De huizen van tsvetajeva’s ziel

Duitsers hebben ‘Geist’, Russen een ziel. Niemand illustreert dat beter dan Marina Tsvetajeva, de dichteres over wie recent een nieuwe biografie verscheen. Portret van een even heftige als wankele ziel.
Viktoria Schweitzer, Marina Tsvetajeva, een biografie. Vertaling Yolanda Bloemen, poezie vertaald door Marja Wiebes en Margriet Berg, uitgeverij De Bezige Bij, 467 blz., f79,50
HET HUIS IN DE Moskouse Trjochproednystraat is er niet meer. Maar we kennen het goed uit de vele beschrijvingen, niet in de laatste plaats uit die door Marina Tsvetajeva zelf. Het was een ruim huis met elf kamers, passend bij een familie die behoorde tot de gegoede burgerij, afdeling intelligentsia. Het stond in het centrum van de stad, maar had, met zijn grote achtertuin, waarin populieren en acacia’s groeiden, ook iets landelijks. Toen Marina klein was, in de jaren negentig van de vorige eeuw, moet er zelfs een koe in de tuin hebben gestaan. Iedere dag verse melk, erg gezond.

Te gezond vond Marina zelf, die het maar niks vond dat ze zo'n blozende, welgedane puber was - dat kon natuurlijk niet voor een aankomende dichter. Ze hield zich in met eten; anorexia nervosa zouden we nu zeggen, echt iets voor dweepzieke bakvissen.
Of was ze heimelijk jaloers op haar tuberculeuze stieffamilie, de kinderen van haar vaders eerste vrouw, die onder haar ogen wegkwijnden en stierven? Zoals trouwens ook haar moeder al vroeg stierf. Marina was veertien toen het gebeurde en vanaf dat moment was ze helemaal op zichzelf teruggeworpen, want aan haar vader had ze niet veel - die ging geheel op in zijn levenswerk, het stichten van een museum voor schone kunsten. Heel wat meer had ze aan haar twee jaar jongere zusje Anastasia, met wie ze zich na de dood van hun moeder halsoverkop in de poezie stortte. Daarvoor was dat verboden terrein geweest. Poezie was niets, muziek alles, vond hun moeder en bond hen bij wijze van spreken vast aan de grote vleugel in de hoge salon. Marina zou later zeggen dat ze liever onder dan achter de vleugel zat, om zich te verschuilen voor de terreur van de muziek, die ook al zo dwingend afstraalde van het gigantische portret van de operazangeres die haar vaders eerste vrouw en eeuwige liefde was.
Kleine, benauwde behuizingen domineren in Marina’s leven, aanvankelijk zelfverkozen, later noodgedwongen. Onder de piano, daar voelde ze zich thuis. En op haar eigen kleine kamertje, dat ze had volgepropt met de bakens van haar meisjesziel. ‘Een kamertje als een kajuit’, herinnert ze zichzelf later. Het behang toonde 'gouden sterren op een rood veld - sterren die gelukkig helemaal bedekt zijn met portretten van de Vader en de Zoon, tot de iconenschrijn aan toe, waarin de Moeder Gods aan het oog onttrokken is door Napoleon die naar het brandende Moskou kijkt. Smal divanbedje, direct daarnaast mijn schrijftafel. Meer niet.’
DE VADER, DE ZOON en de Heilige Moeder - wat een religieuze ijver! En dat voor iemand voor wie het geloof weinig betekende. Geestelijkheid was voor haar iets dat mensen toekwam, daar had je geen bovenaardse wezens voor nodig, die stonden daar alleen maar symbool voor. Niet God maar Napoleon prikkelde haar verlangen naar het hogere. En Poesjkin, aan de voeten van wiens gigantische standbeeld, niet ver van de Trjochproednystraat, ze als kind al speelde. En waar ze ook voor ontvlamde, waren jonge romantische dichters, op wie ze stante pede verliefd werd, en die soms ook verliefd werden op haar, maar daar zelden gelukkiger van werden.
