David Foster Wallace, De bleke koning

De horror van eindeloos jolijt

Het proza van David Foster Wallace is het werk van zowel duivel als duiveluitdrijver. Over de invloed van The Exorcist en de messiaanse kracht van de belastingdienst.

Medium 14582615

Anno 2012 maakt alleen een handvol geitenwollensokken punnikende pedagogen zich nog druk om de verderfelijke invloed die televisie en film op vooral jeugdige kijkers hebben. En dat is best wel raar, als je erbij stilstaat. Want kijk eens naar wat er gebeurt als je een gezond ondeugende, vrolijk kraaiende peuter voor de tv zet. Meteen verliest het kind alle aandacht voor zijn omgeving en staart met dezelfde onderworpen fascinatie naar het scherm als een verslaafde de komst van de methadonbus afwacht. Wat een rijkdom, warmte en beweging komen er van die flatscreen gestraald; hoe kundig weten de makers van dit tweedimensionale wonder de kijker aan zich te binden. Levenslang. Ook als puber, werkende volwassene en bejaarde zal de behoefte aan de dagelijks dosis troost en vermaak blijven bestaan. En of het nu om een hippe serie als Mad Men gaat of het recht-voor-de-raapse Boer zoekt vrouw: de verlammende genoegdoening na inname is dezelfde. We blijven aan de buis gekluisterd.

Als geen andere schrijver heeft David Foster Wallace (1962-2008) zich in zijn oeuvre beziggehouden met de allesbepalende rol van televisie en film in de hedendaagse cultuur. Zijn analyse was tweeledig. Ten eerste stelde hij dat tv verslavend werkt, juist omdat het een eenvoudige uitweg uit eenzaamheid en emotionele leegte biedt, een eenzaamheid en leegte die door al dat kijken vanzelfsprekend alleen maar erger worden. Ten tweede hekelde hij de ironische geestesgesteldheid die zijn generatie, de eerste die met tv opgroeide, aan al dat beeldbuisstaren heeft overgehouden; de rebellie die in de jaren zestig nog tegen de gevestigde orde was gericht, is door de commercie omgebogen tot een oppervlakkig verzet tegen elke vorm van groepsdenken. Maar omdat iedereen vervolgens naar dezelfde series kijkt en dezelfde ‘rebelse’ producten koopt, kan dat verzet niet anders dan ironisch zijn. Het resultaat heet lifestyle. Dat lijkt een keuze, maar is in de praktijk de slaafse navolging van een uitgedokterd consumptiepatroon.

Wallace’s fenomenale roman Infinite Jest (1996) bood zowel een diepgravende beschrijving van een cultuur waar verslaving met de paplepel genaamd televisie wordt ingegeven, als een poging om tot een nieuwe morele leidraad te komen, voorbij aan de ironie. Centraal in de roman staat een film die zo verschrikkelijk vermakelijk is dat wie ernaar kijkt onherroepelijk verandert in een gelukzalig glimlachende, wilsonbekwame comapatiënt. De dreiging die van de film uitgaat, houdt het 1079 pagina’s tellende boek gaande; het is een horrorelement dat ervoor zorgt dat de lezer, benieuwd naar hoe het afloopt, de volgende pagina blijft omslaan: hij is hooked. Toch volgt er geen ontknoping en leiden de verschillende subplots louter tot een digressie van informatie, onder meer in de 388 toegevoegde eindnoten. Wallace had dan ook als oorspronkelijke ondertitel voor het boek ‘A Failed Entertainment’ gekozen. Want hij wilde weliswaar schrijven over een tijd waarin we onszelf, om met Neil Postman te spreken, kapot amuseren, maar er zelf niet aan bijdragen met nog weer een extra 750 gram aan prozavermaak. Infinite Jest moest over verslaving gaan en de lezer vasthouden, maar zelf niet verslavend zijn. Het boek zou uiterst amusant worden, maar tegelijk ook niet. En daarom zijn de extreem gewelddadige passages altijd ook hilarisch in hun uitputtende, vermoeiende beschrijving. De ironie is alomtegenwoordig, het geweld heeft vaak een slapstickachtig karakter, maar dan vooral om te tonen tot welk geestelijk vacuüm het geginnegap leidt. Het spreekt voor zich dat dit een even paradoxale onderneming voor de auteur was. En hoe succesvoller zijn boek in de loop der jaren zou worden, hoe meer twijfels hij zelf bij zijn opzet had.

