De huilende europarlementariers

Twaalf landen, negen talen. Dadelijk vijftien, of zestien, of twintig. Honderden tolken, maar geen debat. Bureaucratie in plaats van democratie. Europa bestaat vooral uit gependel van mensen en papier tussen Brussel, Straatsburg en Luxemburg.

BRUSSEL - De journalisten hebben hun eigen entree. Ze beschikken verder in het Brusselse bouwkundig monstrum ‘Leopoldruimte’ over conferentiekamers, vergaderruimten, radio- en televisiestudio’s, computers, futuristische telefoons. Want het Europees Parlement moet goed en breed in de publiciteit komen. Al hetgeen in de gigantische wirwar - 370.000 vierkante meter! - gebeurt, is belangrijk. Of niet? De honderden leden van het Europarlement uit twaalf landen zitten bijeen in de tientallen vergaderzalen, de honderden tolken laten geen zucht onvertaald. Begrijpelijk. Wanneer je maar twee minuten spreektijd krijgt over je reis naar woelig Afrika wordt zelfs een zucht belangrijk.
Rond vijftienhonderd mensen toeven vandaag in de Leopoldruimte. Niet dat je daardoor over de hoofden moet lopen; in de gangen heerst wonderlijke stilte. De journalistenunit doet denken aan een lege kathedraal. 'Ze verschijnen uitsluitend’, zegt Guido Naets, voorlichtingsdirecteur van het parlement, 'als er iets bijzonders te doen is. En op de persconferentie vlak voor een plenaire zitting.’
Deze oude rot in het vak zegt het zonder tristesse. Hij constateert een feit en heeft daarmee een van de grootste problemen van het Verenigde Europa te pakken: de Europeanen interesseren zich er niet voor. Veel Europarlementariers zijn zelfs van oordeel dat het onvermogen niet alleen het Europees Parlement maar eigenlijk heel het Europese gebeuren te laten doordringen tot de burgers het grootste probleem is.
Zo ver wil Piet Dankert niet gaan, al vindt hij het wel een groot probleem. Dankert heeft wel iets triests. Hij was lid van de Tweede Kamer en - zolang dat nog mogelijk was - tegelijkertijd lid van het Europees Parlement. Later, tot 1989, uitsluitend EP'er. Een aantal jaren daarvan was hij zelfs monsieur le President, voorzitter van het hele parlement. Vervolgens was hij staatssecretaris voor Europese Zaken in het laatste kabinet-Lubbers en nu, op zijn zestigste, wederom lid van de 'Club van Straatsburg’. Een fin-de-carriere-baan dus. Er lopen in het parlement tientallen dames en heren rond die hem geheel niet kennen. Hij maakt een wat vermoeide indruk. Hij laat er geen enkele twijfel over bestaan dat dit parlement - de kolos met tegen de zeshonderd leden, honderden tolken en een gigantische administratie - weinig meer te maken heeft met de Europese volksvertegenwoordiging die hij ooit mocht helpen besturen. Dankert vindt dat de parlementaire machine en eigenlijk heel Europa krakend en knarsend draait.
Dankert: 'Er gebeurt hier niet wat in een echt parlement zou moeten gebeuren: debat. Spreektijden van een, twee of drie minuten, dat is belachelijk. Het vertalen gaat met vertraging. Van interrupties, van debat is dan geen sprake meer. Twaalf landen, negen talen. En op 1 januari komen er nog eens drie of vier bij.’
Dankert vindt het onbegrijpelijk dat wetten die in Brussel en Straatsburg worden gebrouwen en dan in de nationale parlementen dikwijls nog moeten worden goedgekeurd, in Den Haag bijna altijd hamerstukken zijn. Er wordt geklaagd over te weinig democratie, maar in deze gevallen laat de democratie het zelf afweten.
HANJA MAIJ-WEGGEN, net vijftig, is misschien ook moe, maar ze laat het niet merken. Ze was lid van het Europarlement van 1979 tot 1989, daarna minister van Verkeer en Waterstaat. Nu is ze weer 'Straatsburgeres’ en ze klinkt alsof niet alleen het verenigde Europa maar heel de wereld van haar is. Ze blaakt van zelfvertrouwen en is zeer te spreken over haar functioneren, ze vindt dat een Europarlementarier minstens een derde van zijn tijd in eigen land moet doorbrengen om burgers te ontmoeten. 'En ik zie best kans allerlei mensen iets uit te leggen over hoe Europa ongeveer in elkaar zit. Maar ik geef toe: het is niet meer mogelijk de details over te brengen.’
