De man achter het T-shirt

De iconografie van Che Guevara

Che Guevara is een held van alle generaties. Hij, of liever: zijn beeld, is een symbool van een symbool geworden. Maar dat kon pas gebeuren nadat de verzetsstrijder onsterfelijk was geworden, dankzij zijn fascinerende leven, zijn dood en zijn sex-appeal.

THE ARGENTINE, het eerste deel van Steven Soderberghs tweeluik over Che Guevara, begint met de close-up van een paar laarzen, en vier uur later, in deel 2, Guerilla, eindigt de film daar ook mee. Het eerste paar draagt Che, terwijl hij in Havana geïnterviewd wordt, in 1964. Later dat jaar draagt hij ze, samen met zijn eeuwige olijfgroene overall, in New York, tussen intellectuelen en politici die zich aan hem vergapen, alsof hij wil aangeven dat hij ondanks alle glamour nog steeds een man van actie is.
Het tweede paar laarzen ziet hij in een hut in Bolivia, ze behoren toe aan de man die hem zojuist gedood heeft; het is het laatste wat hij ziet.
Het is, schreef een Amerikaanse recensent al, alsof Soderbergh wil benadrukken dat hij gefilmd heeft vanaf de grond, vanuit de modder, niet vanuit een hoger, politiek ideaal. Che als mens van vlees en bloed dus.
Naar eigen zeggen behoorde Soderbergh tot de T-shirt-generatie die nauwelijks wist wie Che Guevara was en met zijn film wilde hij dat goedmaken. Hij deed zeven jaar onderzoek. Samen met hoofdrolspeler Benicio del Toro (die beangstigend veel op Che lijkt) reisde hij naar plekken waar Che was geweest, sprak mensen die met hem hadden gestreden, liet zich rondleiden door zijn weduwe Aleida March en ontmoette zelfs Fidel Castro persoonlijk. In zijn tweeluik, dat in maart in Nederland in première gaat, wilde Soderbergh zijn publiek ‘the man behind the T-shirt’ laten zien, de ‘echte Che’: een man die met extreem engagement voor zijn idealen vocht en de wereld wilde verbeteren – als je Soderbergh wilt geloven.
In zijn film speelt Soderbergh slim in op het icoongehalte van de strijder: ‘How does it feel to be a symbol?’ vraagt een Amerikaanse journaliste, pen en bloknoot in de aanslag. Che luistert naar de vertaling van zijn tolk, neemt een diepe trek van zijn dikke sigaar en kijkt de interviewster met doordringende zwarte ogen recht in het gezicht: ‘A symbol of what?’
Toch dient de vraag zich aan of Soderbergh niet ook een klein beetje een eerbetoon in gedachten had. Waarom koos hij er anders voor om juist de jaren waarin Guevara als lid van de Cubaanse regering massa-executies liet doorvoeren weg te laten? De regisseur redeneert dat het hem ging om de twee guerrillaoorlogen, niet meer en niet minder.
Dit kan misschien als een motivering gelden voor de gekozen tijdvakken, het verklaart niet waarom Guevara bijna uitsluitend wordt neergezet als een idealistische, in de mensheid gelovende strijder, die tussen de veldslagen door burgers verpleegt en zijn medeguerrillero’s leert lezen en schrijven en zich netjes te gedragen. Kortom, een echte held met goede manieren. Waar blijft in dit plaatje de brutale, bloeddorstige en moordende Che die door zo veel overlevenden werd beschreven?

