De illusie van open communicatie

Jürgen Habermas, Geloven en weten. Politiek-filosofische opstellen. € 22,50

Het is niet moeilijk om de onlangs tachtig geworden Jürgen Habermas te betichten van luchtfietserij. Toch is zijn werk steeds gerelateerd aan de politieke werkelijkheid.

‘Weltmacht Habermas’ stond een paar maanden geleden over de volle breedte op de voorpagina van Die Zeit. De tachtigste verjaardag van de Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas was voor het weekblad aanleiding om meerdere pagina’s aan zijn leven en werk te wijden. Collega’s uit de hele wereld getuigden van de invloed van zijn werk. Zo was Habermas’ werk in de jaren tachtig een stevige steun in de rug voor de democratiseringsbeweging in Spanje, en vormt het in Turkije een inspiratiebron voor intellectuelen die zich kritisch verhouden tot het diepgewortelde nationalisme. In Japan heeft het geholpen bij het losmaken van de discussie over de omgang met het oorlogsverleden. Dat was daar veel langer dan in Duitsland een verdrongen en misschien zelfs verboden onderwerp.
Na zijn studietijd werd Habermas in 1956 assistent bij Theodor W. Adorno aan het Institut für Sozialforschung in Frankfurt am Main. Adorno en Horkheimer zouden later bekend worden als de peetvaders van de Frankfurter Schule. In de jaren dat Habermas er assistent was, was er echter van een school of een stroming nog geen sprake. Hij zag Adorno in die tijd niet als iemand die in een traditie staat, maar als iemand die cultuurkritische essays schrijft en colleges over Hegel geeft – een docent als alle andere. Hun latere bekendheid danken Horkheimer en Adorno vooral aan het boek Dialectiek van de Verlichting, geschreven gedurende de oorlogsjaren in de VS. Het werd in 1947 uitgegeven, en bleef lange tijd onopgemerkt. Tegenwoordig gaat het boek door voor een van de grote werken van de twintigste eeuw, een monumentaal maar ook zeer omstreden werk. De centrale vraag in het boek is hoe iets dat zo veelbelovend begon, de Verlichting aan het eind van de achttiende eeuw, zo heeft kunnen ontsporen. Het antwoord ligt in de ontwikkeling van de rede. Deze rede, door Kant met autonomie bekleed en maatgevend voor de Verlichting, ontwikkelt zich in de loop van anderhalve eeuw tot instrumentele rede. In dienst van het kapitalisme wordt deze instrumentele rede enkel nog gebruikt voor het efficiënt inrichten van de markt en het maximeren van winst. Haar rol in de moraal is daarmee uitgespeeld en wordt ingenomen door hebzucht en overlevingsdrift. Sociale cohesie bestaat niet meer.
Habermas las het boek in 1953, nog tijdens zijn studietijd. Het heeft naar zijn zeggen zijn werk sterk beïnvloed. Toch ziet hij zichzelf niet als erfgenaam van de Frankfurter Schule zoals de beeldvorming graag wil. Hij maakte al snel duidelijk dat de analyse van Dialectiek van de Verlichting hem te drastisch is, en geeft daarvoor drie redenen. Ten eerste behoort hij tot een jongere generatie dan de auteurs van het boek. Zijn bestaan is niet direct getekend door de ervaring van onrecht, verschrikking, deportatie, moord en geweld. Hij heeft het onverdiende geluk later geboren te zijn, zoals hij zelf zegt. Zijn generatie is bezig een heel andere verhouding tot het Duitse oorlogsverleden te ontwikkelen en volgt nauwlettend het voorzichtige begin en de verdere ontwikkeling van democratie in Duitsland. Ten tweede vindt hij het voorbarig en misschien ook wel overmoedig om het einde van de Verlichting af te kondigen. Habermas verkiest het om aan de intenties van de Verlichting te blijven vasthouden. Ten derde staat het pathos van Dialectiek van de Verlichting een wetenschappelijke benadering van de maatschappij in de weg. Habermas is van oordeel dat filosofie zich alleen in verbinding met de sociale wetenschappen als inhoudelijke discipline kan handhaven.