Want Marina werd niet gewoon verliefd. Als ze op iemand verliefd was, gooide ze haar ziel als een dikke, verstikkende deken over de ander heen. Ze werd nooit verliefd om de ander, en ook niet om de verliefdheid zelf, maar om haar onstilbare honger naar het hogere. Talloos zijn de klachten van haar ex-geliefden over de benauwenis waarin Marina hen bracht, over de schier onmenselijke liefde die ze eiste, en over de teugelloze passie die ze over hen uitstortte. Een vampiereziel had ze, waarmee ze alle liefdesenergie uit haar geliefden zoog en die toevoegde aan haar eigen dichterlijke krachten, de krachten waarmee ze zich door alle rampspoeden van het leven zou slaan.
En dat waren er nogal wat, die rampspoeden. Slechts een korte periode van een jaar of drie, vier bleef ze ervan gevrijwaard. Dat was de tijd van Koktebel, het plaatsje op de Krim waar ze in de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog zo vaak verbleef. Het was een onherbergzaam deel van de Krim, waar de loeiende zomerzon de kale rotsen teisterde en bijna onbegaanbaar maakte. Koktebel was een onmogelijk klein plaatsje, zonder voorzieningen, maar er was een pension, een kunstenaarspension, gedreven door een imposante, excentrieke vrouw. Dat was de moeder van Max Volosjin, de dichter/criticus die men de ontdekker van Tsvetajeva zou kunnen noemen. Hij had het bundeltje jeugdpoezie dat ze met eigen geld had laten drukken, in handen gekregen en er een enthousiaste recensie aan gewijd, die hij haar vervolgens hoogstpersoonlijk in de Trjochproednystraat was komen aanbieden. Niet lang daarna volgde de uitnodiging om hem in Koktebel te komen opzoeken.
In de biografie van Viktoria Schweitzer staat een foto van het huis in Koktebel, genomen in de zomer van 1911. Een mediterraan huis, opgetrokken uit lichtkleurige stenen, met schaduwrijke balkons. Voor het huis staan de gasten, bijna zonder uitzondering in het wit gekleed, klaar om in een kar te stappen die hen, naar alle waarschijnlijkheid, naar het strand zal rijden. Helemaal vooraan staat Max Volosjin, het koord over zijn linnen hemd snoert zijn gigantische pens in. Zelf zit ze al in de wagen. Naast haar, bij het wiel, staat Sergej Efron, een leptosome jongeman van achttien, die ze daar ontmoet had. Nog geen half jaar later zou ze, zwanger en wel, met hem trouwen.
Een weinig indrukwekkende figuur, die Sergej, hoewel hij stamde uit een roemruchte familie van aristocratische bommengooiers. Een stuurloos type, zonder enige praktische gave. Ongeschikt vooral ook als kostwinner, maar wie maalde daar in die gelukkige jaren om. Hij deed iets met film, speelde af en toe een bijrolletje, schreef wel eens wat, en rommelde daarnaast in het schemerduister van de politiek. Een krachteloze, tuberculeuze figuur, maar Marina sloot hem op in de kluisters van haar ziel. 'Ik draag zijn ring, het hoofd fier opgericht,/ Voor Eeuwig heeft hij mij tot vrouw gekregen’, dichtte ze.
De dreigende ondertoon in die regels maakte ze volledig waar. Ze heeft hem nooit verlaten, is hem overal gevolgd, 'als een hond’, zoals ze meer dan eens schreef. Ze leefde altijd en overal met hem mee, ook als hij ver weg was en het niet zeker was of hij nog wel leefde, zoals toen hij met de Witte legers meevocht in de burgeroorlog. Ze volgde hem zelfs in de schimmige politieke intriges waartoe hij zich later in Parijs zou laten verleiden en die tot zijn en later ook haar terugkeer naar de Sovjetunie leidden. Het enige wat ze niet waar maakte, was huwelijkse trouw.
Haar zielehonger beef onstilbaar. Dichters zocht ze, verwante zielen, om hen in te ademen en daardoor lichter te worden en op te stijgen naar het hogere, het aardse bovenaardse. Want dat is, lijkt mij, wat ziel onderscheidt van geest, wat zielmensen zoals Tsvetajeva onderscheidt van geestmensen zoals, ik noem maar iemand, Achmatova. De ziel is de geest waarin het aardse en het zinnelijke zichtbaar, tastbaar en voelbaar blijven; de ziel drukt zich uit in woorden die met het alledaagse, het concrete verbonden zijn, niet in woorden die een eigen geestelijk universum voor zich opeisen.
