Een kleine geschiedenis van het ik

De illusie van het masker

In de Renaissance heeft de mens zichzelf ontdekt. Er was meer dan God en het aardse: voorzichtig kwam het ik naar boven. Pas na de Tweede Wereldoorlog deed het echte individualisme opgeld. Jammerlijk bleek het vaak een wassen neus.

Medium gerr060826 318bc.56

De eerste selfie werd gemaakt door Petrarca. Virtueel welteverstaan, avant la lettre en zonder mobieltje. De passage is klassiek. Mont Ventoux, 26 april 1336. Met zijn broer en twee bedienden beklimt de dichter de berg – in werkelijkheid of slechts op papier, dat doet er hier niet toe. Hij is naar eigen zeggen de eerste die dat doet. Als hij boven staat en het landschap bewondert, pakt hij zijn lievelingsboek, Bekentenissen van Augustinus, slaat het op en leest: ‘De mens gaat op pad, hij bewondert de hoogte van de bergen, de machtige golven van de zee, de brede stromen van de rivieren, de uitgestrektheid van de oceanen en de banen van de sterren, maar zichzelf beschouwt hij niet.’

Petrarca staat paf. Hij vraagt zijn broer te zwijgen, heeft genoeg van het uitzicht, keert zijn oog naar binnen en loopt in stilte naar beneden. Vanaf dat moment, zo beweert hij, is alles anders. De kosmos die voor hem en zijn tijdgenoten tot dan toe had bestaan uit God, natuur en sociale orde bleek als bij toverslag oneindig veel complexer. God stond vanzelfsprekend nog altijd voorop, zoals ook het aardse en menselijke onmiskenbaar waren. Maar er was een raadsel bij gekomen, even klein als dichtbij, even ongrijpbaar als onbegrijpelijk: ik.

Het besef van Petrarca over zoiets als een individuele identiteit te beschikken heeft in de geschiedschrijving een cruciale rol gespeeld. Vooral de Zwitserse historicus Jacob Burckhardt, auteur van verreweg het belangrijkste boek over de Renaissance ooit geschreven, laat bij Petrarca de moderne tijd oftewel de ontdekking van mens en wereld beginnen. ‘In de Middeleeuwen lag het menselijk bewustzijn dromend of doezelend onder een gemeenschappelijke sluier’, schreef hij in een beroemde passage. ‘De sluier was geweven van geloof, kinderlijke schroom en waan. De mens was zich slechts van zichzelf bewust als onderdeel van een ras, volk, partij, gilde of gezin – slechts door een of ander algemeen groepsverband. In Italië verwaait die sluier het eerst in de vrije lucht. Er ontstaat een objectieve beschouwing en behandeling van de politiek en van alle dingen in deze wereld in het algemeen; daarnaast schiet in de volheid van zijn kracht het subjectieve omhoog: de mens wordt een geestelijk individu en erkent zichzelf als zodanig.’

Of dit klopt doet er minder toe dan dat het vanaf het midden van de negentiende eeuw – Burckhardts boek dateert van 1860 – zo gezien werd. Ergens in de Renaissance had de mens zichzelf ontdekt. Die ontdekking vormt een grondslag van onze tijd.

Uit weerzin tegen de moderniteit was de individualisering enkele tientallen jaren vóór publicatie van Burckhardts Die Kultur der Renaissance in Italien door zowel tegenstanders van de Franse Revolutie als voorstanders van een nieuwe, sociale maatschappij scherp veroordeeld. Zij waren het ook die het begrip introduceerden – tot ongeveer 1800 sprak men wel van individu (letterlijk: het ongedeelde, het kleinste zelfstandige element van de samenleving), maar niet van een samenlevingsvorm die gevormd wordt door dergelijke onafhankelijke personen.

Antirevolutionairen als Edmund Burke en Joseph de Maistre meenden dat zo’n fenomeen er onvermijdelijk toe leidde dat de maatschappij in stukjes uiteen viel, ‘crumble away, disconnected into the dust and powder of individuality’, zoals Burke schreef. Om die reden pleitten zij voor orde, gezag en staat, maar bovenal voor samenhang, het tegenovergestelde van individualisme. De voorlopers van het socialisme, onder wie de graaf van Saint-Simon en Robert Owen, zagen een ander gevaar in het individualisme: egoïsme, oftewel een samenleving waarin iedereen niets anders deed dan zijn eigen belang najagen, zeg kapitalisme. Een dergelijke samenleving was als een jungle waarin de zwakkere onwillekeurig het onderspit dolf en was om die reden onverenigbaar met een rechtvaardige maatschappij.