The Pale King (vertaald als De bleke koning), de roman die de minstens even lijvige opvolger van Infinite Jest had moeten worden, maar die met Wallace’s voortijdige dood onvoltooid bleef, zet een volgende stap. Het boek reflecteert over de fundamentele angst die aan de behoefte aan entertainment ten grondslag ligt, namelijk de angst voor dodelijke verveling. De opzet is ook anders. De roman bevat niet de spectaculaire of angstaanjagende actiescènes van zijn voorganger (oké: er is een bloederige beschrijving van een lintzaagongeluk, maar die loopt dankzij de verbluffende ehbo-capaciteiten van een toekomstig belastingambtenaar goed af). En de setting is minder spectaculair. Plaats van handeling is het kaalgeslagen stadje Peoria in Illinois waar een groot controlekantoor van de Amerikaanse belastingdienst, de irs, is gevestigd. Veel van de hoofdstukken in De bleke koning handelen over de belastingambtenaren, hun redenen om voor de dienst te gaan werken, en hoe ze omgaan met de gruwelijke routine en dreigende verveling, elke kantoordag weer.

Opvallend is de rol die The Exorcist in De bleke koning speelt. Een aantal keer wordt er naar de film verwezen, met name in het hoofdstuk waar een groepje belastingcontroleurs zich tijdens werktijd vermaakt met een imitatie van de vuilspuitende duivel. Ik heb twee verklaringen voor dit herhaaldelijk noemen, dit met andere woorden literaire motief. De eerste is speculatief en biografisch-voyeuristisch van aard, de tweede is op de tekst zelf gebaseerd en heeft politieke en morele implicaties.

The Excorcist kwam uit in 1973. De elfjarige Wallace was toen een regelmatige cinemabezoeker, leert de recente auteursbiografie van D.T. Max. Eens per maand zette zijn moeder hem af bij de bioscoop en daar mocht hij dan kijken wat hij wilde; koos hij voor een film die de keuring niet geschikt achtte voor kinderen, dan schreef zijn moeder een briefje om hem toch toestemming te verlenen. Het kan haast niet anders of de jonge Wallace zag dat jaar The Exorcist, de eerste horrorfilm die uitgroeide tot een kaskraker en daarmee tot in de jaren tachtig een lucratieve hausse in gang zette van sensatiebeluste horrorfilms (Halloween, Nightmare on Elm Street), waar menige lezer van onderhavig stuk, in ieder geval de schrijver ervan, nog altijd aan wordt herinnerd in jaarlijks terugkerende nachtmerries.

Korte samenvatting: The Exorcist vertelt het verhaal van de twaalfjarige Regan die naar de psychiater wordt gestuurd omdat ze op school obscene taal uitslaat. Haar moeder denkt dat het de puberteit is, maar de psychiater, zeker nadat hij wordt aangevallen door het meisje, vermoedt dat het om een hersenbeschadiging gaat. Er volgt een hele reeks medische tests, maar ondanks alle gesprekken en toegediende farmaceutica gaat het van kwaad tot erger. Zo zeer zelfs dat de behandelende doktoren tijdens een rondetafelgesprek tot de niet ongeestige conclusie komen: ‘She doesn’t need a psychiatrist, she needs a priest.’ Waarop de hulp van twee priesters met exorcisme-ervaring wordt ingeroepen en het echt gruwelijk gore horrorwerk kan beginnen. Het meisje blijkt in bezit genomen door de duivel, en verandert in een met hese mannenstem sprekende, gal en slijm spuwende heks. Deze demon probeert de priesters te verleiden tot het kwade, en met name de jongste van hen, die pas zijn moeder heeft verloren, is amper opgewassen tegen het verbale geweld: ‘Your mother sucks cocks in hell!’

De film moet indruk hebben gemaakt op prepuber Wallace. Zeker omdat hij zelf op jonge leeftijd met psychiaters in aanraking kwam. Vanaf zijn negende werd hij geplaagd door angstaanvallen, die zich rond zijn puberteit tot gevoelens van depressiviteit ontwikkelden; het was een ‘zwart gat met tanden’, zoals zijn moeder de aanvallen beschreef. Zelf zou hij in een van zijn vroege verhalen schrijven over ‘The Bad Thing’, het onverklaarbare iets in zijn lichaam en brein waardoor hij tot twee keer toe zijn studie moest onderbreken omdat hij met suïcidale neigingen kampte. Alsof een demon van hem bezit genomen had.

