Herman Franke, Wolfstonen

De horden staan voor de deur

Herman Franke

Wolfstonen

Uitg. Podium, 524 blz., € 25,-

Herman Franke vertelt in zijn nieuwe, ambitieuze roman Wolfstonen een giftig sprookje. Acht mensen, allemaal met een redelijk tot goede achtergrond, allemaal afkomstig uit de middenklasse, betrekken in een naamloze grote stad midden in een volksbuurt een nieuwbouwappartement, en wat er daarna gebeurt. In toenemend schrille kleuren schetst hij de grote verschillen tussen deze acht figuren aan de ene en de hun omringende, uitermate bedreigende omgeving aan de andere kant. De kinderen Milla (dochtertje van autochtone buurtbewoners) en Jacho (zoontje van allochtonen) fungeren als toeschouwer en contrast in sterk van de rest afwijkende tussenstukken. Wat de volwassenen niet lukt, daar slagen zij wel: tussen hen ontstaat een langzamerhand steeds hechter wordende liefde.

Zo verteld lijkt dit allemaal op een klassieke negentiende-eeuwse tendensroman in de trant van Emile Zola of Eugène Sue waarin personages typen vertegenwoordigen, de verhaallijnen zich langs een noodzakelijk noodlotsstramien voltrekken en waarbinnen ook altijd enkele tegentonen, zie de kinderen, zijn meegeweven. Het merkwaardige is dat deze roman, zelfs al zou je hem op een andere manier samenvatten, in veel opzichten ook werkelijk zo’n noodlottige tendensroman ís. Dit is zonder meer verrassend; Wolfstonen grijpt terug op een type schrijven dat in de laatste twintig, dertig jaar, misschien zelfs nog veel langer, in de Nederlandse literatuur niet meer is vertoond. In de eerste, overigens fraaie, zin staat het met naam en toenaam; Herman Franke komt dus gelukkig rond voor zijn opzet uit: «Later zeiden ze dat het noodlot als een zwartgele, dreigende lucht boven de stad hing.»

Franke verdiepte zich vooral in de gedachte- en leefwereld van de nieuwe bewoners van het nieuwbouwappartement («de bijenkorf»). Uitvoerig schetst hij hun achtergrond en hun maatschappelijke positie, waarbij het duidelijk is dat al deze bewoners min of meer gestoord of minstens gefrustreerd zijn en waaruit ook blijkt dat de verteller aan hun kant staat. Dit zijn de positieve helden van het boek. We maken kennis met een paar mooie figuren, genuanceerd en emotioneel beschreven, tot op het sentimentele. De schriftuurlijke gevoeligheid van de schrijver Franke dringt zich hier prominent naar voren. Neem Paulice, de vrouw die lijdt aan haar veel te grote borsten, of Elto, de arme violist die nog alleen archaïsche taal kan uitslaan en probeert een gedicht op muziek te zetten, of mevrouw en mijnheer Forstenalt, voor wie de oorlog nog steeds niet voorbij is. Deze personages krijgen adem en gevoel, ze ontstijgen algemene typologieën en bleven lang in mijn hoofd doorklinken.

De tegenpartij, de buurt, zal ik maar zeggen, dat is dus de vijand. Franke presenteert een caleidoscoop van halve en hele kwaadaardige types, die er doelbewust op uit zijn de nieuwe bewoners weg te treiteren. Waarom weten ze nauwelijks. We krijgen rare gluurders voorgeschoteld, verkrachters, vrouwenmishandelaars, drankzuchtige vaders, kinderkwellers, doelbewust geluidsoverlast veroorzakende allochtonen en heksachtige werksters. Natuurlijk heeft Franke doelbewust voor dit zwartgallige, zeg maar rustig rancuneuze, beeld gekozen. Zijn bedoeling is niet geweest een braaf en zoetsappig beeld te geven van met elkaar samenlevende mensen. Bij hem tref je geen gezellig hulpverleningsjargon aan, waarbinnen «wij allemaal toch wat meer rekening met elkaar moeten houden». Basta, vindt hij, met dat genuanceer. Hij legt in dit boek de zweep erover: weg met al dat begrip en dat gepap en genathoud.

De verloedering neemt hand over hand toe, kijk maar om je heen, en denk niet dat je je er als prettige, boeklezende, begripvolle intellectueel met een mooi salaris aan kunt onttrekken. De horden staan voor de deur! Dit is het beeld dat zijn verteller ons, naarmate het einde van het boek nadert, met toenemende kracht inpepert. Franke heeft nog wel enige nuance zijn verhaal binnen gewerkt. Zo verleent hij aan «de bijenkorf», die uiteraard ook symbolisch gezien moet worden, steeds meer mythische aspecten. Het is niet de buurt die het huis weg wil hebben, maar het huis zelf dat als een magneet alle ellende naar zich toe zuigt. Ook suggereert hij op verschillende plaatsen dat de nieuwe bewoners het getreiter over zichzelf afroepen. Maar de nuancering gaat onder in het rancuneuze geweld van de rest.

Ik geef graag toe dat ik het allemaal met enige verbazing gelezen heb. Zo bruin worden ze op het ogenblik in de literatuur niet meer gebakken, dat is een groot voordeel van dit werk, waarmee Herman Franke zijn nek in elk geval stevig heeft uitgestoken. De afkeer en walging spetteren er meer en meer vanaf, bres na bres probeert dit boek te schieten in de softe en genuanceerde denkwereld van brave burgers en buitenlui waartoe ik natuurlijk ook maar wat graag behoor. De noodklok moet geluid, snel, voordat het te laat is! Tja, nou, ik zal er eens over nadenken, hoor. Naar het einde toe levert dit steeds luider voortdenderend proza op, dat zich van effect naar effect gaat slepen. Het burleske begint te overheersen, en mijn belangstelling minderde.