International Film Festival Rotterdam

De hypnotische cinema

De kijker als participant in de filmwerkelijkheid – dat is het overheersende gevoel bij het zien van enkele hoogtepunten uit het programma van de 35ste editie van het Interna tional Film Festival Rotterdam.

Ringo en Inako zijn er opeens, zo maar op straat, zoekend. Zij zijn in hun late tienerjaren, ze hebben geen onderkomen. Vanuit een telefooncel bellen ze iemand. Een man komt. Hij neemt hen mee naar een appartement waar ze kunnen blijven. Dagen gaan voorbij. Ze eten, wassen zichzelf, bedrijven de liefde en lachen ook soms. De camera registreert dit alles op een ruwe manier. Het beeld is korrelig en vaak is het geluid van een ratelend super8mm-apparaat hoorbaar op het geluidsspoor. Dan, vanuit het niets, komt de confessie. Ringo gaat zitten, kijkt recht in de camera en begint bedaard te vertellen: hij ontmoette Inako een paar jaar geleden en werd meteen verliefd op haar. En zij op hem. Samen beleefden ze vele mooie uren. Toen bleek dat Inako zwanger was. Een paar maanden laten kregen ze een dochtertje. Alles werd anders. De baby huilde, en Ringo voelde zich zo geïrriteerd dat hij soms een sigaret uitdrukte op de huid van het kind. Ook Inako kon het niet meer aan, vertelt hij, en op een dag pakte zij het kind en gooide het op de grond. Nu bleef het kleine lichaam bewegingloos liggen. Zij brachten het naar de zee, waar ze het in het zand begroeven. Stilte. Dan toont de camera voor het eerst het gezicht van Inako. Ze zit op de grond. Ze zingt een lied. Zacht.

De filmkunst is het meest fascinerend wanneer ze de kijker op een hypnotische manier betrekt bij de vertelling, zodat er geen uitweg mogelijk is. Dat kan in de vorm zijn van een blockbuster, bijvoorbeeld Peter Jacksons King Kong, waarbij je drie uur lang geen seconde je ogen van het gigantische scherm durft te halen. Maar dat kan ook een intiem werk zijn als het op super8mm gedraaide Heart, Beating in the Dark (1982) van Nagasaki Shunichi, of zijn gelijknamige herverfilming ervan uit 2005, waarmee hij het verhaal van Ringo en Inako en hun verschrikkelijke geheim opnieuw vertelt én daarop voortborduurt. Of de hypnotische cinema kan zijn Aleksandr Sokoerovs intieme Kammerspiel rond de laatste dagen van de goddelijke heerschappij van keizer Hirohito, getiteld The Sun. Of avant-gardistisch werk als dat van de Britse regisseur Stephen Dwoskin.

Al met al actuele films: de veelvuldig besproken King Kong is nog steeds in de bioscoop, terwijl de twee versies van Heart, Beating in the Dark, The Sun en het gehele oeuvre alsmede nieuw werk van Dwoskin draaien op het International Film Festival Rotterdam (IFFR). Qua vorm en inhoud zijn deze werken uiteenlopend. Toch hebben ze gemeen dat ze de toeschouwer als het ware gevangen nemen in de donkere zaal. Hoe dat kan, is het mysterie van de cinematografie, dat ook het mysterie is van de goochelkunstenaar die een bezoeker uit het publiek naar voren haalt om een trucje te laten zien. Dat is een zelfbewust moment: de bezoeker weet heel goed wat er aan de hand is. En toch laat hij het over zich komen. Dat gebeurt ook in film.

