Cosima Wagner, Tagebücher: Eine Auswahl von Marion Linhardt und Thomas Steiert

De ideologische grondtoon van Wagner

Cosima Wagner

Tagebücher: Eine Auswahl von Marion Linhardt und Thomas Steiert

Piper, 479 blz.

Richard Wagner heeft twee gezichten. Aan de ene kant is hij de componist en dichter die in de negentiende eeuw de opera heeft vernieuwd en die wordt gezien als de «grootmeester van de romantische Duitse opera». Zijn meeslepende muziek die voert naar de betoverende wereld van oude sagen en mythen fascineert nog altijd veel mensen, en wie gedurende de maand augustus de Festspiele in Bayreuth wil bijwonen, waar jaarlijks opera’s als Tristan und Isolde en Parsifal worden uitgevoerd, moet enkele jaren geduld hebben. De wacht lijst voor kaartjes is lang.

Maar er is ook die andere Wagner: de linkse revolutionair die in 1849 in Dresden op de barricaden stond, maar die zich na de mislukte revolutie ontwikkelde tot een rechtse nationalist en dweperige vriend van de dwaze Beierse «sprookjeskoning» Ludwig II. En Wagner was antisemiet. Hij haatte de joden en wilde dat ze uit Duitsland zouden verdwijnen. In 1850 publiceerde hij, anoniem, het pamflet Das Judentum in der Musik, waarin hij zich keerde tegen de Ver jüdung der moderne Kunst. Het pamflet verscheen nog een keer in 1869, dit keer onder Wagners eigen naam.

Het zijn deze beide Wagners die de lezer ontmoet in de dagboeken van Cosima Wagner, geschreven tussen 1869 en 1883. Cosima was de dochter van componist en piano virtuoos Franz Liszt en de Franse gravin D’Agoult. Ze was gehuwd met de dirigent Hans von Bülow, maar raakte in 1863 geheel in de ban van de 24 jaar oudere Wagner. In 1868 dirigeerde Von Bülow in München met veel succes Wagners Die Meistersinger von Nürnberg, waarna Cosima hem vertelde dat ze met Wagner wilde trouwen. Ze reisde naar Tribschen bij Luzern, waar Wagner was gaan wonen nadat Ludwig II hem onder druk van de Beierse regering en de publieke opinie het land uit had gezet. De forse geldbedragen die Wagner voor zijn werk verlangde en zijn buitenechtelijke relatie met Cosima hadden de spilzieke componist hoogst impopulair gemaakt. Ludwig bleef hem echter financieel ondersteunen.

In Tribschen begon Cosima met haar dagboek. Ze deed dat vooral voor haar kinderen, want, zo schreef ze op 1 januari 1869, «jullie moeten elk uur van mijn leven leren kennen». Vier dochters had ze toen: Daniela en Blandine uit haar huwelijk met Von Bülow en Isolde en Eva uit haar relatie met Wagner. Maar er was een vijfde kind op komst. Begin juni 1869 werd Siegfried geboren, roepnaam Fidi, en vooral deze zoon moest later weten hoe zijn vader had geleefd, gedacht en gewerkt. Want dat Siegfried ooit in de voetsporen van zijn vader zou treden, stond bij voorbaat vast.

Siegfried, gestorven in 1930, heeft de dagboeken van zijn moeder echter nooit in handen gehad, aldus de Oostenrijkse historica Brigitte Hamann. Cosima gaf die dagboeken in 1906 aan haar dochter Eva en die deponeerde ze in 1935 in een verzegeld pakket bij de burgemeester van Bayreuth. Eva bepaalde dat de dagboeken (21 dikke schrif ten, in totaal vijfduizend pa gina’s) pas dertig jaar na haar dood mochten worden gepubliceerd. Een en ander leidde ertoe dat de dagboeken pas in 1974 vrijkwamen voor pu blicatie. Ze verschenen enkele jaren later.

Van die dagboeken is onlangs in Duitsland een beknopte versie verschenen. Twee muziekwetenschappers hebben een selectie gemaakt die ongeveer twintig procent van de totale tekst omvat. Dat lijkt weinig, maar het boek geeft toch een vrij behoorlijk beeld van de laatste veertien jaar van Wagners leven. Het meest interessante van het boek is dat hier iemand aan het woord is die alles van zeer nabij heeft meegemaakt en dit direct, zij het wat chaotisch, heeft genoteerd. Die notities waren voor Cosima glashelder, maar zijn dat helaas niet meer voor de huidige lezer. Personen en gebeurtenissen zijn vaak niet meer direct herkenbaar en het register biedt niet steeds uitkomst. Het lezen van de dagboeken is dus niet eenvoudig en vereist enige kennis van het leven van Wagner en van zijn tijd.

Daarmee in tegenspraak lijkt dat Cosima bij haar aantekeningen een vast patroon volgt. Ze begint vaak met het opstaan, noteert of «R.» (waarmee ze Wagner aanduidt) goed heeft geslapen, hoe zijn hu meur is en zijn gezondheidstoestand, wat hij heeft gedroomd en welke muziek hij heeft gespeeld. En ze meldt trouw hoe de dag wordt afgesloten: welk literair werk ze samen hebben gelezen, welke mu ziek ze al dan niet samen hebben ge speeld, waarover ze hebben gesproken. Richard, Cosima en hun vijf kinderen leidden ogenschijnlijk een har monieus en gelukkig leven, eerst in Tribschen en later in de villa Wahnfried in Bayreuth.