VOOR DE T-SHIRT-GENERATIE is het geen verkeerde vraag: wie was Che Guevara? Hij werd geboren als Ernesto Guevara de la Serna in 1928 in Rosario, Argentinië. Fatsoenlijke familie. Hij was het troetelkind van zijn ouders, een astmapatiënt. Ging geneeskunde studeren. Reisde uitgebreid door Zuid-Amerika. Raakte in Mexico bevriend met de Cubaanse banneling Fidel Castro, die hem overhaalde een communistische revolutie op Cuba te beginnen. Zo gezegd, zo gedaan: op 1 januari 1959 werd dictator Batista verslagen en de revolutie uitgeroepen. Na enkele jaren als minister probeerde Guevara hetzelfde, met minder succes, in Congo en Bolivia. In 1967 werd hij in Bolivia gevangen genomen en geëxecuteerd. Hij werd 39.
Maar dat is niet echt een antwoord op de vraag wie Che is. Of tenminste, dat is Che in de kale, feitelijke betekenis. Wie wil weten wat Che Guevara vandaag is, kan het best op de veilingsite eBay zoeken. Che is een logo. Naast verschillende versies van het T-shirt zijn er tassen, een wasmiddel (‘Che wast witter’), sigaretten, sieraden, aanstekers, bikini’s, poppetjes, onderzetters, muismatten en koelkastmagneten. Er is een Kipling-tas, een dekbedovertrek, Replay-shirt, kalender 2009 (twaalf keer dezelfde foto), de ‘originele’ baret, klok, mok, wijn, mannenparfum (‘Een geur voor een man die graag met vuur speelt’), behang. Er zijn boxershorts, stropdassen, vingerpoppen, horloges, portemonnees, et cetera, et cetera. De twee meest verguisde sporters van de vorige eeuw, Diego Maradona en Mike Tyson, dragen hem op hun arm. Louis Vuitton heeft een handtas gemaakt ter waarde van 45.000 dollar met kleine Che’tjes erop. Het schoenenmerk Converse All Stars heeft Che-schoenen. In Australië bracht Unilever een variant van het Magnum-ijsje op de markt met de smaak Cherry Guevara, ‘de revolutionaire strijd van de kersen werd verpletterd toen ze gevangen werden tussen twee laagjes chocolade, moge hun nagedachtenis voortleven in jouw mond’. Op een T-shirt dat wordt aangeboden op snorgtees.com (een populair bedrijf bij Amerikaanse studenten) staat Che met daaronder de tekst: ‘I have no idea who this is.’

HET IS GEK, die heldenverering van Che. Wie alle historische feiten op een rij zet ziet dat Che Guevara van alles was: misschien een superheld, maar dan ook een superschurk. Hij was populair bij het volk, dat wel, maar werd vaak beschreven als koud en berekenend. Als directeur van de beruchte gevangenis La Cabaña in Havana stond hij aan het hoofd van detenties, verhoren en executies van honderden ‘klassevijanden’. Niet alleen politieke activisten gingen eraan, maar ook musici, kunstenaars, homoseksuelen en anderen die op een of andere manier bestempeld werden als contrarevolutionair. Che’s devies luidde: bij de geringste twijfel executeren. Meer dan zestienduizend zogenoemde vijanden werden na de machtsovername zonder veroordeling vermoord. Che maakte van zijn gewelddadige gezindheid geen geheim. ‘Haat is een element van de strijd, hij maakt onze soldaten tot effectieve, gewelddadige en koelbloedige “killing machines”’, schreef hij.
Ook zijn rol tijdens de Cubaanse rakettencrisis is dubieus: Che zou hebben aangedrongen op het afvuren van de raketten op de Verenigde Staten. Een fatale tegenstrijdigheid: je kunt niet de grote revolutionair zijn die de wereld wil verbeteren en tegelijk op de rode knop willen drukken.
Dit alles is bekend en historisch onderbouwd. We zouden dus eigenlijk beter moeten weten. Hoe komt het dan dat Che zo’n onsterfelijk symbool is?