Zelfs zij blijkt echter vol te zitten met kritiek op het parlement. Er wordt in het parlement, maar ook in de Raad van Ministers, veel te veel gepraat over 'miezerige dingen’. Daar komt nog bij dat ministers naast hun gewone werk Europa erbij doen. Ze zijn daardoor erg afhankelijk van ambtenaren, deskundigen, technocraten. Maij-Weggen stelt dat je 'natuurlijk’ ambtenaren nodig hebt, maar als politicus moet je in staat zijn een eigen filosofie te ontwikkelen, weten wat je wilt en in staat zijn je ambtenaren niet te volgen.
EN HET TAALPROBLEEM? Ernstig, vindt Maij-Weggen. Maar een technisch probleem en dus oplosbaar. In Straatsburg, waar het parlement een keer per maand een plenaire zitting heeft, zit het probleem veel meer in de ruimte dan in de vertaaltechniek. Voorlichter Guido Naets: 'In Moskou is gewerkt met zestien talen. Dus wij moeten het met dertien ook kunnen.’ In het oude Europa van 'de Zes’ had je te maken met twaalf combinaties. Straks hebben we twaalf keer elf combinaties nodig, dat zijn er 132. Naets: 'Maar de tolken kunnen dat wel aan. Als je er maar genoeg hebt. Ze moeten natuurlijk wel cabines en andere faciliteiten hebben. En kijk nu hoe het is in Straatsburg. Daar staan in vergaderzalen portacabins voor de tolken, de ruimten zijn propvol, in de plenaire zaal kan een tv-camera nergens meer heen. Maar toch moeten we dit seizoen twaalf keer naar Straatsburg.’
Er is eindeloos gediscussieerd over de waanzin van de drievoudige locatie van het Europees Parlement. Officieel zetelt het parlement in Straatsburg - maar de administratie van het parlement huist in Luxemburg en de vier plenaire vergaderingen en praktisch alle commissievergaderingen worden gehouden in Brussel. Ongeveer elke vier weken worden honderden metalen containers, volgepakt met papieren, potloden en andersoortige parlementaire behoeften van Luxemburg en Brussel naar Straatsburg getransporteerd en terug.
Het twintig jaar jonge gebouw in Straatsburg is te klein, maar geen nood, de gemeente Straatsburg is al bezig met de bouw van een gigantisch paleis dat het monstrum in Brussel naar de kroon moet steken, het wordt de moeder van alle parlementsgebouwen. In 1998 zal het nieuwe officiele onderkomen klaar zijn, dan is alle leed in Straatsburg geleden. Voor elk lid van het parlement een eigen fraaie kamer met toilet en douche, fax, telefoon, computer.
Het voortdurende gependel tussen Straatsburg, Brussel en Luxemburg kost 250 tot 300 miljoen gulden per jaar. Natuurlijk te gek, maar daar denken de Fransen anders over. De technici van het parlement - dat zijn de administrateurs, de ambtenaren - vinden dat het straks met nog vier landen erbij een onhoudbare zaak wordt, maar Frankrijk wil over 'verplaatsing’ van de zetel van Straatsburg naar elders niet eens praten. Het parlement telt 567 leden. Per 1 januari komen daar nog eens enkele tientallen Zweden, Finnen en Oostenrijkers bij. En de Noren, indien er genoeg eind deze week in een referendum 'ja’ stemmen. Dat betekent dat er geen plaats meer is voor alle parlementsleden en men is dus van plan het aantal stoelen per fractie in te perken. Niet iedereen zal dan op een eigen plaats elektronisch kunnen stemmen. Nodig dus een enorme technische verbouwing in de vergaderzaal te Straatsburg. In Brussel daarentegen zijn de faciliteiten berekend op achthonderd, negenhonderd parlementariers. Het verzet tegen doormodderen in Straatsburg terwijl Brussel alle faciliteiten gereed heeft, groeit.
VAN MAANDAG TOT VRIJDAG vergaderen in Brussel of Straatsburg betekent natuurlijk dat elke parlementarier een eigen pied-a-terre in Brussel moet organiseren. Leonie van Bladel, journaliste, sinds kort lid van het parlement, vindt het nu al een groot probleem. Ze woont in Brussel samen met Hedy d'Ancona, met zijn tweeen hebben ze een vrij comfortabele flat kunnen huren. Maar ze is nu al ziek van het rondtrekken: weekeinden thuis in Hilversum, van maandag tot vrijdag in Brussel of Straatsburg. Ze vindt het ronduit een zegen dat ze een vrije vrouw is, niet getrouwd of zo, geen familie om voor te zorgen. 'Met een gezin is dit een onmogelijk vak.’