Een van de mooiste voorbeelden van de zelfbewuste cinema – van film binnen een film – is de openingsfilm van het IFFR: Heart, Beating in the Dark, de versie uit 2005, van Nagasaki. Het is een complex werk dat handelt over de kunst van het filmmaken en over de kunst van het kijken. Ringo en Inako, de personages uit het originele Heart, Beating in the Dark, keren terug in de nieuwe film. Ze zijn nu Naito Takashi en Muroi Shigeru, de twintig jaar oudere acteurs die in 1982 de rollen van Ringo en Inako vertolkten. Maar Ringo en Inako zijn er ook als twee andere, soort gelijke personages, die nu Toru en Yuki heten. Om de wirwar van verhaallijnen duidelijk te maken: in Nagasaki’s nieuwe film is sprake van drie verschillende lijnen of werkelijkheden. Ten eerste zijn er beelden te zien uit het origineel; ten tweede zien we Nagasaki en de acteurs Naito en Muroi aan het werk aan de film waar we naar kijken; en ten derde zien we de nieuwe film waarin de oude Ringo en Inako elkaar ontmoeten, jaren na de gebeurtenis in het kamertje waar Ringo voor de camera vertelt wat er is gebeurd met hun baby en waar Inako zacht een lied zingt. Er is ook een nevenverhaal dat aansluit bij de lijn van de oude Ringo en Inako: Toru en Yuki zijn twee tieners die op straat verschijnen, iemand bellen vanuit een telefooncel en vervolgens hun intrek nemen in een kamertje. Daar eten ze, wassen ze zich en bedrijven ze de liefde. Dan neemt Toru plaats voor de camera, nu een digitaal apparaat, en begint te vertellen over zijn relatie met Yuki, hoe hij haar ontmoette en meteen verliefd was; hoe ze dagenlang in een hotelkamer verbleven waar ze de liefde bedreven; hoe ze samen, naakt, keken naar een zonsondergang. En hoe Yuki zwanger werd.

Alleen al het ontrafelen van het mysterie van de structuur – hoe de film in elkaar zit – geeft Heart, Beating in the Dark (2005) een dwingende kwaliteit. Wie is wie? Wie doet wat? Uit welk tijdperk?

Ondanks deze complexiteit is de vorm geving van beide films nuchter. Een super8mm-camera, een digitale camera. Meer niet. Het wisselen van perspectieven, van de oude film naar de nieuwe film, van de film zelf naar het making of-deel, geeft het werk iets fragmentarisch. Maar toch kristalliseert zich een autonoom verhaal over stagnatie, tijds verloop, verlies, schuld, verlossing en de aard van het verleden als een veranderlijke werkelijkheid. Is dat mogelijk, trouwens, het verleden veranderen? Kunnen de jonge Ringo en Inako, de oude Ringo en Inako en de «herziene versies» van hen, Toru en Yuki, de verschrikkelijke misdaad te boven komen? Is liefde mogelijk? Of rest deze mensen slechts een negatieve spiraal waarbij seks niet alleen een vorm van wraak is, maar vooral ook een uiting van zelfhaat? Wat blijft er over diep in hun binnenste? Kun je leven met het verleden? Wat is tijd?

Beide versies van Hearts, Beating in the Dark zijn rijke werken. Het valt aan te raden Nagasaki’s 2005-film meteen te zien na het bekijken van het origineel uit 1982. De resulterende ervaring is intens. Het vreselijkste voor de toeschouwer, zittend in de donkere zaal, kijkend naar de pijn van zes personages, is nog het geluid van een baby die lacht.

Pornografie is het genre dat de blik van de kijker het meest gevangen houdt. Het pornografische beeld heeft iets kaals, iets dwingends, en dat bevat de essentie van de blik van de voyeur. Op dit mechanisme speelt de Britse avant-garderegisseur Stephen Dwoskin in. De avant-gardecinema draait, net als pornografie, om het in beeld brengen van het ongewone, het abnormale. Of het abnormaal in beeld brengen van het vertrouwde, het alledaagse. Dat laatste doet Dwoskin met zijn nieuwste film Oblivion. In slowmotion en met extreme close-ups filmt de regisseur een aantal oudere vrouwen. Zij kleden zich uit en kleden zich erotisch aan. Ook zien we hen masturberend en hun geslachtsdeel scherend. Het is inderdaad geen gemakkelijke kost. In het festivalblad van het IFFR zegt Dowskin dat hij bewust de confrontatie heeft gezocht. Hij vermoedt dan ook dat zijn film het publiek zal verdelen. Sommigen zullen boos worden, anderen zullen nieuwe manieren van kijken ontdekken. Doordat de plek van de camera de plek van de kijker wordt, zegt Dwoskin, is de blik van de kijker niet langer objectief. De kijker is nu een deelnemer.