CHE’S ICONOGRAFIE is langs dezelfde weg tot stand gekomen als die van een hoop andere onsterfelijke figuren. Het begint allemaal met op de goede manier doodgaan. Het liefst jong. Het liefst in het openbaar. Jezus Christus zette de norm, boven op Golgotha. Zijn mythologie is deterministisch: juist de zuigkracht van zijn marteldood geeft meerwaarde aan al zijn andere toespraken, wonderen en ideeën. De doornenkrans en kruisgang geven de revolutionair zijn context. Bovendien houdt de dood hem viriel. De jonge dode revolutionair wordt nooit oud of dik. Zijn haar blijft vol, zijn overtuiging absoluut. Hij hoeft nooit concessies te doen aan zijn ideeën, hij wordt nooit een deel van de grijze gevestigde orde. Hij sterft voordat zijn werk voltooid is. Als zijn ideeën werkelijkheid worden, is hij een visionair, als ze nooit tot wasdom komen, kan hem niets kwalijk genomen worden – hij is immers dood, het ultieme absentiebriefje. Noem ze maar op: Rosa Luxemburg, James Dean, Marilyn Monroe, John Kennedy, Malcolm X, Jim Morrison, Kurt Cobain – onvervulde beloftes.
Che’s sterfscène is er een die op het witte doek thuishoort: nadat hij was opgepakt door het Boliviaanse leger, dat onder één hoedje speelde met de CIA, werd er geloot. Sergeant Mario Terán, die die dag jarig was, trok aan het kortste eind en ging de hut binnen waar Che gevangen zat. Hij laadde zijn Belgische uzi door, maar durfde niet te schieten – later zou Terán getuigen: ‘Zijn ogen fonkelden intens, hij was groot toen ik hem zag, immens’ – totdat Che tot hem sprak. Je bent hier om me te doden, zei Che: ‘Schiet dan, lafaard. Je hoef alleen maar een man te doden!’
Iedereen die ook maar iets over hem gelezen heeft kent de woorden, ze worden altijd herhaald. Zoals Jezus zijn Eli, Eli, lama sabachthani had, zo had Che zijn aanmoediging voor de beul.
De volgende dag werd zijn lichaam door nonnen gewassen en getoond aan de pers. Het beeld van de dode Che hoort thuis in de Renaissance, als een schilderij van Christus die van het kruis is gehaald.
Stap 2 naar onsterfelijkheid is sex-appeal. Geen meisjeskamer is behangen met posters van lelijke revolutionairen. Andreas Baader, Ali Hassan Salameh en Leila Khaled waren popsterren, met in plaats van een band achter zich een terreurorganisatie. Che had dat nog eens in de overtreffende trap. Het communisme had nooit persoonlijke glamour of seksueel charisma uitgebuit als verkoopmiddel. Het draaide om de massa – en massa’s zijn nu eenmaal grijs. En toen opeens was er de Cubaanse revolutie. Vooral de westerse wereld was gefascineerd door de groep machomannen met lang loshangend haar en ruige baarden, hun olijfgroene overhemden opengeknoopt, die een einde wilden maken aan Batista’s dictatuur. The Rolling Stones uit de jungle. De fallussymboliek van de sigaar spreekt voor zich.
Tellen Che’s ideeën dan helemaal niet mee? Dat is dan stap 3 op weg naar de eeuwige roem. Ideeën mogen er wel zijn, maar ze moeten niet te concreet zijn. De held moet sterven omgeven door een vaag ideaal, niet door een fanatiek dogma; op die manier is hij ook interessant voor mensen die zijn ideologie niet precies onderschrijven. Che schreef een aantal politieke werken, felle geschriften doordrongen van een puriteins antikapitalisme, maar die worden, en werden, nauwelijks gelezen. Het enige wat wél gelezen wordt zijn de dagboeken die hij bijhield toen hij als student geneeskunde samen met zijn boezemvriend door Latijns-Amerika reisde, achter op een oude motor. In 2004 werden ze nog verfilmd (The Motorcycle Diaries); vorig jaar kwam er een nieuwe editie van uit in Nederland.
In die dagboeken staat Che in de traditie van Jack Kerouac en Neil Cassady, een Beatnik, die de wereld wil ontdekken en wil verbeteren. Che is een held die meer past bij de Romantiek dan bij het communisme, schreef Christopher Hitchens ooit. Hij stierf niet alleen jong, maar ook voor een hopeloos ideaal: ‘Als je Che als een held ziet, dan is dat eerder als Byron dan als Marx.’