Dichters zocht ze, en dichters vond ze. In de schroeiende zon van Koktebel. Mandelstam bijvoorbeeld, maar met hem zou ze pas later, in Petersburg en Moskou, een verhouding krijgen. Toen ze hem in Koktebel voor het eerst zag, in 1914, was ze nog helemaal vervuld van een andere liefde: die voor Sofja Parnok, een dichteres die de sapphische beginselen was toegedaan en met wie ze vanuit Koktebel lange vakantiereizen ondernam. Prachtige gedichten schreef ze over die liefde, zeker als je ze vergelijkt met de stroeve verzen die Parnok eraan wijdde. En vele jaren later schreef ze, terugkijkend op het catastrofaal geeindigde avontuur, de merkwaardige prozatekst Brief aan de amazone, een tekst die zo dubbelzinnig is dat vurige feministen er een ode aan het lesbianisme in zien, en verstokte hetero’s een bewijs voor de tegennatuurlijkheid van de damesliefde.
Viktoria Schweitzer, wier biografie van Tsvetajeva zojuist in Nederlandse vertaling verscheen, is zo'n verstokte hetero. Met onverholen afkeer verhaalt ze over de lesbische ontsporing van haar heldin, om er geruststellend aan toe te voegen dat het bij die ene uitspatting is gebleven, al was het er dan wel een die bijna anderhalf jaar duurde. Maar dat het bij die ene keer is gebleven, is allerminst zeker, al is het net zomin zeker dat Tsvetajeva daadwerkelijk met het Moskouse actricetje Sonjetska Gollidej heeft geslapen, of zich, later nog, in Berlijn, Praag en Parijs, met de vrouwenliefde heeft ingelaten.
Het past een biografe natuurlijk niet om zo onverdroten met persoonlijke oordelen over de gebiografeerde te strooien. Maar Viktoria Schweitzer is een Russin, en de Russen hebben nooit erg uitgeblonken in gedistantieerde biografieen - nee, zij zijn meesters in portretten, heel persoonlijke schilderwerkjes in woorden, een genre waarin ook Tsvetajeva uitblonk. Misschien moeten we Schweitzers boek dan ook geen biografie maar een 'groot portret’ noemen. Iedere bladzijde van het boek gloeit van de warmte die de biografe haar onderwerp toedraagt. Ze is onverholen subjectief, betoont zich heilig verontwaardigd over mensen die kritiek hebben op Tsvetajeva, en doet haar uiterste best de lezer met de vele onaangename kanten van de dichteres te verzoenen. Het is allemaal even charmant als amateuristisch.
Een mooi boek, waar je echter niet veel wijzer van wordt, maar waar in ieder geval diep doorvoelde exegesen van Tsvetajeva’s gedichten in staan.
Terug naar de huizen van Tsvetajeva’s ziel. Na de Trjochproednystraat en Koktebel volgden vele, vooral tijdelijke onderkomens bij familie, vrienden en in datsja’s - het waren de wervelende tijden van revolutie en burgeroorlog. Tsvetajeva sleepte haar kind, later haar twee kinderen, en weer later opnieuw alleen dat ene kind - haar jongste dochtertje overleefde de hongersnoden van de burgeroorlog niet - van hot naar her. Tot haar eindelijk het nieuws bereikte dat haar man, verliezend met het Witte van het Rode Leger, naar West-Europa had weten te ontkomen. In Berlijn zagen ze elkaar na een scheiding van jaren weer terug, waarna ze zich meteen in Praag vestigden, tot opluchting van Sergej, omdat daarmee vanzelf een einde kwam aan de verhouding die Marina met haar Berlijnse uitgever was aangegaan.