En dat is de hypnotische cinema: de kijker als participant in de act van de goochelkunstenaar, binnengezogen in een verhaal dat hij als fictief herkent, maar dat hij niet als zodanig kan negeren.

Een andere exponent hiervan is de Rus Aleksandr Sokoerov. Hij verwierf bekendheid met Russian Ark uit 2002, de in één take opgenomen ode aan de Sint-Peterburgse Hermitage. Maar Sokoerov maakte daarvoor al films waarin de kijker opgaat in het verhaal door de stille, beschouwende vormgeving. Een mooi voorbeeld hiervan is Father and Son (2003), waarin het beeld doorgaans schaduwrijk is met veel lichtbruine, chiaroscuro-tinten. Achtergrondgeluiden zijn er weinig; personages praten gedempt. Het is alsof je zit te kijken naar de droom van iemand anders. Dit effect keert terug in The Sun, Sokoerovs film over de nadagen van het rijk van keizer Hirohito en deel drie van een beoogde tetralogie over de persoonlijkheid en motieven van dictators. Eerdere delen zijn Moloch (1999), over Hitler, en Taurus (2001), over de laatste dagen van Lenin. Anders dan bij Hitler en Lenin vindt Sokoerov bij Hirohito tragische humor. De film speelt zich af tijdens het einde van de oorlog. Het is de zomer van 1945. De twee atoombommen zijn gevallen en generaal Douglas Mac Arthur is Tokio binnengetrokken. Japan is op zijn knieën, maar Hirohito blijft bezig met zijn obsessies: poëzie schrijven en het bestuderen van de marinebiologie. In zijn schuilkelder voelt hij aan dat zijn dagen als godheid zijn geteld, vooral wanneer MacArthur hem doelbewust vernedert door hem een doos chocolade van het merk Hershey’s cadeau te doen.

Issei Ogata als Hirohito levert een acteer prestatie van formaat. Hij heeft een balans gevonden tussen karikatuur en karakter. Dialoog is spaarzaam, zodat Ogata alle ruimte krijgt om te spelen met lichaamsbeweging en gezichtsuitdrukking. Hij zet Hirohito neer als een Charlie Chaplin, wat overigens ook de Amerikaanse fotografen opvalt wanneer zij foto’s van hem maken in de tuin voor zijn keizerlijk onderkomen. Aandoenlijk is de wijze waarop de grote Hirohito zich als een kind gedraagt voor de camera. Sokoerov en Ogata verbeelden zo volmaakt de tragiek van de keizer.

In The Sun, maar ook in de Nagasaki-films en in Dwoskins werk, bewegen de personages langzaam en afgemeten door de gangen van ge bouwen. Zoekend, nadenkend. Hetzelfde gebeurt op het Empire State Building, wanneer Ann alleen is met Kong en de vliegtuigen even weg zijn. Door de stilte begrijpen zij elkaar, vooral op het laatste moment als de grote aap finaal wegglijdt. En door de stilte kruipen wij in de huid van deze fi gu ren. Want dat is de kunst van fictie: het mysterie begrijpen van de personages en hun verhalen. Een kamer vol geheimen en confessies, een huis met oudere vrouwen die hunkeren naar seksueel verlangen, een schuilkelder van een keizer die ook een komiek is en die droomt over een verloren keizerrijk. En niet te vergeten: Skull Island. Dit zijn de locaties van de huidige cinema to grafische droom, die ons gevangen houdt als in een hypnose.

Nagasaki Shunichi en Stephen Dwoskin zijn Filmmakers in Focus tijdens het IFFR, met zowel retrospectieven als hun nieuwste werk.

The Sun van Aleksandr Sokoerov gaat in première op het festival.

Van 12 januari tot 5 februari