Zo bestonden er halverwege de negentiende eeuw al minstens drie verschillende perspectieven op het individualisme, twee negatief en één positief, twee die de klemtoon legden op de gemeenschap en één dat ertoe neigde de verhouding tussen deel en geheel om te draaien. Vooral dit laatste perspectief, het perspectief van Petrarca en Burckhardt om het zo maar te zeggen, werd dankzij liberalen, kunstenaars, intellectuelen en anarchisten aan het eind van de negentiende eeuw uitgewerkt.

Gezag stond buiten kijf. Een dubbeltje werd zelden een kwartje. De vrouw was ondergeschikt. Een kind diende te gehoorzamen

Een citaat van Oscar Wilde mag volstaan. ‘Kunst is individualisme’, schreef hij in The Soul of Man under Socialism (1891), ‘en individualisme is een verontrustende, vernietigende kracht. Het probeert alle mogelijke vormen van monotonie te doorbreken. Daaronder de macht der gewoonte, de tirannie van het vanzelfsprekende en de reductie van de mens tot een machine.’ Hiermee zette Wilde stappen verder dan Petrarca en andere vroegmodernen. Terwijl zij nauwelijks verder kwamen dan het besef van de eventuele eigenheid van het individu betoogde Wilde dat de mens tot taak had die eigenheid optimaal te ontwikkelen. Het individu moest zichzelf worden.

Eenvoudig was anders. Dit om te beginnen omdat het standpunt van Wilde voorlopig door weinigen gedeeld werd. Zo ontstond in dezelfde periode dat hij zijn vergaande variant van individualisme bepleitte in Nederland een maatschappelijk systeem dat precies het tegenovergestelde voorstond. In de verzuiling was de eigenheid van het individu ondergeschikt aan het collectief. Zo was het altijd geweest. Nieuw was hoogstens de Nederlandse variant van dat gemeenschapsdenken. Maar nieuw of niet, de ingrijpende verzuiling van de Nederlandse samenleving eind negentiende, begin twintigste eeuw illustreert in welke geringe mate er een eeuw geleden van individualisme in onze betekenis sprake was. Niet alleen ontbraken de (financiële) mogelijkheden, ook de mentaliteit was er niet naar. Gezag stond buiten kijf. Een dubbeltje werd zelden een kwartje. De vrouw was ondergeschikt. Een kind diende te gehoorzamen. De baas was de baas en de knecht de knecht, zoals de spreekwoordelijke dominee, dokter en notaris in hun omgeving de dienst uitmaakten.

Eventuele individualiseringstendensen werden van alle kanten fel bestreden. Dit gebeurde nu niet langer, zoals aan het begin van de negentiende eeuw, door individuele denkers, maar door grote maatschappelijke bewegingen als fascisme, nazisme, communisme en socialisme. Het liberaal-humanistische gedachtegoed, belangrijkste erfgenaam van het individuele emancipatiestreven, stond in de eerste helft van de twintigste eeuw alom onder druk. Het scheelde weinig of het was bezweken.

Pas na de Tweede Wereldoorlog kon er op grote schaal sprake zijn van wat wij individualisering noemen, dat wil zeggen van een maatschappelijke stroming die gehoor geeft aan zowel de wens als de mogelijkheid van ‘het individu’ om zichzelf te worden. In de literatuur wordt bij deze doorbraak steevast verwezen naar de emancipatiebewegingen van de jaren zestig. Toen werd gezaaid wat spoedig daarop geoogst werd, toen werd de basis gelegd van wat in de jaren zeventig bekend werd als het ik-tijdperk. Er bestaat een lange lijst met titels van boeken en artikelen waaruit zou moeten blijken dat de moderne westerse mens in de laatste decennia van de twintigste eeuw niet alleen alle gelegenheid kreeg zichzelf te worden, maar deze gelegenheid ook met beide handen aangreep. ‘Gewoon jezelf kunnen zijn’, luidde de vvd-verkiezingsleuze in 1982.

Aanvankelijk was er één hobbel: dat iedereen zelf moest uitmaken wie hij of zij was en waarop hij of zij de vermeende eigenheid baseerde. Petrarca viel stil toen hij besefte hoe complex dit was. De naoorlogse generaties deden het tegenovergestelde. Zij, wij dus, werden dronken van vreugde over de veelheid aan mogelijkheden. We dachten niet, we deden. We zwegen niet, we schreeuwden het uit. Links, rechts, omhoog, omlaag of op z’n kop, het was allemaal goed, eigen, het was allemaal ik.

Kippen zonder kop waren we. Al begin jaren tachtig kwam de naoorlogse groei tot een eerste stilstand en moest er opeens weer van alles. Mogelijkheden maakten plaats voor moeilijkheden. De meer verstandigen onder ons plaatsten een vraagteken bij dat ongebreidelde jezelf zijn. Wat betekende het? En kon dat wel, een gemeenschap van vijftien miljoen mensen die stuk voor stuk in hun waarde werden gelaten? Bovendien: wilden mensen dat eigenlijk wel, zichzelf zijn? Wilde men niet liever zijn met en dus als anderen?

