De horror van het slagveld

Een van de mooiste scènes is ook de stilste. We zien de uitputtingsdood van de zwarte hengst Topthorn. Het verhaal loopt ten einde, we schrijven november 1918, ergens achter de Duitse oorlogslinies. Maar, dit is toneel.

Medium toneel

De stervende hengst is een kunstpaard van riet, aluminium en gaas. Een pop met drie bespelers. Als de doodsstrijd van Topthorn voorbij is, stappen de bespelers één voor één uit het karkas, staan even stil en verlaten het podium. Prachtig. De producenten van de voorstelling, Joop van den Ende en zijn vrouw Janine, schrijven in het programmaboek: ‘Bij War Horse zie je met verwondering hoe poppenspelers het publiek de levensgrote paarden als echte paarden laten ervaren.’ Deze curieuze mededeling vat vrij eerlijk samen wat er op het podium gebeurt. We kijken naar iets wat als hoge kunst wordt gepresenteerd, wat dus de ultieme leugen is, want hartstikke nep, maar wij dienen het als net echt te consumeren. Dat is de tragische paradox van het kermistoneel. In een krant stond een foto van de aankomst van het hoofdpaard uit de voorstelling bij Theater Carré. De roodbruine vos Joey stapt uit zo’n bak waarin paarden worden vervoerd. Ik wist niet of ik moest lachen of het theater voorgoed moest afzweren.

Het verhaal, naar een kinderboek van Michael Morpurgo, is eenvoudig en helder. Een joch op het Engelse platteland zorgt voor een veulen. Als het dier volgroeid is wordt het gevorderd voor de Grote Oorlog. De jongen moet ook vechten. Hij zoekt achter de legerlinies zijn paard, zijn paard zoekt hem, na veel zwarigheden vinden ze elkaar. De vertelling wordt op een simpele halfronde speelvloer deels gespeeld, deels verteld en deels gezongen. Animatieprojecties op een scherm zorgen voor de lokale kleuren van het platteland en voor de zwarte horror van de oorlog, en er is een luidruchtig muziektapijt dat moet bijdragen aan het soortelijk gewicht van een episch meesterwerk uit de tijd van The Longest Day.

En daar begint een deel van het probleem van War Horse. Shakespeare wist het al: oorlog op het toneel is ernstig af te raden. Voor zijn koningsdrama Henry V, waarin een historische veldslag tussen Engeland en Frankrijk wordt behandeld, laat hij een proloog-spreker botweg zeggen: er is vrij veel wat wij toneelspelers op dit kale toneel niet kunnen maar wel graag willen vertellen, zet derhalve uw fantasie aan het werk en help ons. Vervolgens laat Shakespeare zien wat er aan de achterkant en in de marge van een oorlog zoal óver die oorlog wordt besproken.

War Horse doet precies het omgekeerde. De productie heeft permanent de ambitie juist op de voorkant van het slagveld in te zoemen. Dat levert lawaaierig stuntwerk op en een soort toneel dat voortstrompelt als een dramaturgische rammelkast. Het publiek mag ondertussen genieten van het harde werk van twee trio’s paarden-animatoren die een intiem verhaal over de liefde tussen dier en mens proberen te vertellen, in een theatrale setting die iedere intimiteit vrijwel permanent onmogelijk maakt.

In een ingezonden brief in Het Parool werd deze zomer fel uitgehaald naar de Nederlandse acteurs die dit als ‘briljant’ getypeerde project uit Engeland vakkundig zouden staan te verpesten. Hier moet ik de Nederlandse troep in bescherming nemen. Ik heb de Londense voorstelling van War Horse gezien, daar heeft na jaren spelen de sleet van de routine stevig huisgehouden. Bovendien is het concept van de Britten hier, zoals overal, keurig en zeer letterlijk gekopieerd. Zoals dat gaat in het moderne Ikea-theater. Binnen die beperking is het bepaald niet slecht wat de Hollandse cast hier staat te doen. Het is, zo valt te vrezen, het concept dat niet deugt. U heeft nog ruim de tijd om uit eigen waarneming het tegendeel te concluderen.


War Horse speelt nog tot eind september in Carré, daarna op tournee


Beeld: War Horse (Rialto).