De grens tussen militaire en humanitaire acties vervaagt

De hulp is in nood

Militaire interventies hebben steeds vaker de noemer «humanitair». Hierdoor vervaagt de grens tussen militaire en humanitaire acties en groeien de risico’s voor hulpverleners. Voor Artsen zonder Grenzen reden om Afghanistan en Irak te verlaten.

«Onze operatie in Irak was onvergelijkbaar met willekeurig welke andere operatie die ik heb meegemaakt», zegt Assad Menapal, die dit jaar medisch coördinator was van de missie van Artsen zonder Grenzen in Irak. «Ik heb eerder voor Artsen zonder Grenzen in Pakistan, Somalië, Kenia, Congo, Sierra Leone en Burundi gewerkt, en ken ook de situatie in Afghanistan heel goed, maar nergens was het geweld zo radicaal en vooral zo onvoorspelbaar als gedurende de maanden die ik dit jaar in Bagdad heb doorgebracht. Wanneer en hoe vaak slachtoffers van bomaanslagen of raketbeschietingen werden binnengebracht, was volstrekt onvoorspelbaar. Soms was het een dag relatief rustig, maar dan waren er opeens op één dag vijf of zes aanslagen tegelijk.»

Artsen zonder Grenzen (AZG) verbleef gedurende de Eerste Golfoorlog in Irak, maar werd daarna door Saddam Hoessein het land uitgezet. Eind 2002 keerde de hulporganisatie terug. Tijdens de belegering van Irak en de bombardementen op Bagdad door het Amerikaanse leger in het voorjaar van 2003 bleef een klein deel van de internationale medewerkers van AZG in de Iraakse hoofdstad actief om hulp te verlenen aan een aantal ziekenhuizen. Aan het einde van de oorlog zette de organisatie een ambulancedienst en drie klinieken op in de wijk Sadr City in Bagdad. Assad Menapal: «We hebben in onze klinieken vooral eerste hulp verleend. We deden zo’n tienduizend consulten per maand en werkten aan het einde van de missie van ’s morgens vroeg tot acht uur in de avond om zo veel mogelijk hulp te kunnen verstrekken. Het ging vooral om vaccinaties, prenatale hulpverlening en verschillende vormen van noodhulp. Maar iedere poging om onze missie uit te breiden naar secundaire hulp – chirurgische hulp en hulp voor ziekenhuizen – en vooral naar andere plaatsen in Irak, liep stuk op de toegenomen onveiligheid. We wilden een hulppost in Fallujah opzetten, maar het was al vrijwel onmogelijk om je in Bagdad te verplaatsen, laat staan Fallujah ongedeerd te bereiken.»

De ontvoering van Simona Pari en Simona Torretta van de Italiaanse hulporganisatie Een brug naar Bagdad op 7 september vormde volgens Menapal een belangrijk omslagpunt: «Iedere rit van ons hoofdkantoor naar het Iraakse ministerie van Volksgezondheid, waar ik vaak voor overleg naartoe moest, was verschrikkelijk. Elke keer had ik het idee dat auto’s links en rechts van me tot ontploffing konden worden gebracht. De vele checkpoints op de hoofdwegen door Bagdad maakten het risico dat je getroffen werd nog groter, want ze legden het verkeer vaak voor langere tijd stil. Maar vooral de ontvoering van de twee Simona’s, met wie ik vlak voor hun verdwijning nog had gedineerd, bracht het gevaar van onze missie pijnlijk precies in beeld. Vanaf dat moment werd duidelijk dat we niet toevallig maar ook opzettelijk slachtoffer van terreur zouden kunnen worden.»

Twee dagen na de ontvoering van de Simona’s evacueerde AZG al haar internationale hulpverleners van Bagdad naar Jordanië om vandaar zo goed als mogelijk de missie in overleg met de achtergebleven Iraakse medewerkers van de organisatie voort te zetten. Assad Menapal: «Een evacuatie op zichzelf is nog niet zo’n vreemd fenomeen. Tijdens mijn missie in Congo ben ik wel veertien keer geëvacueerd, maar uiteindelijk konden we steeds weer ons werk hervatten. Eenmaal in Jordanië bleef onze hoop dus gericht op terugkeer naar Bagdad en het initiatief onze missie uit te breiden.»