Na alle woelingen van oorlog en revolutie brak er weer een rustig jaar aan voor het nog altijd jonge, want pas dertigjarige paar. Ze vestigden zich in Mokropsy, een klein plaatsje vlak buiten Praag. Ze hadden een kamer in het laatste huis van het dorp, vlak bij het bos. Marina woonde er meestentijds alleen met haar tienjarige dochter Alja, want Sergej zat vier dagen per week in Praag, waar hij studeerde. Veel van hun tijd ging heen met water halen, hout hakken, vloeren schrobben, eten koken - de dagelijkse routine slorpte hen op. Alja deed het meeste werk, want Marina verschanste zich al spoedig achter haar schrijftafel met een bak koffie en een sigaret, veel bakken koffie en veel sigaretten.
Urenlang kon ze haast onbeweeglijk zitten werken; ze was niet iemand die voortdurend opstond om rond te lopen, na te denken, haar gedachten te verzetten. Want Tsvetajeva schreef geen gedachten, in haar gedichten noch in haar brieven - nee, ze schreef klanken. En ze dacht niet tijdens het schrijven, nee, ze maakte geluiden, probeerde klanken, tonen, ritmes uit. Tsvetajeva aan de schrijftafel - het moet iets heel bijzonders zijn geweest, een stuk musique concrete van gefluisterde klanken, getik van haar ringen tegen de mok met koffie, immer rinkelende armbanden, mannelijke halen aan haar sigaret en gekras van een slecht potlood op goedkoop papier.
Haar zielehonger stilde ze met brieven. Ze begon een lange epistolaire verhouding met Boris Pasternak, misschien wel haar meest indringende brievenliefde. Indringender in ieder geval dan die in al te hooggestemde taal gestelde liefdesverklaringen aan Rainer Maria Rilke, brieven waarin ze de vaste grond van haar ziel ontsteeg, om terecht te komen in de ijle lucht van de Duitse Geist, wat zuurstofarm proza oplevert, gehijg van de ziel. Nee, echte zielsverwantschap was er alleen met Pasternak. Een generatiegenoot. Een kind uit dezelfde kaste, de haute intelligence. Een gelijkgestemde, met wie het makkelijk was onmiddellijk een toon van herkenning en erkenning aan te slaan. Pasternak was voor Tsvetajeva een vooraanstaand lid van de zielsgemeenschap der echte dichters, mensen die elkaar op duizenden wersten afstand herkennen en weten te bereiken. Weliswaar uitte ze in haar brieven aan hem haar heftige verlangen hem in levende lijve te zien, maar ze wisten dat moment zo lang uit te stellen dat de teleurstelling die het opleverde niet eens zo'n schok meer was.
DAT MOMENT KWAM ruim tien jaar later, in 1935, op een schrijverscongres in Parijs. Het was het beruchte internationale congres 'ter verdediging van de cultuur’, oftewel tegen het fascisme. Een berucht congres omdat het volledig door de communistische partijen werd gedomineerd en het dus van groot politiek belang was dat er ook schrijvers uit de Sovjetunie aanwezig waren. Pasternak verscheen er onder druk van Stalins persoonlijke secretaris. Hij werd overal gevolgd en afgeluisterd. Een onbevangen ontmoeting met Tsvetajeva was uitgesloten.
Tsvetajeva had weinig begrip voor Pasternaks benarde positie. Ze schreef hem achteraf een giftige brief met de bitterste klachten. Ze voelde zich door hem - en en passant richt ze hetzelfde verwijt ook aan Rilke - uit de hoogte behandeld: 'Tussen jullie, Ubermenschen, was ik slechts een mens.’ Ze klaagt over haar dagelijkse geploeter, het gesleep met haar kinderen (ze had er inmiddels een zoon bij), de zorgen om haar familie, om haar schamele bezittingen, haar manuscripten, allemaal beslommeringen waar zij - Pasternak, Rilke, Proust, Goethe, iedereen sleepte ze erbij - zich ver boven verheven achtten. Het zijn de verwijten van een zielmens aan een geestmens van wie ze ooit dacht dat hij een ziel had, een verwante ziel zelfs. Ze besluit de brief met ijskoude groeten. Wat niet verhinderde dat Pasternak de enige was die haar, na haar terugkeer in de Sovjetunie, de helpende hand toestak gedurende die rampzalige laatste jaren van haar leven.