ZIJN KRUISGANG in Bolivia kwam met een geweldig goede timing, precies toen er vraag was naar een links icoon, een marxistische martelaar, in de late jaren zestig; massaopstanden van links georiënteerde studenten stonden voor de deur, een hele generatie protesteerde tegen de Koude Oorlog, de conservatieve maatschappij, het militaire optreden in Vietnam. ‘Che leeft!’ werd er op muren gekalkt in Parijs, Praag, Berkeley en Belfast. De Black Panthers rustten zich naar zijn voorbeeld uit met een baret. Jean-Paul Sartre vertelde demonstrerende studenten dat Che ‘de meest complete mens’ was die hij ooit had ontmoet.
Hollywood sprong er vlug op in en in 1969 verscheen de eerste biopic, Che!, met Omar Sharif in de titelrol. Het was een draak. De gezaghebbende criticus Roger Ebert schreef dat het niet anders kon dan dat ‘een studiobaas dollartekens in de ogen kreeg na het zien van de verkoopcijfers van de Che-posters die in meisjeskamers door het hele land aan de muur hangen’.
Die poster is het begin van de iconografie. In 1960 had de Cubaanse Alberto ‘Korda’ Diaz Guiterrez een foto van Che genomen bij de herdenking van een dodelijk ongeval met een vrachtschip geladen met munitie, in de haven van Havana. Korda, daarvoor vooral actief als naaktfotograaf, kreeg Che in zijn lens terwijl hij in de verte keek, met een strijdlustige, vastberaden blik in zijn ogen. Guerillo Heroico, noemde Korda de foto.
Direct na Che’s dood had de Italiaanse uitgever Giangiacomo Feltrinelli Korda verzocht of hij de foto mocht gebruiken, als illustratie bij de Italiaanse uitgave van Het Boliviaans dagboek, dat Che tijdens zijn laatste omzwervingen door de jungle had bijgehouden. Dat mocht. Uit sympathie voor Che’s missie besloot Feltrinelli meteen maar de foto op posterformaat te printen en affiches door heel Europa te sturen – naar Frankrijk, Nederland en Ierland – zodat ze gebruikt konden worden bij demonstraties.
In Ierland zag de grafisch ontwerper Jim Fitzpatrick de foto in het Duitse tijdschrift Stern. Hij had Che ontmoet in Ierland, tijdens diens ‘wereldtournee’ begin jaren zestig, en was meteen onder de indruk van zijn uitstraling. De afbeelding in Stern was te klein om er iets mee te kunnen doen, maar via een Nederlands Provo-lid kreeg Fitzpatrick een grotere versie van de foto. Hij probeerde wat uit, en het eindproduct was de eerste pop-art-versie van Guerillo Heroico: het zwart-witte hoofd tegen een rode achtergrond met een gele ster op de baret.
Al in de eerste jaren na Che’s dood werd er geprotesteerd tegen de manier waarop hij werd afgebeeld. De grote marxistische historicus Erik Hobsbawm, die Che op Cuba ooit nog geïnterviewd had, schreef in 1969 dat Che ervan gegruwd zou hebben – hij stond op het affiche van een tentoonstelling over homoseksualiteit, hij sierde de cover van het tijdschrift Vogue, dat toch een zeer kapitalistische reputatie had. In 1970 stond er een artikel in Time Magazine waarin een Palestijnse guerrillastrijder aan het woord kwam die desgevraagd antwoordde dat hij de naam even was vergeten van de man op zijn button, maar dat hij wist dat het een belangrijke fedjahdin was, ‘uit Jaffa, meen ik’.
Voor een deel had dat met Fitzpatricks bewerking te maken. In zijn ontwerp was Che teruggebracht tot drie kleuren; alle elementen die verwezen naar de actualiteit of een politieke overtuiging waren verdwenen. Dit maakte het portret niet alleen tijdloos, maar gaf het ook een universeel karakter. Ook de blik van Che bood ruimte voor interpretatie: je kon erin zien wat je wilde. Op deze manier kon hij uitgroeien tot een tijdloze rebel, hét symbool voor iedereen die ergens tegen was.
Bij deze rebelse connotatie bleef het niet. De bewerkte versie van Guerillo Heroico lijkt de perfecte illustratie bij Walter Benjamins befaamde essay Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid (1935). Benjamin stelt dat de uniciteit van een kunstwerk verloren gaat door dat oneindig ‘mechanisch’ te reproduceren, te verspreiden en daarmee uit zijn context te halen. Zoals de Zonnebloemen van Van Gogh of de Mona Lisa van Leonardo da Vinci. De foto van Korda past in dat rijtje: door de massale verspreiding ervan en door het eindeloze hergebruik op kleding en gadgets heeft hij wat Benjamin zijn ‘aura’ noemt verloren. In dit geval gaat het minder om de magische uniciteit van een kunstwerk dan om de historische context. De afbeelding wordt gereduceerd tot een consumptiemiddel. Precies wat pop-art-kunstenaars als Andy Warhol in de jaren zestig wilden bereiken.