De leegte en agressie die Wallace in zichzelf ervoer, dempte hij met marihuana en alcohol, waar hij als twintiger aan verslaafd raakte en pas na een langdurig verblijf in een afkickkliniek vanaf kwam. Maar The Bad Thing zou zich ook op anderen richten, wat wellicht even schrikken is voor al degenen die Wallace als een welbespraakte, sympathieke auteur herinneren, de belangrijkste stem in een stroming die New Sincerity is genoemd, met als navolgers ideale schoonzonen van het kaliber Jonathan Safran Foer. Als mens was David Foster Wallace op zijn slechtste momenten niet bepaald een lieve jongen. Dieptepunt, als we biograaf D.T. Max mogen geloven: de keer dat hij plannen maakte om de echtgenoot van de vrouw met wie hij een relatie had neer te knallen. Het wapen wilde hij kopen bij een ex-crimineel die hij kende uit zijn tijd in de afkickkliniek. Gelukkig nam de man Wallace tegen zichzelf in bescherming en lichtte de vrouw in over het krankzinnige plan. Wallace redde zich eruit door tegenover haar te beweren dat zijn oude maat een vuile leugenaar was. Om hem hierover trouwens jaren later zijn oprechte excuses aan te bieden.

Wallace ondervond het werk van de duivel aan den lijve in zijn eigen leven, en kon zich vervolgens als exorcist opwerpen in het proza dat hij schreef. Die gemeenplaats – de schrijver rekent af met zijn demonen – waar maken, vergt in de eerste plaats moed, maar meer nog de gave uit te stijgen boven je rol als slachtoffer én dader. Dat is het je ne sais quoi van de literaire grootmeester, zijn stijl. Al is het helaas zo dat in Wallace’ geval de demonen uiteindelijk aan het langste eind trokken. Op 12 september 2008 verhing de auteur zichzelf in zijn woning te Claremont, Californië. Hij liet een vrouw, twee honden, toegewijde vrienden en een trouwe schare lezers achter.

Tot zover het biografisch voyeurisme. Volgt het meer wezenlijke, zij het ook ietwat taaiere politiek-morele aspect. In De bleke koning staat The Exorcist symbool voor een maatschappelijk probleem, namelijk de neergang van gemeenschappelijke idealen die de VS de laatste veertig jaar hebben gekend, een ontwikkeling die samenhangt met de overgang van productienatie naar consumptieland. Het is het onderwerp van een eindeloze liftdialoog in het boek (de lift heeft panne), een dialoog die plaatsvindt in 1980. irs-ambtenaren spreken over de haat die burgers jegens de overheid en met name de belastingdienst koesteren, terwijl diezelfde burgers ondertussen wel verwachten dat die vermaledijde overheid alle mogelijke problemen voor hen oplost. Zo roepen burgers dat er paal en perk gesteld zou moeten worden aan gewelddadige films, zoals The Exorcist, maar gaan ze tezelfdertijd in groten getale naar zulke films kijken. Op die manier verandert de overheid, zegt een van de ambtenaren, ‘in een tirannieke ouder die we haten, maar niettemin nodig hebben’. Het gevolg zal zijn, voorspelt hij, dat politici zich aan de nieuwe relatie zullen aanpassen. Zij zullen zich het imago aanmeten van een outsider en een Rebel (de man heeft Ronald Reagan op het oog, maar denk ook aan de Haagse bureaucraat Geert Wilders), terwijl de kiezer diep in zijn hart weet dat deze Rebel in toom gehouden zal worden door een legertje gezagsgetrouwe ambtenaren. De opstand is dus ironisch, maar heeft aanzienlijke gevolgen. President Ronald Reagan, gefinancierd door het bedrijfsleven, dat hij als dank verloste van allerhande beperkende regelgeving, voerde naast een scherpe belastingverlaging tegelijk een enorme verhoging van het defensiebudget door. Een politiek die bijdroeg aan de recente financiële meltdown van de VS. Dat de ineenstorting nog zo lang heeft geduurd, was te danken aan een efficiëntere, bedrijfsmatige belastinginning, uitgevoerd door de ambtenaren die Reagan overbodig had verklaard.