We zijn inmiddels in Parijs beland, waarnaar Tsvetajeva en haar gezin in 1925 waren verhuisd. Ze waren als vanzelf naar de Franse hoofdstad gezogen, nadat die zich tot het absolute centrum van de Russische emigratie had ontwikkeld. Voor Sergej, en later ook voor dochter Alja, was Parijs het politieke centrum, voor Marina was ze het literaire middelpunt. Ze wisselden vaak van woning, telkens op zoek naar goedkopere behuizingen. Ze woonden vooral in voorsteden als Meudon, Clamart en Vanves, plaatsen waar de Russen samenklonterden.
Het leven in Parijs werd een hard gelag. Aanvankelijk leek het nog redelijk voorspoedig te gaan. Tsvetajeva hield succesvolle voordrachten van haar werk en publiceerde in vrijwel alle emigrantentijdschriften. Ze was een grote naam geworden in letterenland. Maar de Russen in Parijs hadden lange politieke tenen, en politiek was niet Marina’s sterkste kant. Beter gezegd, ze was politiek een totale onbenul, die de ene politieke naiveteit op de andere stapelde, haar hele leven lang. Hoe naief haar 'revolutionaire kindergedichten’ waren, geschreven na de bloedige gebeurtenissen in 1905, weten we niet want ze zijn nooit gepubliceerd en nooit teruggevonden. Wel bekend zijn haar gedichten voor de Witte legers, voor de tsarenfamilie, voor de proletariers, voor de bourgeoisie - nee, van vooringenomenheid kon je haar niet betichten. In emigrantenkringen vielen haar politiek incorrecte uitingen echter niet in goede aarde. Met als gevolg dat het ene na het andere tijdschrift de kolommen voor haar sloot, hetgeen haar meteen van haar inkomsten beroofde.
Nu had Tsvetajeva, die in praktische zaken heel onbeholpen was, reeds in Moskou en Praag een zeker vermogen ontwikkeld tot parasitair leven. Dat vermogen bracht ze in Parijs tot opperste verfijning. Ze bouwde een netwerk op van familie, vrienden, goede kennissen, vage kennissen, verre belangstellenden en invloedrijke goedwillenden die gevoelig waren voor haar beden om eten, brandhout, nieuwe schoenen of een jurk voor haar eerstkomende optreden, en ze regelde met groot gemak schoonmaaksters, naaisters, kinderoppassers, archivarissen en pleitbezorgers.
Maar dat netwerk kalfde geleidelijk af, enerzijds door Marina’s eigen politieke incorrectheid, anderzijds, en dat in steeds toenemende mate, door die van haar man. Want Sergej evenaarde, nee overtrof Marina in politieke naiveteit, en erger nog: anders dan zij bracht hij die onoordeelkundigheid ook nog in praktijk. Hij was actief in de zogeheten 'Euraziatische beweging’, die voor de Sovjetunie een rechtmatige plaats tussen Europa en Azie opeiste. Het bleek een beweging die vergeven was van de geheime agenten, en voor Sergej het wist, was hij een loopjongen van Stalin. Het was overigens voor het eerst dat hij enig geld in het huishouden inbracht - bloedgeld, zoals later duidelijk werd.
We hebben het over de laatste jaren van de familie Efron in Parijs. Ze woonden toen in een appartement in de voorstad Vanves. De spanningen in het gezin liepen in die tijd flink op. Marina verfoeide de politieke keuzen van haar man. Haar dochter, die zich met het klimmen der jaren steeds verder van haar moeder verwijderde, begon ook al bolsjevistische sympathieen te ontwikkelen. Vader en dochter spraken openlijk over terugkeer naar de Sovjetunie. Het huis daverde van de scenes. Moeder sloeg dochter, vader nam het voor dochter op, zoonlief bekeek het tafereel met afschuw en zou voortaan een nare, neerbuigende toon tegen zijn moeder aanslaan. Tsvetajeva’s isolement was zo goed als compleet.