In een redevoering uit 2004 in Kyoto gaf Habermas aan dat het privé-leven van filosofen meestal schuilgaat achter hun werk of achter de stem die klinkt in het publieke debat. Dat wil hij ook voor zichzelf laten gelden. De data van zijn levensloop kunnen daarom beknopt zijn. In 1961 werd hij buitengewoon hoogleraar filosofie in Heidelberg, van 1964 tot 1971 was hij hoogleraar filosofie en sociologie in Frankfurt am Main, van 1971 tot 1981 directeur van het Max Planck Institut, een sociaal-wetenschappelijk onderzoeksinstituut, en van 1983 tot zijn emeritaat in 1994 opnieuw hoogleraar aan de Johann Wolfgang Goethe Universiteit in Frankfurt.
Habermas’ werk strekt zich uit van een kritische inleiding over de hervorming van het hoger onderwijs uit 1957 tot een verzameling artikelen over democratie en Europese integratie uit 2008. In het middelpunt van die halve eeuw wetenschappelijk, filosofisch en publicitair werk staat het omvangrijke Theorie des kommunikativen Handelns uit 1981. Daarin bundelde hij zijn eerdere onderzoekswerk tot een indrukwekkende handelingstheorie met een maatschappijkritische inslag. Door zijn omvang en omvattend karakter lijkt het de afsluiting te vormen van een werkzaam leven, maar het blijkt na een korte pauze een springplank voor een reeks nieuwe werken waarin Habermas zijn theorie als basis gebruikt voor reacties op nieuwe ontwikkelingen, zowel in wetenschap en filosofie als op het maatschappelijke en politieke toneel.
Habermas heeft zijn rol van wetenschapper, hoogleraar en onderzoeker altijd strikt gescheiden van die van staatsburger en intellectueel, ook in zijn werk. Aan de ene kant staat een dikke rij wijsgerige en wetenschappelijke studies, aan de andere kant een lange reeks publicaties in kranten, opiniebladen en tijdschriften, vaak naar aanleiding van lopende discussies of actuele politieke gebeurtenissen. Met grote sensibiliteit voor de tijdgeest levert Habermas zijn bijdrage aan het debat, omdat het in zijn ogen tot de taak van intellectuelen behoort. Veel van de stukken zijn gebundeld als Kleine politische Schriften. Daarvan is inmiddels het elfde deel verschenen. Onderwerpen zijn onder meer neoconservatisme, postmodernisme, burgerlijke ongehoorzaamheid, de verzorgingsstaat, gentechnologie, overheidssteun voor kwaliteitskranten en het Duitse oorlogsverleden. Na 1989 krijgt uiteraard de Duitse eenwording zijn aandacht. Sinds ruim tien jaar schrijft hij over de veranderende status van de natiestaat en de politieke eenwording van Europa. In 2001 komen daar fundamentalisme en terreur bij.
Tegenover de instrumentele rede uit Dialectiek van de Verlichting ontwikkelt Habermas het concept van de communicatieve rationaliteit. Dat verwijst naar een sfeer waarin mensen met elkaar in gesprek zijn. Mensen die een gesprek aanknopen verlenen elkaar zonder dat zij het beseffen een voorschot aan vertrouwen. Zij nemen voetstoots aan dat de ander goede redenen heeft voor wat hij of zij zegt en oprecht meent wat hij of zij zegt. Dat blijven zij doen totdat het tegendeel blijkt. Langs de weg van het gesprek worden ongemerkt praktische kennis en vaardigheden, normen en waarden en leefvormen overgeleverd van gisteren naar vandaag. De terugblik maakt de veranderingen over een langere periode zichtbaar, maar welbeschouwd voltrekken die veranderingen zich van dag tot dag. Het proces van culturele overlevering gaat ongestoord voort zolang onze uitspraken de werkelijkheid onderstrepen en op algehele instemming kunnen rekenen. Als een uitspraak op de een of andere manier over de schreef gaat, niet strookt met onze kennis of onze waarden en normen, dan kunnen wij er nee tegen zeggen. In geval van tegenspraak moeten er argumenten aan de orde komen en moeten we ook bereid zijn die te geven. Op die manier ontvouwt zich de communicatieve rationaliteit. De kern van de zaak is een vermogen dat in de taal zelf schuilt en dat ons uitnodigt om ons tot elkaar te richten, elkaar te verstaan en in geval van onenigheid langs de weg van argumentatie tot een vergelijk te komen. Habermas noemt dit vermogen ‘Verständigung’.