Zo ver is het niet gekomen. Begin november heeft AZG haar missie in Irak geheel stopgezet. De veiligheid van de medewerkers kon niet meer worden gegarandeerd. «Dit is een harde slag voor de organisatie», zegt Kenny Gluck, interim-directeur van AZG Nederland, «in het bijzonder na de stopzetting van al onze activiteiten in Afghanistan eerder dit jaar.» De situatie in beide landen en de moeilijkheden die hulporganisaties in toenemende mate in dergelijke conflictgebieden ondervinden, staan volgens Gluck niet los van een ontwikkeling die al langer gaande is: «Vooral in Afghanistan en later ook in Irak hebben we gemerkt wat het betekent dat coalitietroepen, en met name Amerikaanse en Britse soldaten, zich toenemend profileren als hulpverleners. Toen Amerikaanse militaire vliegtuigen voedselpakketten boven Afghanistan dropten, was dat niets anders dan een poging de hearts and minds van de bevolking te winnen. Dat was hun goed recht en er is in principe ook niets mis mee, maar met humanitaire hulp had het weinig te maken. Als Albert Heijn morgen gratis voedsel gaat verstrekken, dan is dat ook nog geen humanitaire actie. Erger nog was dat de Amerikanen in Afghanistan slecht werk afleverden. Er werd niet op gelet waar die voedselpakketten terechtkwamen; sommige vielen in mijnenvelden, en andere bereikten überhaupt niet de burgers die in nood verkeerden.»

De stelselmatige verwarringen die met name de Amerikaanse regering creëert, zijn volgens Gluck van grote invloed op het functioneren van hulporganisaties. «Zowel in Afghanistan als in Irak rijden soldaten in burger kleding rond in witte auto’s die verdacht veel op die van hulpverleners lijken. Dit soort acties brengt de neutraliteit van humanitaire organisaties radicaal in gevaar, zeker als politici zich ook nog eens schuldig maken aan uitspraken die zo’n strategie versterken. Zo noemde Colin Powell hulpverlenende organisaties een toegevoegde kracht in de strijd tegen het terrorisme, en noemde hij hulpverleners leden van de antiterreurbeweging. Deze ontwikkelingen zijn er mede de oorzaak van dat er nu vrijwel geen neutrale hulporganisaties meer in Irak opereren, maar alleen nog organisaties die expliciet steun hebben betuigd aan de politieke ambities van de door de VS geleide troepen. Zij mogen alleen in militaire konvooien meerijden en hebben iedere onpartijdigheid en onafhankelijkheid verloren.»

AZG heeft haar zorgen om de toenemende kolonisatie van de humanitaire ruimte door de coalitietroepen op verschillende adressen nadrukkelijk kenbaar gemaakt. Kenny Gluck: «Al in 2001 hebben we deze zaken voor het eerst aangekaart. We deden dat in ontmoetingen met vertegenwoordigers van het Pentagon en de Britse regering, maar ook via de ambassades van landen die bij de militaire acties in de betreffende landen zijn betrokken. Tekenend is de reactie van het Pentagon op onze kritiek op de verspreiding van pamfletten door Amerikaanse soldaten onder de Afghaanse bevolking. Op die pamfletten stond een Afghaans meisje met een zak tarwe. Het onderschrift luidde dat wie terroristen aanmeldt, aanspraak op hulpgoederen kon maken. Het Pentagon verontschuldigde zich hiervoor en beloofde beterschap. Het zijn echter loze beloften gebleken. We krijgen zo langzamerhand dan ook het idee dat we tegen dovemans oren praten.»