In een recent boek over de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving na 1945, in het bijzonder in het onderwijs, beweert de historicus Bram Mellink dat individualisering een variant van groepsvorming is. Vandaar de titel van dat boek, die haaks staat op het tot nu toe geschetste moderniseringsideaal: Worden zoals wij. Bij zo’n opvatting is het onmogelijk om niet te denken aan de fameuze scène in Monty Python’s Life of Brian (1979), waarin Brian zijn volgelingen oproept hem met rust te laten en naar huis te gaan, omdat iedereen een individu is en niemand moet navolgen, ook hem niet. De volgelingen zijn het er volledig mee eens en roepen met één stem dat ze inderdaad allemaal individuen zijn, allemaal verschillend. Slechts één man mompelt:‘I’m not.’ Hij wordt weggesist.

We springen van de ene groep naar de andere, van mode naar mode, van hype naar hype

De op het eerste gezicht paradoxale stelling van Mellink en Monty Python is in de Nederlandse wetenschappelijke literatuur het best uitgewerkt door socioloog Jan Willem Duyvendak, die in 2004 met Menno Hurenkamp de artikelenbundel Kiezen voor de kudde publiceerde. Daarin wordt beweerd dat individualisme eerst en vooral een mythe is. Om het in de woorden van een van de auteurs, Paul de Beer, te zeggen: ‘Anders dan vele sociologen beweren zijn sociale kenmerken als geslacht, leeftijd, gezinssituatie, opleidingsniveau en geloof in de loop van de tijd niet minder maar meer relevant geworden om gedrag en opvattingen van mensen te begrijpen.’ Niet minder maar meer? Zijn we collectivistischer dan onze (voor)ouders? Dat is onwaarschijnlijk. Eerder is het zo dat we bandwagon hoppers zijn: we springen van de ene groep naar de andere, van mode naar mode, van hype naar hype. Lichte gemeenschappen noemen Duyvendak en de zijnen dat. Was een gemeenschap voorheen voor het leven, tegenwoordig is zij maar voor even. Dit geeft een illusie van zelfstandigheid, maar is dat niet. We leven in een continue aaneenschakeling van tijdelijke collectiviteiten.

Betekent dit nu dat het individualiseringsproces mislukt is, een mythe, misschien zelfs nooit kan slagen omdat ‘wij’ het eigenlijk niet willen of niet aankunnen? In de woorden van Bram Mellink: ‘Individualisering betekent dus niet de onthechting van individu en samenleving, maar verwijst naar een maatschappelijk zelfbeeld: de opkomst van het idee dat Nederland een land is waarin ieder mens zichzelf kan zijn.’ Anders gezegd: individualisering is beeldvorming en zegt niet zozeer iets over de eventuele vrijheid van het individu, als wel over een maatschappelijke ideologie die een vorm van individuele vrijheid c.q. eigenheid belijdt. Dit laatste verklaart vermoedelijk ook de vaak benepen reacties op alternatieve vormen van vrijheid – van mensen uit andere culturen, dwarse denkers en buitenstaanders – en het deels juiste cliché dat het verstandig is in Nederland het hoofd onder het maaiveld te houden. Mellink spreekt daarom van een ‘collectieve individualiseringsdrang waarbij Nederlanders idealen van vrijheid en verantwoordelijkheid beleden, maar nieuwkomers als onverantwoordelijke burgers onder curatele plaatsten’.

In zijn beroemde boek over vooroorlogs Duitsland, Escape from (ook wel: Fear of) Freedom, stelt Erich Fromm dat voor de meeste mensen het probleem niet zozeer emancipatie is als wel de vraag waarvoor de door die emancipatie verworven vrijheid gebruikt moet worden. Aangezien het antwoord op deze vraag voor de meeste mensen ongewis is, aldus Fromm, groeit de angst en daarmee de neiging de toevlucht te nemen tot een beschermde omgeving. Daarmee wordt de verworven vrijheid opgegeven, de emancipatie ongedaan gemaakt en het individu opnieuw gereduceerd tot radertje in een collectief. Dit zou volgens Fromm mede het succes van het Duitse nationaal-socialisme verklaren.

Nu zou je denken dat een dergelijk angstgevoel wellicht voor de vooroorlogse jaren of de niet-westerse wereld geldt, maar hier en nu niet langer speelt. Een ervaring als het nazisme willen we koste wat het kost niet nogmaals. Ook zijn we oneindig veel rijker dan voor de oorlog en zijn de mogelijkheden tot individuele ontplooiing daardoor sterk uitgebreid. Tot slot hebben vijftig jaar emancipatie hun werk gedaan.