De werkelijkheid is anders dan de theorie. In de praktijk wordt het domein van ongedwongen communicatie en kracht van argumenten vaak geïnfiltreerd door de lokroep van het geld of het bevel van de macht. Volledig open en vertrouwensvolle communicatie is een zeldzaamheid. Toch moet die ideale vorm altijd worden verondersteld als mensen het woord tot elkaar richten, zelfs als zij erop uit zijn om elkaar te bedonderen. Ook misleiding veronderstelt oprechtheid.
Wat in de theorie van het communicatieve handelen is uitgewerkt, betrekt Habermas later op het thema dat vanaf het begin in zijn werk centraal staat: de openbaarheid, met name de politieke openbaarheid. Het publieke debat, in de congreszaal, in kranten en tijdschriften, op televisie en op internetfora is onmisbaar voor het democratische draagvlak. In de publieke ruimte ontvouwt zich de pluraliteit van de meningen die in het debat botsen of elkaar versterken. Het publieke debat is het podium waarop een veelheid van stemmen klinkt, waarop meningen worden ingebracht, verdedigd, getoetst en veranderd. Zo wordt de politieke wil gearticuleerd waarmee in het besluitvormingsproces rekening moet worden gehouden, op lokaal en landelijk, maar ook op Europees niveau.
De Europese eenwording doet afbreuk aan de soevereiniteit van de lidstaten. De zorg voor de zwakken in de samenleving komt onder druk te staan. Dat zou in Europees verband moeten worden verholpen, en daar is een andere integratie voor nodig dan uitsluitend een economische en monetaire. Daarvoor is de vorming nodig van een Europese identiteit van staatsburgers en van een brede solidariteit die evenwaardig is aan de solidariteit die we kennen binnen de eigen landsgrenzen. Een Europese grondwet zou daarvoor de basis moeten leggen, maar een door de regeringen opgestelde grondwet waar geen democratisch proces aan ten grondslag ligt en waar Europese burgers zich niet in kunnen herkennen, zal volgens Habermas niet werken. Het gaat in eerste instantie om de vorming van een gemeenschappelijk Europees bewustzijn.
Solidariteit binnen de landsgrenzen is geen natuurlijk gegeven, betoogt Habermas. Zij is het resultaat van een moeizaam proces dat zich gedurende meer dan een eeuw in Europese staten heeft voltrokken. De bereidheid om voor onbekende medeburgers in te staan, al was het maar door sociale premies te betalen, veronderstelt een burgermaatschappij waarin de leden deel hebben aan de politieke besluitvorming. Die deelname beperkt zich niet tot de gang naar de stembus, maar vereist veeleer een openbaar politiek debat waar de democratische wilsvorming haar beslag krijgt en waar het draagvlak voor politieke besluiten wordt onderhouden.
Er is geen reden waarom die politieke openbaarheid en die democratische wilsvorming zich niet zouden verbreden tot heel Europa. Alleen langs die weg kan Europa een eigen politiek gezicht krijgen, met één stem spreken en op het wereldtoneel een eigen positie innemen. Zonder dat Europese bewustzijn van burgers blijft de Europese Unie beperkt tot een complexe organisatie van internationale samenwerking waarbij de belangenstrijd tussen de naties de toon blijft aangeven, en wordt de sociale politiek van de natiestaten verder uitgehold.
