Maarten Doorman

De ideale criticus

Maarten Doorman, De vrede graast zonder genade
Uitg. Bert Bakker, 32 blz., ƒ19,95

De nieuwe hoogleraar literaire kritiek Maarten Doorman zet zich in zijn pas verschenen oratie aangenaam af tegen zijn voorganger aan de Vrije Universiteit Hugo Bousset. Deze verwierp de traditionele kritische benadering van de roman en stelde in de voetsporen van Roland Barthes dat het slechts ging om «het genot van de tekst» in confrontatie met andere teksten. Deze en andere vormen van literair relativisme worden door Doorman bestreden, vooral wanneer het onderscheid tussen betere en slechtere literatuur dreigt te verdwijnen. Hierdoor heeft de klassieke canon een elitair en verwerpelijk karakter gekregen en is kwaliteit tot een verdachte eigenschap geworden. Maarten Doorman richt zijn kritiek voornamelijk op uit de Verenigde Staten afkomstige soorten literatuurbeschouwing die de theorie op de voorgrond plaatsen ten koste van de literatuur. Een van de sleutelbegrippen is intertekstualiteit, waarbij een literair werk louter als een tekst wordt beschouwd die een interactie met andere teksten aangaat.
In navolging van structuralisme en deconstructivisme zijn ook in Nederland bewegingen als Cultural Studies uit moerassige gronden gestampt, die genderperspectief, etniciteit en postkoloniale theorieën tot uit gangspunt nemen en literatuur vaak gebruiken — misbruiken — om een maatschappelijk standpunt te illustreren en te propageren. Ik zou hieraan toevoegen dat wanneer politieke correctheid als overheersende ideologie wordt ingezet het resultaat pas echt desastreus is. Even kwalijk vind ik literatuurwetenschappers die negentiende-eeuwse werken vanuit een zuiver postmodern standpunt analyseren en de historisch-culturele context eenvoudigweg negeren, of literatuurwetenschappers voor wie alleen de theorie telt en die in feite een nogal schokkende minachting voor literatuur tentoonspreiden.
Het is niet zo dat Maarten Doorman het gehele postmodernisme van tafel wil vegen: waar hij naar streeft, is de mogelijkheid om over literatuur te oordelen. Volgens hem is het heersende relativisme een erfenis van de Romantiek, die een ideale voedingsbodem voor literaire kritiek is geweest maar tegelijk ook een algeheel wantrouwen jegens het intellect uitstraalde. Dit anti-intellectualisme heeft de literaire analyse als destructief gekenmerkt en de kritiek het recht ontzegd om een oordeel uit te spreken. De criticus werd tot literaire ambtenaar en zelfs ijskoude moordenaar van teksten bestempeld, terwijl voor Doorman het schrijven en denken over literatuur ontegenzeggelijk tot dezelfde praktijk behoort als die literatuur zelf.
Naar Doormans mening moet de ideale criticus vier dingen doen. Hij moet informeren door het boek een plaats te geven in het oeuvre van de schrijver en in de bredere context van de hedendaagse literatuur, zonder het helemaal na te vertellen. Hij moet oordelen en zich niets aantrekken van het tegenwoordig geldende standpunt dat de lezer zelf uitmaakt of een boek goed is of niet. Hij moet zijn kritiek beargumenteren, dat wil zeggen dat hij zijn oordeel toetsbaar moet maken voor andere lezers om dit overtuigingskracht te verlenen. En hij moet engageren, betrokkenheid tonen, zich verzetten tegen onverschilligheid en getuigen van geloof in de literatuur. Doorman gebruikt het woord «engageren» zonder «zich», en ontdoet het daarmee van sartriaanse connotaties. Wat mij betreft moet de criticus ook analyseren en interpreteren, en liefst naar een psychologische verklaring zoeken voor de persoonlijkheid en handelingen van romanpersonages. Daar ontbreekt het in Nederland nogal eens aan. Interpretaties zijn natuurlijk altijd subjectief, en het is aan de lezer om zelf naar verklaringsmodellen te zoeken, maar beroepsmatige lezers kunnen hem daarbij op weg helpen. Niet alleen verrijken interpretaties de literatuur, zij kunnen ook de bron vormen waaruit nieuwe literatuur ontstaat. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met psychoanalytische interpretaties van autobiografieën, die nieuwe vormen van «schrijven over jezelf» tot gevolg hebben gehad.
Maarten Doormans visie op het hedendaagse literaire bedrijf is niet rooskleurig. Het poldermodel van sociale consensus en het gemakshalve uit de weg gaan van de publieke confrontatie doet helaas ook in de literatuurkritiek opgang. Werkelijk belangwekkende discussies over literatuur zijn de afgelopen jaren niet gevoerd. In de recensies in kranten en tijdschriften krijgen debuterende eendagsvliegen evenveel ruimte als gevestigde namen, en ook dat is een gevolg van de relativerende houding van critici. Toch vraag ik mij af of deze vorm van relativisme zijn langste tijd niet heeft gehad. Waar ik mij vaak aan erger, is iets anders: de extreem kritische standpunten die literatuur- en kunst critici innemen tegen welk artistiek product dan ook. Het mooiste voorbeeld is Germaine Greer, die in het cultureel magazine van de BBC Newsnight Review regelmatig een boek, film, toneelstuk, expositie of televisieserie met malicieus genoegen afkraakt. Greer weet overal wel iets van en doet dat met verve, maar deze superkritische houding en het ontbreken van enig enthousiasme, laat staan engagement, dat de nieuwste uiting van relativisme kenmerkt en door sommige Nederlandse critici klakkeloos wordt overgenomen, lijkt mij minstens even verdacht. Ook hier is kwaliteit verdacht en gaat het uiteindelijk alleen om het verbale steekspel waarmee zelfgenoegzame intellectuelen al te vaak hun vermeende superioriteit willen tonen.