Ook zij ergert zich aan het enorme informatiegat tussen het Europees Parlement - ja, heel 'Europa’ - en de burger. Dat wijt ze voor een deel aan haar ex-collega’s: 'De journalistiek vercommercialiseert steeds meer. Het is of politici en journalisten elkaar in bedwang houden. De politicus heeft vaak als grootste zorg: hoe kom ik weer eens op de buis? De journalist weet dat de politicus van hem en zijn buis afhankelijk is.’
Ondoorzichtig, verwarrend, soms onbegrijpelijk is Europa zelfs voor de vak-Europeanen: de parlementsleden, de ambtenaren van de Raad en van de Commissie. Zelfs voor de lobbyisten die niet weten aan welke bel ze moeten trekken. Het is vrijwel onmogelijk iemand in Brussel, Luxemburg of Straatsburg te ontmoeten die vindt dat de instellingen van de Europese Unie goed functioneren. De leden van het parlement - de Nederlanders voorop, maar ook de Belgen en de Duitsers - klagen al jaren dat het democratisch gehalte van de Unie veel zwaarder moet worden, dat het tot bijna nul is gereduceerd.
Het parlement heeft er na 'Maastricht’ enkele bevoegdheidjes bij gekregen, maar het blijft een peperdure, volstrekt verbureaucratiseerde vergadermachine vol rangen en standen en afgunst, die rond 1,4 miljard gulden per jaar kost. Steeds meer vak-Europeanen gaan zich steeds heftiger ergeren aan de traagheid, de bureaucratie: 'Log, zo verschrikkelijk log’, zegt een van de topfunctionarissen van de Commissie, een Engelsman.
MAARTJE VAN PUTTEN (43), net als D'Ancona en Van Bladel lid van de socialistische fractie, deze zomer begonnen aan een tweede EP-termijn, steekt haar kritiek bepaald niet onder stoelen of banken: 'Ik heb in de gangen volkomen dolgedraaide collega’s zien huilen en met hun papieren zien smijten. Daar waren mensen bij met grote politieke ervaring in hun vaderland.’
Eindeloos wordt er gepraat over appels en peren, de kwaliteit van een gehaktbal, over kromme en rechte bananen, over het gebruik van cacao of cacaoboter, over additieven in voedingsmiddelen. Van Putten: 'Uren en uren besteden we aan dit soort eindeloze regelgeving. Ik heb net vorige week in mijn fractie gezegd: mensen, laten we de hele zaak een maand stilleggen, laten we ons beraden over waar we eigenlijk mee bezig zijn. Zo kan het niet langer, we draaien kapot.’
Ze spuugt vuur over het verhaal dat de Europarlementariers een mooi baantje hebben, vergelijkbaar met dat Eerste-Kamerlid: 'We maken negentig uur per week, we reizen ons rot, we komen aan de grote zaken niet meer toe, we debatteren niet meer, we doen maar wat.’ Ze is heel stellig: 'Dit Europa is bezig zichzelf te gronde te richten. En ik ben niet de enige die dat denkt. Maar ik blijf doorgaan, ik ben ervoor gekozen, al weet ik af en toe niet meer hoe ik moet doorgaan.’
De uitbreiding van de Unie tot vijftien - zestien als de Noren 'ja’ zeggen - landen is bijna rond, en de lucht tussen Moskou, Warschau, Praag, Belgrado en vele andere steden is zwanger van plannen voor verdere uitbreidingen. Nederlandse topfiguren in het parlement, zoals Dankert, Maij-Weggen en D'Ancona denken er vrijwel hetzelfde over. Evenals Gijs de Vries, de man die al op zijn 28ste jaar lid van het parlement werd (in 1984). De Vries, politicoloog aan de universiteit van Leiden en voorzitter van de liberale fractie in het Europarlement, zegt zelf een 'hoge en eervolle functie in Den Haag’ te hebben geweigerd omdat hij zich wilde blijven inzetten 'voor dit Europa’. Hij wil een gesprek niet pessimistisch beginnen. Net deze week, voert hij aan, heeft het parlement zich beziggehouden met de schandalen in de 'time-sharing business’. De Vries: 'Zoiets gaat veel burgers aan. Het parlement houdt zich trouwens steeds meer bezig met consumentenbelangen. Dat is goed.’