Het predikaat «humanitair» is volgens Gluck echter al langer aan erosie onderhevig. Toen de Verenigde Naties aan het einde van de jaren negentig de zogeheten Integrated Mission Task Force initieerden – daarin werden VN-geleide humanitaire en vredesmissies verregaand gecombineerd – raakten de doelstellingen van humanitaire organisaties en die van moderne, door militairen ondersteunde vredesmissies meer met elkaar vermengd: «Het klonk allemaal mooi en er was op zichzelf ook nog niets mis mee, maar er werd veel te weinig nagedacht over de grote risico’s die dit voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van hulpverleners met zich mee zou brengen. Bovendien gingen de VN voorwaarden stellen aan regeringen waarvan de burgers in nood verkeerden. Daardoor kon het voorkomen dat er überhaupt geen hulp werd verstrekt waar die hard nodig was, zoals bijvoorbeeld tijdens de burgeroorlog in Angola in 2001. We zien nu het resultaat van al deze ontwikkelingen. In conflictgebieden opereren vele verschillende organisaties op hetzelfde moment, wat voor de slachtoffers vaak in hoge mate verwarrend is. Deze verwarring wordt in sommige gebieden nog versterkt doordat militairen op verschillende posten verschillende functies blijken te vervullen. Zo bezien is het dan ook niet raar dat het onduidelijk wordt welke hulpverlener je in zo’n situatie als onpartijdig kunt beschouwen. Daar komt bij dat de VN in toenemende mate als een hoofdzakelijk westerse organisatie worden beschouwd.»

Het probleem hoeft volgens Gluck uiteindelijk echter niet in de bundeling van verschillende VN-acties te liggen: «Een militaire interventie kan wel degelijk effectief zijn om een humanitair doel te bereiken. Zo heeft het ingrijpen van Britse militairen in Sierra Leone in een relatief grotere veiligheid geresulteerd.» Om deze reden stemt Gluck dan ook in met Sadako Ogata, de voormalige hoge commissaris voor de vluchtelingen van de VN, die heeft gezegd dat er geen humanitaire oplossingen zijn voor humanitaire problemen. Gluck: «Als humanitaire organisatie proberen we eerste hulp te verstrekken aan slachtoffers van onder meer militaire conflicten, maar wie meent dat een humanitaire organisatie ook verantwoordelijk is voor de bevordering van sociale rechtvaardigheid, de naleving van de mensenrechten, het beëindigen van oorlog, politieke verzoening of zelfs de wederopbouw van een land, overschat onze doelstellingen schromelijk. Een humanitaire catastrofe kan alleen worden opgelost als nationale regeringen zich duidelijk uitspreken tegen geweld en zich actief inzetten voor de beëindiging daarvan. Een militaire interventie kán daarbij van doorslaggevend belang zijn. Maar tegelijk moeten nationale regeringen de noodzaak van de onafhankelijkheid en veiligheid van humanitaire hulporganisaties veel duidelijker onderschrijven dan nu het geval is. Wij winden ons er bijvoorbeeld enorm over op dat, terwijl er duidelijke aanwijzingen zijn wie onze medewerkers in Afghanistan hebben vermoord, door de coalitietroepen en de Afghaanse regering te weinig wordt ondernomen om deze mensen op te pakken en te berechten. Deze passiviteit is voor ons onacceptabel en een van de redenen waarom we niet langer in Afghanistan kunnen opereren.»

Volgens Gluck mag kritiek van hulporganisaties op nationale regeringen niet betekenen dat de unieke positie van die organisaties in conflictgebieden wordt ondermijnd: «Voor AZG is de combinatie van enerzijds onafhankelijke hulpverlening en anderzijds de mogelijkheid te getuigen van onze bevindingen ter plekke essentieel. Anders dan bijvoorbeeld het Internationale Rode Kruis spreken wij ons om deze redenen ook publiekelijk uit over de mogelijke oorzaken van de conflicten in de betreffende gebieden. Het Rode Kruis doet dat alleen achter gesloten deuren in overleg met regeringsvertegenwoordigers. AZG is geen club van politieke activisten, maar we staan wel op het standpunt dat we door in het openbaar getuigenis af te leggen van onze bevindingen in de betreffende regio’s, nationale regeringen op hun verantwoordelijkheden moeten kunnen aanspreken. Het is onze diepe overtuiging dat er alleen toekomst is voor humanitaire organisaties als enerzijds hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid kan worden gewaarborgd, en anderzijds nationale regeringen deze positie tot het uiterste blijven verdedigen.»