En dat werd helemaal compleet toen eerst Alja, en kort daarna ook Sergej daadwerkelijk naar Stalins arbeidersparadijs vertrokken. Sergejs vertrek was een regelrechte vlucht, omdat de politie had ontdekt dat hij betrokken was bij de moord op een gedeserteerde Russische agent. Marina’s buren pestten haar daarom het huis uit, zodat ze haar intrek moest nemen in een goedkoop hotelletje. Nina Berberova, een jonge emigrante die toch al nooit overliep van sympathie voor Tsvetajeva, beschrijft hoe ze haar in die dagen voor het laatst zag: 'Het was bij de begrafenis van vorst Volkonski, ooit een goede kennis van Tsvetajeva. Na de dienst ging ik naar buiten. Tsvetajeva stond op het trottoir, alleen, en keek ons met ogen vol tranen aan, oud geworden, bijna grijs, blootshoofds, de armen over de borst gekruist. Ze stond daar alsof ze de pest had, niemand ging naar haar toe. Ook ik liep haar, net als de anderen, voorbij.’
HET LAATSTE ONDERKOMEN van Tsvetajeva’s ziel was een piepklein huisje in Jelaboega, een stadje aan de oever van de Kama, ten oosten van Moskou. Het was augustus 1941, de Duitsers rukten op naar Moskou, Jelaboega stroomde vol met evacues. Tsvetajeva en haar zestienjarige zoon werden ondergebracht bij het echtpaar Brodelsjtsjikov, in een kamertje van acht vierkante meter. 'Ze stond me eerst niet aan’, vertelde mevrouw Brodelsjtsjikov dertig jaar later aan Viktoria Schweitzer, 'ze was lang, met een enigszins gebogen rug, mager, met grijs haar - een beetje heksachtig.’ Maar na een paar dagen raakten ze enigszins aan elkaar gewend. Ze had Tsvetajeva geleerd hoe je sigaretten moest rollen met krantepapier. Ze verbaasde zich er overigens over dat Tsvetajeva helemaal niets kon, niet schoonmaken, niet koken, niets.
Marina had, sinds ze in de Sovjetunie was aangekomen, bijna niets meer geschreven. Kort na haar aankomst en de hereniging met haar gezin werden haar man en dochter gearresteerd. Haar belangrijkste inspanningen golden sindsdien het bijeengaren van etenswaren en kleding in de hoop die aan haar naasten in de gevangenis te kunnen afleveren. Ze deed nog een paar halfslachtige pogingen om in de literaire wereld te worden opgenomen, maar ze was een besmet schrijfster, iemand die lofzangen had geschreven op het Witte Leger. Ze was zelfs nog verliefd geworden op een knappe jonge dichter, een affaire die eindigde met een bitter gedicht, het laatste dat van haar hand bekend is en dat als volgt besluit:
Al ben je broer noch zoon, noch man Noch vriend - toch blijf ik je verwijten: - Jij, die voor zes ziel dekken kan, Bood mij geen plaats - zelfs niet terzijde Het woord ziel onderstreepte ze. De verliefdheid was een laatste wanhopige poging geweest een ziel te zijn voor iemand, met iemand. Maar ook die laatste keer mislukte het, zoals het ook al die andere keren op teleurstellingen was uitgelopen. De grote poeten aan wie ze haar dichtersziel had aangeboden - Mandelstam, Pasternak, Rilke, Achmatova - hadden die na korte of langere tijd afgewezen en uitten zich naderhand zelfs boosaardig over haar; de jonge dichters aan wie ze niet zozeer haar dichtersziel maar veeleer haar moederziel had aangeboden, waren de een na de ander voor haar op de vlucht geslagen. Ze was voorgoed verstoten, een eenzame dichtersziel en een moederziel alleen - heel erg alleen, want zelfs haar eigen zoon wees haar af en maakte haar voortdurend bittere verwijten.
Zoals ook op die zaterdagavond, 30 augustus 1941, tien dagen na hun aankomst in Jelaboega. Thuis, op hun kamer, verweet hij haar op hoge toon dat ze zich haar leven lang al onverantwoordelijk had gedragen en dat dat de reden was waarom zijn vader nu in de gevangenis zat en zijn zuster in een strafkamp. Toehoorders van buiten hoorden hoe ze hem vergeefs probeerde te bepraten, tot rede te brengen.
De volgende dag bleef ze alleen thuis toen de andere bewoners van het huis hun vrije dag aan de staat gingen offeren in ruil voor een brood. Bij terugkeer bleek ze zich aan een hennepen touw te hebben opgehangen.