Gastcolumn

De hysterische gemeenschap

De geborgenheid van de kleine Caribische gemeenschap, zoals ook geschetst door V.S. Naipaul, is niet meerdan een mythe.

DE EERSTE ZIN van de Caribische literatuur was niet bepaald spectaculair: ‘What happening there, Bogart?’ Eigenlijk was dit niet echt de eerste zin, want Miguel Street (1959) van V.S. Naipaul opent met hoe Hat, de vriend van Bogart, elke ochtend op zijn veranda gaat zitten en dan het bewuste zinnetje uitroept. Maar Naipaul vertelde zelf in een interview dat dit de eerste zin was die hij tikte op zijn typemachine. De bondigheid ervan, het licht Caribische slang, dat beviel hem.
Er zijn scherpslijpers die beweren dat niet Miguel Street maar het twintig jaar eerder verschenen Creole Chips van Edgar Mittelholzer uit Brits Guyana het eerste literaire werk van West-Indië was. Maar niemand weet meer waar dit in eigen beheer uitgegeven boekje van de excentrieke Mittelholzer over ging, laat staan of de eerste zin spectaculair was of niet.
Bij eerste lezing vond ik Miguel Street heerlijk en hilarisch. Wat een prachtige figuren, eenduidig misschien, maar aandoenlijk: de timmerman die nooit werk had, de dichter die gedichten voor vier cent per stuk aanbood, de overspelige vrouw. De alledaagse wreedheid van alcoholisme, morele nonchalance en prostitutie. De parmantige gelatenheid, de dwangmatige neiging anderen de schuld te geven. Vergeefse aspiraties van mislukte mensen, zo vatte Naipaul de gemeenschap samen waar hij uit voortkwam.
Maar geheel per ongeluk was er iets in het boek geslopen wat Naipaul in de loop van zijn verdere carrière begon tegen te staan. In latere interviews wilde hij zelfs niet herinnerd worden aan Miguel Street en zei hij dat hij het enkel had geschreven om het geld.
De officiële uitleg van critici was dat Naipaul afstand nam van zijn Caribische boeken omdat hij zich schaamde voor de futiliteit van zijn geboortestreek. Maar ik ben geneigd het anders te verklaren, en ik ontdekte het pas na de zoveelste herlezing van Miguel Street. De verklaring is namelijk zo groot en dichtbij dat je het over het hoofd ziet: de menselijke warmte. Geborgenheid. Vertrouwdheid. Een zekere mate van wederzijdse zorgzaamheid.
Er was wel onderling bedrog en kwaadsprekerij in Miguel Street en Naipaul zou dat nog enorm uitvergroten in Een huis voor meneer Biswas. Het geroddel en gestook in de hindoestaanse uitgebreide familie waarin Biswas gevangen zat was hemeltergend. Maar het was en bleef een familie. Een kleine hechte gemeenschap, een Gemeinschaft zoals de Duitse socioloog Ferdinand Tönnies het noemde, in tegenstelling tot de Gesellschaft, wat de moderne, stedelijke wereld van geïndividualiseerde eenlingen en kerngezinnen was geworden. Hoe erg de onderhuidse afkeer in een Gemeinschaft ook is, als ’t erop aankomt staat men klaar voor elkaar.
Maar terwijl de beklemming en de benauwdheid in Een huis voor meneer Biswas pijnlijk voelbaar zijn, lukte het Naipaul niet die in Miguel Street zelfs maar enigszins zichtbaar te maken. Om je ambities te volgen moet je aan je gemeenschap ontsnappen, zoveel maakte hij wel duidelijk. Maar dat die gemeenschap zo veilig en behaaglijk aanvoelde als de moederschoot, dat had Naipaul in zijn eerste boek helemaal per ongeluk overgebracht.
We volgen de hoofdpersoon in zijn langzame volwassenwording. Hij is bevriend met iedereen, hij wordt overal toegelaten, in vertrouwen genomen, fatsoenlijk behandeld, als één-van-ons bejegend. Nooit wordt hij belazerd en bedrogen, nooit ervaart hij echt de pijn van anderen. Dat kon ook niet, omdat Naipaul koos voor een observerende, registrerende, passieve hoofdfiguur. In het boek werkte het prima, verhaaltechnisch was er geen vuiltje aan de lucht, maar het strookte niet met het wereldbeeld van de auteur. En dat begon Naipaul langzaam tegen te staan, zeker toen hij later zijn toon vond in Biswas, Guerrillas of A Bend in the River.
De bedrieglijkheid van het idee van de veilige, zorgzame gemeenschap kan ik het best met een eigen herinnering staven: ik groeide op in een eenvoudige straat in Paramaribo. Mijn vader en de vader van mijn vriendje waren onderwijzers, maar niet rijk. De andere bewoners van de straat waren nog armer: een creoolse timmerman die altijd dronken thuiskwam en dan zijn vrouw sloeg, een indiaan die overdreven gek was op zijn zwarte straathond, en verderop woonde een hindoestaan wiens vrouw was weggelopen met een bosneger, waarop hij besloot haar te gaan zoeken in het Surinaamse bos, dat toch iets groter bleek dan hij had gedacht. Clowns allemaal, personages uit Miguel Street.
Alleen de overburen waren rijk en hadden een tv. Door een raam mochten we ’s middags een half uur naar series als Lassie en Flipper kijken. Het waren boeroes, Hollanders die drie generaties eerder naar Suriname waren gemigreerd. Vijf meisjes met rood haar, blanke huid en roze lippen. Ze mochten nooit op straat spelen van de vader en zeker niet met ons omgaan, omdat wij niets goeds in de zin zouden hebben met zijn mooie dochters, waarin hij overigens gelijk had. Als hij ze ergens op betrapte, kregen ze een bijzondere straf: hij zette het strijkijzer aan en schroeide hun blanke huid kapot. Het gegil ging door merg en been, maar mijn vader en de vader van mijn vriendje deden niets. Ze waren geschoold en werden gerespecteerd, maar ze stapten niet op de overbuurman af en belden niet eens de politie. We mochten ons er niet mee bemoeien en als ik mijn vader strak aankeek tijdens het gekrijs verdiepte hij zich nog ernstiger in zijn krant.
Ziedaar wat de menselijke warmte, de geborgenheid en de veiligheid van de kleine gemeenschap waarin we opgroeiden waard zijn.
Naipaul moet gaandeweg hebben beseft dat hij met Miguel Street de gemeenschap uit zijn jeugd op onwaarachtige wijze had beschreven. Heel veel later zei hij: 'One always writes comedy at the moment of deepest hysteria.’ Maar die hysterie had hij in dit eerste boek niet boven water kunnen krijgen. Het begin van de Caribische literatuur is daarom gebaseerd op bedrog.