Na de moord op Zoran Djindjic

De idioot, de bedrieger en de rat

BELGRADO — Op het moment dat Djindjic wordt vermoord, zet Mira de schaar in mijn pony. Haar mobiel gaat. Álle mobielen in de kapperszaak gaan. Monden stoten kreten uit, roepen God aan. Op kantoor? Nee, in de auto, nee in de tuin! Drie daders? Twee? Gevlucht, nee! Mira zegt: «BBC en CNN hebben uitgezonden dat hij dood is.» Iedereen zwijgt. Alle mobiele netwerken zijn down.

Zoran Djindjic was niet zo geliefd als westerse commentaren het doen voorkomen. Hij was «arrogant», «hielenlikker van het Westen», «de irritante beste leerling van de klas». Zijn hervormingen brachten hogere rekeningen, minder salaris, het tribunaal. «Noodzakelijke offers, wil Servië ooit bij Europa horen», zei Djindjic. Met de scepsis van een zieke die de pillen van de dokter wantrouwt maar ’s nachts bidt dat ze helpen, slikten Serviërs heimelijk zijn woorden. Ze hoopten zo ooit te leven in een «normaal» land: zonder visa, zonder angst en met genoeg geld voor de bioscoop of nieuwe sportschoenen. Die hoop is kapotgeschoten.

De tv herhaalt eindeloos het beeld van een gewonde Djindjic. «Als hij niet veilig is, wie wel?» fluistert medewerkster Gordana. «Hoe hebben jullie de dood van Pim Fortuyn ooit verwerkt? Gelukkig zijn we niet het enige land waar zoiets mogelijk is!» De aangeslagen regering kondigt de noodtoestand af. «Ze gaan toch geen vliegtuigen sturen?» prevelt een vrouw bij de bushalte. «Nee oma, dat is geweest», probeert een man te troosten. «Het kan nu hooguit burgeroorlog worden.» Niemand in Belgrado vraagt: een burgeroorlog van wie tegen wie?

Op tv worden doorlopend foto’s van «de bende uit Zemun» getoond, die achter de moord zou zitten. Hun bijnamen: Peetvader, Rat, Rugzak, Idioot. Bij het regeringsgebouw blijft wegens grote toeloop het condoleance register dag en nacht open. Een meisje wacht uren in de sneeuw. «In dit land moet iemand sterven voordat ze inzien hoe bijzonder hij was. Het enige wat ik ooit wilde was naar het buitenland. Door Zoran ben ik gebleven. En nu is hij weg.»

Op elke straathoek gemaskerde mannen in uniform. Auto’s worden aangehouden, papieren gecontroleerd, huizen doorzocht. Het «kasteel» van Legija, de leider van de «bende», wordt door bulldozers met de grond gelijkgemaakt. Althans dat is de bedoeling; het gebouw wil maar niet instorten. Hoe symbolisch voor het huidige Servië.

Buurvrouw Ivana is woedend: «Laat ze er een ziekenhuis van maken! Ze legitimeren met die sloop al die andere paleizen, gebouwd van bebloed geld. Seselj was burgemeester van Zemun, hij speelde elke dag schaak in ‹het kasteel›! Hij is op eigen kosten naar het Haagse Tribunaal vertrokken, om er te schuilen natuurlijk! En wat doet het vliegtuigpersoneel: een eersteklas stoel aanbieden!»

Volgens advocaat Popovic, die zowel Seselj als Djindjic in het communistische Joegoslavië verdedigde, is «de georganiseerde misdaad» door het regime van Milosevic gecreëerd. Criminelen werden ingezet in oorlogsgebieden onder leiding van Jovica Stanisic, het hoofd van de geheime dienst en politie en tevens oprichter van «de rode baretten». Op 5 oktober 2000 stonden die onder het commando van Legija. «Djindjic en Legija hebben deals gesloten, anders was de revolutie nooit vreedzaam verlopen», zegt Popovic. «Maar Djindjic hield zich er niet aan: Legija zou worden uitgeleverd aan het tribunaal.»

Popovic voerde maandenlang een pennenstrijd in het blad Vreme om duidelijk te maken dat Serviërs de misdaden die zijn begaan, moeten bekennen. Zijn teksten riepen hevig protest op. Hij zou verrader zijn en het hele Servische volk schuldig verklaren. Nu krijgt Popovic zijn bittere gelijk. «Als mensen als Legija waren berecht, zou Djindjic nog leven.»

De ochtend van de begrafenis is koud, de wacht in de straten verzet de voeten, beweegt de bevroren vingers. Een half miljoen mensen lopen in doodse stilte achter de kist van de man die het bloedvergieten wist te voorkomen. «We hebben tweeënhalf jaar gewacht met wakker worden. Servië hoopte dat het kankergezwel vanzelf over zou gaan. Het is nu of nooit om het voorgoed weg te snijden.»

Het kasteel in Zemun wordt met explosieven tot ontploffing gebracht. «Gaan ze het huis van de peetvader van Djindjic, die sinds de oorlog miljonair is geworden, ook opblazen?» tiert Ivana. «En het huis van de rechter die na de vorige aanslag op Djindjic is omgekocht om de dader te laten lopen?»

Als de stoet op de begraafplaats arriveert, breekt de zon door. Omstanders fluisteren dat Kroatische en Bosnische regeringsleiders zijn gekomen. «De beste van de klas» heeft zijn laatste taak vervuld: voormalige vijanden staan vreedzaam naast elkaar bij zijn kist. Ministers die volgens Ivana «in elk normaal land hun ontslag zouden aanbieden» zijn in stemmig zwart achter de weduwe opgesteld. De peetvader van Djindjic draagt de kist. Ivana huilt van woede. Haar mobiel gaat. Had ze die niet van «een dankbare klant» gekregen? En die laptop, hoe komt ze daar ook alweer aan?

De partijleider speecht: «Zoran is vermoord door de idioot, de bedrieger en de rat. Vanaf nu is voor idioten, bedriegers en ratten geen plek in dit land».

Serviërs keren zwijgend huiswaarts. Niemand weet beter dan zij wie de idioot, wie de bedrieger en wie de rat is.