ER GINGEN nog een paar decennia overheen voordat het zo ver was. In de jaren zeventig en tachtig was er nog genoeg maatschappelijke onrust die onder de vlag van Che viel. De RAF in Duitsland in de jaren zeventig, de Rode Brigades in Italië, het anti-Amerikanisme tijdens de Vietnamoorlog; in de jaren tachtig de kraakbeweging in Nederland. Pas toen het maatschappelijk debat afkoelde verdween Che naar de achtergrond. De Muur viel. Het communisme werd doodverklaard. Eigenlijk voerden alleen de Zapatista’s in Mexico en de antiglobalismebeweging hem op als icoon. De punkband Rage Against the Machine had hem in zijn logo. Maar dat waren niches, kleine uitzonderingen. Er was bij jongeren geen vraag naar een links icoon.
Pas in 1997 kwam er een nieuwe Che-Welle. Dertig jaar na zijn dood verschenen twee dikke nieuwe biografieën, een van de Franse journalist Jean Cormier – Che Guevara: Een biografie – en een van de Amerikaan Jon Lee Anderson: Che Guevara: A Revolutionary Life. Voor zijn boek was Anderson, redacteur van The New Yorker, naar Bolivia gereisd en had ontdekt waar Che’s resten waren begraven. Che Guevara werd met een groots opgezette ceremonie herbegraven in Santa Clara, op Cuba.
Tegelijk met Cormiers biografie keerde Che weer terug in de commercie, zonder historische context, maar kleurrijker dan ooit. Het waren de jaren negentig, waarin postmoderne ironie de boventoon voerde. De jonge consument was niet meer geïnteresseerd in politieke vraagstukken, maar kon wel de gave retro-look van Oostblok-logo’s waarderen. Opeens waren overal voetbalshirtjes te koop van Oost-Duitsland, de Sovjet-Unie en Chili, shirts die zo onaantrekkelijk ontworpen waren dat ze juist weer aantrekkelijk werden. Waar ‘CCCP’ op de borst voor staat, deed er voor de nieuwe generatie niet toe. Hetzelfde gebeurde met de opkomst van de Arafat-sjaals.
Che paste naadloos in nieuwe marketingstrategieën die in die tijd opkwamen. Naomi Klein noemde het in No Logo een ‘market marsala’: grote merken (conservatief) lijven symbolen en personages in die bekendstaan om hun tegencultuur-normen en -waarden (progressief)‚ als ‘indie’, in de wetenschap dat het de klant toch niets uitmaakt. Die paradox spreekt de klant alleen maar aan. Bij Che Guevara lag in deze tegenstrijdigheid nog eens een lading pure ironie: een socialist werd voor kapitalistische doeleinden gebruikt. De aantrekkelijkheid van Che als reclamelogo werd nog eens groter doordat er geen beeldrechten op de foto van Korda rustten; iedereen kon hem gebruiken.

BIJ DE ROOIE RAT, een politieke boekenwinkel in Utrecht, hebben ze een apart plankje – ‘Che Quevarra’ staat erop, waarschijnlijk socialistiese spelling – met allerlei boeken over Che. Volgens de winkelier is er nog altijd vraag naar. Hemelsbreed vijftig meter verderop, in De Bijenkorf, is Che op allerlei prullaria terug te vinden in de Chill Out, de kledinghoek voor jongeren. Daar zegt de verkoper dat Che op een T-shirt wel weer zijn beste tijd heeft gehad.
De overbekende afbeelding is commercieel uitgemolken en de Guerillo Heroico is een symbool van een symbool geworden. The Onion, een satirische website, biedt een T-shirt te koop aan met een Che daarop, die een T-shirt van Che aan heeft, een soort Droste-effect. ø