De huur betalen totdat…

DE CARRIERE van de Amerikaanse schrijver Jay McInerney heeft langzamerhand wat van een rit in een achtbaan. Weliswaar een met een onkarakteristiek heftig eerste stuk, maar toch. In 1984 betrad hij de literaire scene met de roman Bright Lights, Big City, en meteen was hij een ster. ‘De stem van zijn generatie’, samen met Bret Easton Ellis, de leider van de fameuze bratpack.

De aandacht voor de schrijver was - evenals de miljoenenverkoop van zijn boek - overdonderend. En terecht, want met zijn debuut over het ontsporende leven van een neurotische feitenvlooier leek McInerney de ‘definitieve’ roman over het New York van de jaren tachtig te hebben geschreven. Het boek is geestig, snel, hartverscheurend en hoopvol tegelijk.
Maar toen kwam, drie jaar later, zwarte donderdag. De beurs op Wall Street stortte in en sleurde de reputatie van McInerney in zijn val mee. In de jaren daarna schreef McInerney nog drie romans - waaronder Story of My Life, een klein, briljant boek over de 21-jarige Holly-Golightly-op-cocaïne Alison Poole, en Brightness Falls (1992) dat zijn debuut alsnog passeerde als dé kroniek van de eighties - maar in Amerika kon dat niemand meer iets schelen. De yuppen over wie hij schreef, waren plotseling volksvijand nummer één, en zijn boeken werden óf afgebrand óf ze flopten, en meestal allebei.
Voor McInerney was het een reden om zich walgend van Manhattan af te keren. Hij verhuisde naar Tennessee, en voor zijn volgende roman, The Last of the Savages (1996), zou het zuiden van Amerika het decor worden. Het bleek een tragische vergissing. Wat een epische roman had moeten worden over vriendschap, klassebewustzijn, rhythm and blues en rassenhaat, werd een vierhonderd pagina’s dikke draak. McInerney schreef over een periode (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) waar hij duidelijk minder in thuis was. Weg van zijn New York leek hij ook ineens het schrijven verleerd. De vaart was eruit: uit de plot, die plotseling wel heel breed opgezet en clichématig werd, maar ook uit de geest van zijn verteller.
In het begeleidende media-bombardement hield de schrijver uiteraard vol dat hij met De laatste der Savages 'helemaal terug’ was, maar critici en lezers geloofden er niet in. En hijzelf eigenlijk ook niet, zo bleek in een interview dat Martin Bril in februari 1997 met hem had: 'I was great with lines back then, great with wisecracks.’ Het zijn de woorden van iemand die ooit een gave heeft gehad, maar weet dat hij die voorgoed kwijt is.
Die moedeloosheid is merkwaardig als je bedenkt dat hij op dat moment al werkte aan zijn onlangs in vertaling verschenen roman Model Behavior. En wat je verder ook van dit boek kan zeggen, de lines zijn helemaal terug.
De verteller van Modelgedrag heet Connor McKnight, is 'tweeëndertig tweederde jaar oud en er niet echt gelukkig mee’. Waarom hij dat niet is, wordt al snel duidelijk. Zijn vrouw, het fotomodel Philomena, vertrekt in het begin van de roman uit New York (!) naar Californië en blijkt niet van zins terug te komen. Bovendien lijkt de carrière van Connor al voorbij voor die goed en wel is begonnen: 'Ik heb een baan, nou ja, baan. Mijn baan heet “De huur betalen totdat ik mijn oorspronkelijke Filmscenario over Waarheid en Schoonheid schrijf”. Oftewel: stukken schrijven over beroemdheden voor CiaoBella! - een lifestyle-blad voor de jonge vrouw.’
Dit op zichzelf al niet vrolijk stemmende baantje staat vervolgens ook nog op de tocht omdat het hem maar niet lukt een jonge filmster voor een interview te strikken, waarschijnlijk omdat hij ooit in een recensie van een van diens films schreef dat 'de beste acteerprestatie werd geleverd door zijn auto, een British racing-groene Austin Healy met sexy spaakwielen en een diepe, hese stem’.
Bij al deze ellende vindt Connor troost bij zijn zwaar depressieve en hysterisch geëngageerde zuster Brooke, een striptease-danseres, en zijn vriend Jeremy Green, een 'Serieuze Schrijver’ die op niet erg serieuze gronden beroemd wordt en geobsedeerd raakt door zijn ex-hond Sean.
Ondertussen gebeurt er, zoals gebruikelijk in de romans van McInerney, niets en van alles. We maken tijdens een kolderiek etentje kennis met de drankzuchtige ouders van Connor, er worden verscheidene oppervlakkige society-feestjes bezocht en Connor krijgt te maken met een obsessieve fan. Verder voert de jacht op de filmster en Philomena hem langs een hele reeks bizarre personages. De acteur Townes bijvoorbeeld, die als volgt wordt gekarakteriseerd: 'Mijn achtergrondresearch wees uit dat Townes met een gevolg van middelbare-schoolvrienden reist. Dat wordt in de populaire pers soms opgevat als bewijs voor wat een loyale, gewone jongen hij is - in plaats van, zeg, iemand die veel hulp nodig heeft bij het rondsjouwen met zijn ego.’
Als dat geen lines zijn. Goed nieuws voor McInerney-fans: Modelgedrag zit er vol mee. De hoofdredactrice van het blad waar Connor voor werkt 'had mooi kunnen zijn als ze niet besloten had in plaats daarvan elegant te zijn’. Zijn zuster beschrijft Connor als 'baby in a bubble’: 'Ze bezit niet dat beschermende membraam dat de herrie en pijn van andere schepselen wegfiltert. Ze is volkomen poreus.’
Veel wijst er dus op dat we met een 'ouderwetse McInerney’ te maken hebben. De fotomodellen, de oppervlakkige vrienden en de worstelende schrijver zijn allemaal wat ouder geworden, in de jaren negentig wordt ge-emaild en zijn de 'juiste merken’ veranderd, maar verder is de schrijver in meer dan één opzicht weer thuis.
Dat hij daar niet van de ene op de andere dag is gekomen, wordt duidelijk bij het lezen van de Amerikaanse editie van Alfred A. Knopf, waarin naast de roman ook zeven niet eerder in boekvorm verschenen verhalen zijn opgenomen. De weg naar huis blijkt geforceerd en soms ronduit slecht proza te hebben opgeleverd, ook al wordt dat proza afgewisseld met een uiterst vermakelijke kijk op de filmindustrie van L.A. en 'Getting in Touch With Lonnie’, een ontroerend verhaal over een vrouw in een psychiatrisch ziekenhuis.
Al met al is McInerney met Modelgedrag na het diepe dal van het zuiden duidelijk weer op weg naar een volgende top. Dat dit boek toch niet kan wedijveren met zijn beste werk heeft waarschijnlijk te maken met het genre en, ironisch genoeg, met de wisecracks. Want waar zijn personages ooit zowel geestig als ontroerend konden zijn, zijn bij Connor McKnight de ironie en de (zelf)spot even te nadrukkelijk. Het resultaat is een komedie die de lachspieren volop bezighoudt, maar het hart onberoerd laat.
Op een nieuw hoogtepunt is McInerney dus nog niet. Niettemin is het nu weer spannend om de rit in zijn achtbaan te volgen. Misschien wel op weg naar een Brightness Falls van de jaren negentig.