terroristische organisaties te zetten. De Latijns-Amerikaanse militairen hebben er nieuw zelfvertrouwen door gekregen. Voor hen is alsnog het bewijs geleverd van het eigen gelijk in hun strijd tegen het «communistische terrorisme». De leer van de Nationale Veiligheid heeft een nieuwe rechtvaardiging gekregen.

Maar wat dan? Geweld is geen optie. Met de guerrilla is het slecht afgelopen: in de pan gehakt zoals in Argentinië, verworden tot narcocriminaliteit zoals in Colombia, door de mand gevallen na de verovering van de macht zoals de sandinisten in Nicaragua, op z’n best gepacificeerd zonder iets te hebben bereikt zoals in El Salvador.

Democratie is de moeilijkste van alle staatsvormen. In Latijns-Amerika met zijn vastgeroeste, conservatieve structuren en zijn opdringerige noorderbuur, lijkt ze haast onmogelijk.