Dat het zo simpel niet is, blijkt onder meer uit een onderscheid dat Pim Fortuyn ruim 25 jaar geleden, lang voordat hij de politiek in ging, maakte tussen ruimte en leegte. Dat onderscheid bepaalde zijn haat-liefdeverhouding tot de jaren zestig – een wonderkind of een total loss – zoals hij die periode met een van W.F. Hermans geleende titel in een afscheidscollege noemde. Aan de ene kant bewonderde hij die jaren. Ze hadden hem als babyboomer ingrijpend gevormd en van die vorming, al was het alleen maar op seksueel gebied, plukte hij ook alle vruchten. Dat was winst, ruimte. Maar Fortuyn realiseerde zich al in een vroeg stadium dat elke winst verlies met zich meebrengt. Dat zou hij uiteindelijk zo sterk beklemtonen dat hij in het anti-modernistische kamp terechtkwam.

Ruimte was volgens Fortuyn immers hetzelfde als leegte. De onttroning van het gezag kon volgens hem zo ver gaan dat er geen enkel houvast overbleef en de mens ronddoolde in een veld zo open dat hij zijn vrijheid als beklemmend ervoer. In die beklemming was de mens tot vreemde dingen in staat. ‘In het moderniseringsproces dat ons soort samenlevingen continu doormaakt’, betoogde Fortuyn, ‘kan de angst voor de leegte het onder bepaalde omstandigheden winnen van de drang om ruimte op een creatieve manier te benutten. Anders gezegd: kan de angst voor de onzekerheid, voor de oneindige leegte die de dood is, ons doen kiezen voor de mentale, ja zelfs fysieke dood van de ander.’ En, bewust of onbewust met verwijzing naar Fromms boek: ‘In de oude wereld hebben we daar ruim veertig jaar terug nog kennis mee kunnen maken op een manier die in de geschiedenis haar weerga niet heeft gekend.’ Kortom: ‘Emancipatie en moderniteit kúnnen uitmonden in leegte, zoals ze ook kúnnen resulteren in ruimte. De processen van emancipatie en moderniteit laten ons zien dat beide mogelijkheden niet alleen aanwezig zijn maar na elkaar of tegelijkertijd kunnen optreden.’

Dat is goed gezien. Eeuwenlang, zeg sinds Petrarca, heeft een groeiend aantal Europeanen gestreefd naar ruimte, vrijheid, individualisering. Nu kunnen we niet anders dan constateren dat we wat dat betreft verder zijn dan ooit. Tegelijkertijd zien we dat die ruimte door velen als onecht, onbevredigend of zelfs bedreigend wordt ervaren – en dat in veel gevallen ook is. Gevolg hiervan is de neiging tot ontkenning of vluchten. De geschiedenis leert dat zo’n reactie op korte termijn wellicht soelaas biedt, maar op den duur rampzalige gevolgen kan hebben. Daarom wordt het tijd dat de voorstanders van de open, geïndividualiseerde samenleving niet wachten tot de tegenstanders ervan de grenzen stellen, maar dat ze zich zelf om die grenzen bekommeren en zich realiseren dat vrijheid, individualisme en zelfstandigheid op zichzelf loze begrippen zijn.

Vrijheid van impliceert vrijheid tot, rechten gaan niet zonder plichten, het individu kan niet zonder gemeenschap, emancipatie niet zonder verantwoordelijkheid. Tot een halve eeuw geleden werd de samenleving bijna altijd bekeken vanuit het collectief, vanuit het belang van het geheel. Vanuit een onderstroom, beginnend bij Petrarca en via een man als Oscar Wilde culminerend bij de pleitbezorgers van de ik-cultuur, is hiertegen herhaaldelijk bezwaar aangetekend: niet de gemeenschap maar het individu zou voorop staan. Maar na tientallen jaren blijkt deze individualisering eenvoudiger bedacht dan verwerkelijkt – en bovendien in negen van de tien gevallen een wassen neus.

Zoals zo vaak draait de tijd ook in dit geval in cirkeltjes. ‘Persoon’ is een van de begrippen waarmee de eigenheid van een individu wordt uitgedrukt. Hij is een echte persoonlijkheid, zeggen we. Maar oorspronkelijk betekent ‘persoon’ het tegenovergestelde van wat wij ermee bedoelen, namelijk het masker dat door de acteurs van de commedia dell’arte wordt gebruikt om een type uit te drukken en ‘waardoor het geluid’ (per sona) gaat. Dankzij het masker was elke speler in het theater anders, terwijl het toch een type was. Volgens mij is het in werkelijkheid nog altijd zo. Elke selfie is een unieke kopie.


Beeld: Uit de serie The Europeans van Reinier Gerritsen, 2005-2008 (Reinier Gerritsen).