Cosima verzwijgt echter niet dat dit geluk regelmatig wordt overschaduwd. Allereerst geschiedt dat door haar eigen schuldgevoelens. De scheiding van Hans von Bülow drukt als «een grote schuld op mijn ziel», schrijft ze en het is opvallend hoe vaak ze aan haar voormalige echtgenoot denkt. Dit schuldgevoel wordt gecompenseerd door het diep gevoelde besef dat het haar roeping is Wagner te dienen, zodat deze zijn grote werk kan voltooien. Die roeping verlangt offers, maar Cosima is gaarne bereid die te brengen. Zo schrijft ze: «In de kloof die hem van de wereld scheidt, leg ik mijn liefde, mijn arme oneindige liefde, liefde die naar offers verlangt.»

En als we Cosima mogen geloven, was Wagner zich evenzeer be wust van het feit dat hij zonder haar niet kon functioneren. Wagner: «Als jij weg bent, mis ik de haak waaraan ik hang, ik zak dan in elkaar.»

Maar toch kan ze zichzelf niet geheel wegcijferen. Wagners heerszuchtige karakter kan ze niet verborgen houden. Duidelijk wordt dat de patriarch geen tegenspraak duldt, snel gekrenkt is, onredelijk kan zijn en jaloers wordt zodra Cosima te veel aandacht aan haar vader schenkt. Gedurende zijn laatste levensjaren wordt Wagners gezondheidstoestand slechter en nemen de spanningen en con flic ten toe. Cosima lijdt eronder.

In de dagboeken worden de grote gebeurtenissen niet vergeten. In 1870 breekt de oorlog tegen Frankrijk uit, waarbij Wagner vol overtuiging aan de kant staat van Bismarck en Pruisen. En in 1871 zijn de Duitse eenheid en het keizerrijk een feit. Wagner componeert zijn Kaisermarsch. Dat de oorlog de ellende van de arbeidersklasse in de grote steden nog heeft vergroot, ontgaat Wagner niet. Cosima noteert als Wagners reactie hierop dat grote steden maar beter kunnen worden afgeschaft, want deze brengen gepeupel voort en gepeupel is on-Duits.

Het Duitse keizerrijk was maar een halve democratie. Bismarck had het algemene en gelijke stemrecht voor mannen ingevoerd, maar er was geen ministeriële verantwoordelijkheid. Maar dat vindt Cosima al te veel. Begin 1874 noteert ze: «Bezoek van de burgemeester; geschrokken over de verkiezingen – Duitsland helemaal niet geschikt voor het algemeen stemrecht. De goeden, tevreden met de regering, onthouden zich en alleen de kwaden zijn actief (joden, ultramontaten en socialisten).»

Het antisemitisme duikt steeds weer op in de dagboeken. Soms staan er alleen wat losse opmerkingen, en soms citaten van Wagner. Op 27 december 1878 noteert Cosima: «Het gesprek eindigt met een opgewonden schildering van het kwaad dat de joden over Duitsland hebben gebracht. R. zegt: persoonlijk heb ik de beste vrienden onder de joden gehad, maar hun emancipatie en gelijkstelling, voordat wij Duitsers iets waren, waren verderfelijk. Hij meent dat Duitsland is vernietigd. (…) De Duitser wordt door de jood uitgebuit en uitge lachen.»

Wagner was toen al lang niet meer de enige antisemiet in Duitsland. In die tijd ontstond een antisemitische beweging onder leiding van de Berlijnse hofpredikant Adolf Stoecker. Wagner ging er prat op dat hij aan het begin van die beweging had gestaan. Op 11 oktober 1879 schrijft Cosima: «…en ik lees een zeer goede rede van dominee Stoecker over het jodendom. R. is voor volledige uitwijzing. Wij lachen erover dat werkelijk, zoals het schijnt, zijn artikel over de joden het begin was van de strijd.»

Het meest macaber is Wagners reactie op een ramp in Wenen, waar in december 1881 brand uitbrak in een theater tijdens een voorstelling van Nathan der Weise van Lessing. Daarbij kwamen vierhonderd joodse bezoekers om het leven. Dat bericht bereikte ook Bayreuth. Op 18 december schrijft Cosima: «Hij zegt, heftig schertsend, alle joden moeten in een uitvoering van Nathan verbranden.»

Dat Wagner ook niet gunstig dacht over de Duitsers en over de regering in Berlijn heeft Cosima eveneens vastgehouden. Op 31 ja nuari 1880 citeert ze Wagner: «Niet dom zijn die die daar boven heersen, maar slecht: ze weten alles, de Judenwirtschaft, alles, maar ze willen het zo hebben, wanneer iets behoorlijks zou ontstaan dan is het met hen voorbij.» In die tijd spreekt Wagner erover dat hij naar Amerika wil emigreren.

Emigratie vindt niet plaats, maar vanwege Wagners slechte gezondheid verblijft het gezin na 1880 steeds langer in Italië. Wagner sterft op 13 februari 1883 in Venetië. Cosima schrijft niet meer in haar dagboek. De artistieke leiding van de Festspiele komt nu in haar handen te liggen. In Bayreuth begint de Wagner-cultus met Cosima als priesteres.