Niet toevallig begint The Exorcist met de enscenering van een rebellie. De eerste scène toont een massale studentendemonstratie in Georgetown bij Washington, wat echter een film in de film blijkt te zijn, waarin de moeder van Regan (het meisje dus, niet de president), die actrice is, de hoofdrol speelt. De opstanden van de jaren zestig zijn op dat moment dus al materiaal voor Hollywood geworden, zo laat regisseur William Friedkin met een knipoog zien; een dubbele knipoog zelfs, want zijn film is zelf ook een parodie op het hele fenomeen van de duiveluitdrijving: het uitbannen van het slechte in de mens. Het is precies deze meervoudige ironie, waarin elke vorm van waarheidsaanspraak of emancipatoire strijd wordt weggegrinnikt, die David Foster Wallace in zijn vroege werk fel heeft bekritiseerd.

Wallace hekelt vooral de selectieve erfenis van de jaren zestig, waarvan de subversieve, emancipatoire elementen tot ironische gestes werden afgezwakt. Een soortgelijke conclusie heeft David Harvey getrokken in zijn studie naar het neoliberalisme. Van de sociale strijd om gelijke rechten en vrijheid voor alle burgers, met name de zwarte minderheid, nam het bedrijfsleven vooral de roep om individuele vrijheid over, niet in de laatste plaats omdat daar veel geld aan te verdienen was. Het verlangen naar een grote solidariteit, dat zeker ook tot de idealen van de jaren zestig behoorde, werd voor het gemak vergeten of genegeerd. De politiek is die keuze vervolgens gaan volgen en faciliteren.

The Exorcist is daar zelf het product van. De film kon alleen maar zo’n groot publiekssucces worden doordat in 1968 de Motion Picture Production Code was afgeschaft, de strenge fatsoensregels waar Hollywoodproducties aan moesten voldoen. Door de concurrentie van de televisie en de komst van buitenlandse films was deze code onder druk komen te staan en maakte plaats voor een filmkeuring achteraf, gebaseerd op leeftijdsgrenzen – die zoals hierboven bleek door ouders en kinderen makkelijk te omzeilen viel. Het gevolg was meer ‘artistieke vrijheid’, maar tegelijkertijd een wapenwedloop van gruwelen in de filmindustrie.

De bleke koning is geen pleidooi voor een hernieuwde vorm van filmcensuur. Wel laat het boek zien welke emotionele leegte door de wildgroei aan extreem amusement verdrongen wordt. De gamesindustrie is daar, zie Alphen aan den Rijn, een dodelijke variant van. Tegelijk kun je zeggen dat de manipulatieve techniek van de horrorfilm – of de porno, het genre dat ook altijd zo’n slechte pers krijgt – niet meer dan een extreme variant is van amusementsdrama, dat zich het laatste decennium ook meester heeft gemaakt van de tv-journaals. Want ook daar gaat het er uiteindelijk om de beelden zo te manipuleren dat de kijker aan het scherm gekluisterd blijft, en als het even kan terugkomt voor meer.

Wat met al dat flitsende, roesverwekkende amusement overschreeuwd wordt, en in psychologische zin gecensureerd, is een gapende leegte. Frustratie, eenzaamheid, de diepste verlangens – ze worden gesmoord in een oorverdovende mediamix van Eindeloos Jolijt. Hoogstens in de marge, op stille momenten, tijdens een stroomstoring, of, god verhoede, bij een plotse ziekte breekt er iets door van de ware huiver die schuilgaat achter al die geweldige fun. De bleke koning is een poging om die momenten en de verhalen erachter bloot te leggen. En net zoals in Infinite Jest, en in de veelgeciteerde feelgoodlezing Dit is water, geeft David Foster Wallace zijn lezer daarbij een moraal mee. Namelijk dat we zelf de mogelijkheid hebben om te kiezen waar we aandacht aan besteden. Dat ons in geconcentreerde aandacht, op de rand van de verveling, de verlossing wacht. Dat verandering mogelijk is, maar alleen als we ons verdiepen in onderwerpen die door hun schijnbare saaiheid aan het zicht onttrokken worden. Fiscale regelgeving bijvoorbeeld. Leuker kunnen we het niet maken: je kunt haast niet wachten tot het volgende aangiftebiljet op de deurmat ligt.


Beeld: The Exorcist (Archives du 7eme art / Warner Bros / HH)