Habermas maakt zich geen illusies. Zo’n Europese identiteit bestaat op dit moment niet en er is ook onvoldoende aandacht voor. Juist daarom stagneerde de afgelopen jaren de Europese eenwording. Die aandacht zou er moeten komen. Dat klinkt als een politiek programma, maar het is vooralsnog een theoretische implicatie. Op deze lijn doordenkend opent Habermas ten slotte een wereldwijd perspectief. Er bestaat echter geen mondiale identiteit. Daarvoor is de wereld te multicultureel. De collectieve identiteit van een democratische gemeenschap veronderstelt dat leden zich van niet-leden kunnen onderscheiden. In een gemeenschap van wereldburgers kan dat niet en daarom kan die gemeenschap als geheel geen democratische orde vormen. Habermas pleit daarom voor een politiek die voortkomt uit geïnstitutionaliseerde vormen van overleg van supermachten en statenunies die zichzelf begrijpen als leden van een gemeenschap en bereid en in staat zijn om boven hun eigen belangen uit te handelen en misschien oog te krijgen voor een gemeenschappelijk belang. Ook de supermachten en statenunies moeten echter over voldoende democratische legitimering beschikken. Daarom is ook hier een brede openbaarheid vereist waar een wereldburgerlijk bewustzijn kan worden aangeleerd.
In de marge van zijn werk heeft Habermas er steeds de aandacht op gevestigd dat religie een reële component is van onze cultuur. Bij buitengewone ervaringen van schokkende en ingrijpende gebeurtenissen kan vanuit religie een troost worden aangereikt die de filosofie niet biedt. Sinds zijn gesprek met Joseph Ratzinger op 19 januari 2004 en de publiciteit die daaromheen losbrak, is de belangstelling voor het thema sterk toegenomen. Hoewel Habermas zelf strikt seculier blijft en nadrukkelijk vasthoudt aan het alleenrecht van de seculiere taal van de rede in de politieke besluitvorming, in de rechtspraak en in andere overheidsinstellingen, wijst hij erop dat de krampachtige reactie van niet-gelovigen op religieuze uitingen voorbijgaat aan het betekenisvolle potentieel en het eigen waarheidsgehalte dat religieuze overleveringen met zich meedragen. Daarom moeten in een democratisch ingerichte gemeenschap ook godsdienstige burgers de mogelijkheid hebben hun geloofswaarheden in te brengen in het openbare debat. Uitgaande van de scheiding van kerk en staat mogen die waarheden bij de politieke besluitvorming echter geen gewicht in de schaal leggen. Willen zij toch van invloed kunnen zijn, dan moeten de burgers die in het democratische proces zijn betrokken zich gezamenlijk inspannen om de onvervangbare normatieve lading van de religieuze overleveringen te vertalen in een algemeen toegankelijke taal.
Het is niet moeilijk Habermas te betichten van luchtfietserij. Zijn werk is echter steeds gerelateerd aan de politieke werkelijkheid, aan de Europese politiek, aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen, aan de hervormingscommissie van de Verenigde Naties. Tegelijk wordt het gevoed door hoop. Habermas weet dat de werking van de communicatieve rationaliteit kwetsbaar is. Toch is zij het enige waar hij zijn hoop op vestigt. De kloof tussen arm en rijk, de vernietiging van het milieu en de botsing tussen culturen vereisen politieke oplossingen. Draagvlak moet worden gegenereerd in een democratisch ingerichte publieke ruimte waar burgers van gedachten wisselen en hun meningsverschillen met argumenten uitvechten en komen tot de vorming van een gezamenlijke wil waarnaar het politiek handelen zich moet richten.

Hans de Vries schreef een proefschrift over Habermas en Adorno en vertaalde samen met Frank Rebel politieke opstellen van Habermas (Geloven en weten, uitgeverij Boom)