Maar hij moet toegeven dat al deze goede zaken schaars of helemaal niet in de publiciteit komen. Dus: wat is Europa’s grootste probleem? 'Overheidsinstellingen’, doceert de politicoloog, 'zijn niet meer dan een middel tot een doel. Op het moment dat die overheidsorganen niet meer bij het doel passen dienen ze gereconstrueerd te worden.’ De Vries laat er weinig twijfel over bestaan dat over de hele breedte - van nationale parlementen en regeringen tot de Europese instellingen - organisatie en doel niet meer op elkaar passen. Militair is Europa een dwerg en dat zal het blijven. Maar politiek en economisch ligt nog een enorm potentieel braak. De Oostbloklanden mogen niet aan hun lot worden overgelaten, het is een levensbelang voor Europa de vrijgevochten landen dichter bij elkaar te brengen. De Vries: 'En daarbij mag nooit worden vergeten dat Duitsland in dat proces het belangrijkste land van Europa is. We mogen onder geen beding de Duitsers, die grenzen hebben met die oostelijke landen, alleen laten. Zou levensgevaarlijk zijn voor ons allen. De Duitsers zelf, op hun beurt voelen dat ze niet voor de derde keer het losgeslagen kanon in Europa kunnen zijn.’
Andere Europese kopzorgen van De Vries zijn de toenemende werkloosheid, de baanloze economische groei, de onvoorstelbare politieke complicaties die de val van het communisme heeft teweeggebracht. De Vries stelt met droefenis vast dat niet alleen in Europa, maar ook in Canada en in de Verenigde Staten er een 'abstentionistische’ terugslag is bij de bevolking: men keert zich af van de politiek. En dat dan terwijl het opzetten van een of andere samenwerkingsvorm met de oostelijke landen een zaak is van niet te overschatten belang.
MAAR DAN KOMT DE VRIES op wat hij wel degelijk het grootste probleem vindt van het ogenblik, de informatieoverdracht. 'Leg dit alles nu maar eens uit aan de bevolking. Die denkt: de wereld is zo gecompliceerd geworden, we kunnen er zo weinig zelf aan doen, als we ons nu maar bezig houden met de achtertuin dan is dat mooi genoeg en de wereld, de politiek zoekt het maar uit.’
Gijs de Vries weet het allemaal net iets deftiger en wetenschappelijker te verwoorden dan de meeste Eurogangers. Veel parlementsleden lijken hun zetel te hebben gekregen omdat men een baantje voor hen zocht, sommigen lijken vooral gekozen vanwege hun bekendheid. Daniel Cohn Bendit (Duitsland) en Nana Mouskouri (Griekenland) bijvoorbeeld.
De Vries: 'Wat is nu de essentie van het probleem? Instellingen passen zich aan aan de problemen die ze geacht worden te bestrijden. En we staan nu voor aanpassing van het oorspronkelijke model van de oorspronkelijke zes Eurolanden, dat een sterke federalistische boventoon had. Het wordt steeds meer een model sui generis met verschillende vormen van besluitvorming al naar gelang het onderwerp.’ Maar misschien, verzucht De Vries, is dat de prijs die je moet betalen, onder andere voor uitbreiding.
Duidelijk is dat een meerderheid onder de Europisten - niet alleen de leden van het Europarlement, ook de duizenden ambtenaren en de meeste nationale politici en Euro-watchers - vindt dat over uitbreiding van de Unie met landen als Polen, Tsjechie, Slowakije, Hongarije en misschien Rusland en de Baltische staten moet worden nagedacht. Maar bovenal moet de Europese structuur op de helling voor men verder kan gaan. Het gevaar van uit elkaar barsten door overeten, het bezwijken onder het eigen gewicht, vinden veel ingewijden heel reeel. Of, zoals een Duitser het formuleerde: 'Men heeft het voortdurend over de rijdende Europese trein. Mooi. Maar de wielen van enkele wagons piepen en rammelen. Wij (hij kwam uit het kamp Kohl - lv) vragen ons af of niet een paar wagons moeten worden afgehaakt voor reparatie, zodat de rest van de trein met wat minder vreemde geluiden en wat sneller verder kan rijden.’
Het Europa dus van de meerdere snelheden, waarover de dienaren van Kohl een opzienbarend geschrift hebben geproduceerd. Een Europa dat het volgens de Duitser zal moeten doen zonder Italie, Griekenland, Spanje en Portugal. Cynisch kan men zich afvragen of dan toch niet straks behoefte zou kunnen bestaan aan twee parlementsgebouwen. Met een eigen remise voor elk van de twee Europese treinen.