De illusies van de mannelijke erfopvolging

De ontvadering van de maatschappij is ingezet, maar het patriarchaat is nog lang niet volledig ontmanteld. Het maatschappelijke proces van diepe democratisering is nog maar net begonnen.

Volgens Freud is de almachtige vader een constructie, opgericht door schuldige zonen © Elliott Erwitt / Magnum / HH

De term ‘patriarchaat’ is ineens terug van weggeweest. Toen het feminisme in het westen aan het einde van de jaren zestig weer aanzwol was het een standaardbegrip in de feministische theorie, maar in de jaren tachtig raakte de term besmet, omdat hij te generaliserend en te grof werd gevonden. Hij zou een meer genuanceerd begrip van al die verschillende historische en hedendaagse sekseverhoudingen in de weg staan. Het ene patriarchaat is immers het andere niet. Een Afghaans meisje dat op haar dertiende wordt uitgehuwelijkt kan niet worden vergeleken met een in weelde badende Hollandse ‘mevrouw Philips’, zoals toen werd betoogd. Bovendien werd sekseongelijkheid door feministen steeds meer verbonden met andere vormen van verschil, bepaald door klasse, etniciteit, seksualiteit, leeftijd en religie: een complexiteit die niet verhelderd kon worden door alleen die gemene deler ‘patriarchaat’.

De mannelijke denkers die nu aan de discussie over sekseverhoudingen meedoen zitten daar niet mee. Paul Verhaeghe, Abram de Swaan, Frank Koerselman en Bart Vieveen nemen in hun recente boeken onbekommerd de term patriarchaat in de mond en… het werkt! Niet nog, maar weer. Dat mannen zo duidelijk zijn gaan meedoen aan de analyse van sekseongelijkheid is van groot belang omdat zij inzicht hebben in wat mannen beweegt: zoals vrouwen vanuit onze ‘authority of experience’ hebben kunnen vertellen over het leven van de ‘tot vrouw gemaakten’, zo doen mannen dat nu vanuit hun perspectief. Met een verfrissend gebrek aan schroom om de dingen bij de naam te noemen: patriarchaat, mannelijk geweld – hoe komen we eraan, hoe komen we er vanaf.

Deze auteurs proberen ook alle vier de psychoanalyse in te zetten als instrument om de sekseongelijkheid te doorgronden en te ontmantelen. De psychoanalyse is lang zelf instrument geweest van de onderdrukking van vrouwen. Ook binnen de psychoanalyse speelde zich een strijd tegen het patriarchaat af. Dus: lukt het om de psychoanalyse te bevrijden van patriarchale reflexen?

In Autoriteit, uit 2015, schrijft hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse Paul Verhaeghe: ‘We nemen afscheid van de patriarchale autoriteitsvorm die, ruw geschat, zo’n tienduizend jaar alles bepalend was, seksueel, sociaal, religieus, politiek, economisch. Dit betekent niet dat we afscheid nemen van autoriteit. Voor [Hannah] Arendt kan een maatschappij niet zonder gezag, want de functie daarvan is het regelen van de verhoudingen tussen mensen.’

Verhaeghe biedt een veelomvattende analyse van de erosie van het patriarchaat in de westerse maatschappij, in zijn ogen een onomkeerbaar proces. Autoriteit werkt alleen maar zolang de meerderheid erin gelooft: voor de traditionele, mannelijke vorm van verticale autoriteit bestaat die meerderheid niet meer. De neoliberale waarden van geld en succes hebben oude machtsbolwerken en christelijke waarden doen verdampen. Tegelijkertijd is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen gestaag verminderd. Dat heeft meer seksuele en financiële zelfbeschikking voor vrouwen gebracht, meer scheidingen, dus minder traditionele gezinnen, meer hoogopgeleide meiden, meer jongens met leerproblemen en gedragsstoornissen, meer alleenstaande moeders die het liever zelf en met elkaar doen dan met een dwarsliggende man, meer singles. Tegelijk heeft onze samenleving een gezagsprobleem, volgens Verhaeghe. Naar oude autoriteiten – vaders, priesters, onderwijzers, dokters en agenten – wordt niet meer geluisterd, en toch kan een samenleving niet zonder vormen van geaccepteerd gezag. Hoe lossen we dat op?

Het antwoord daarop kan niet ‘terug naar het patriarchale’ zijn, hoewel de roep om restauratie luid is: politieke bewegingen als die van Wilders en Baudet willen allemaal terug naar patriarchale sekseverhoudingen. Abram de Swaan – socioloog en eerder werkzaam als psychoanalyticus – ziet dat in zijn boek Tegen de vrouwen als deel van een wereldwijde backlash tegen de opmars van vrouwen. Mannen voelen zich gekwetst, vernederd en onteerd: De Swaan geeft veel aandacht aan de collectieve psychologische gevolgen van de vrouwenemancipatie voor mannen: zij slaan terug met extreem-rechtse politieke bewegingen, maar, zo voorziet De Swaan, de vrouwenemancipatie zal nergens ter wereld nog te stuiten zijn. Voor hem is dat het begin van een betere wereld.

Verhaeghe denkt er ook zo over, maar beperkt zich tot de westerse wereld. Hij richt zich niet zozeer op het heftige mannelijke verzet, maar denkt na over de nieuwe, postpatriarchale vormen van gezag waaraan de samenleving behoefte heeft. Daarover direct meer.

Eerst wil Verhaeghe weten waar de vaderlijke autoriteit eigenlijk vandaan kwam. Hij zoekt het in de macht van wet en gewoonte. Mannen zijn al heel lang de baas. Waarom? Daarom! Patriarchale macht heeft geen grond en wie ernaar zoekt komt erachter dat die er niet is. Vaderlijke macht is paradoxalerwijs gegrond in vadermoord. Dat ontleent Verhaeghe aan Freud (Totem und Tabu, 1912), die ‘de oorsprong van autoriteit [legt] bij een oorspronkelijke daad van geweld tégen de vader’. Er was een ‘oervader’ die niet alleen de vrouwen voor zichzelf reserveerde, maar ook de zonen onderdrukte. De broederbond vermoordde die vader-tiran en vaardigde een nieuwe wet uit die het intermannelijk geweld aan banden legde en daardoor het samenleven mogelijk maakte. Vervolgens wordt de vaderfiguur uit schuldgevoel geïdealiseerd en vergoddelijkt – dat is aldus Freud de oorsprong van monotheïstische religies. De almachtige vader is dus een constructie achteraf, een fantasie, opgericht door de schuldige zonen. Zij installeren de wet, en leggen de bron van autoriteit bij een hogere, onaanvechtbare instantie: god. ‘Opvallend: in de originele versie verplicht de helft van de tien geboden de gelovigen tot gehoorzaamheid aan de goddelijke vader, in combinatie met een absolute en exclusieve loyaliteit. […] De redenering is circulair: God is de bron van autoriteit omdat Hij ons oplegt Hem en alleen Hem te gehoorzamen.’

Er zijn boekenkasten volgeschreven over Freuds Totem und Tabu, maar dat de vestiging van vaderlijke autoriteit een machtsgreep is die alleen maar werkt zolang er in wordt geloofd, lijkt aannemelijk: daarna kan de mannelijke autoriteit zich alleen nog maar handhaven door het gebruik van geweld (zie De Swaan). Autoriteit die berust op een gedeelde set van overtuigingen heeft geen machtsmiddelen nodig, daarin volgt Verhaeghe Hannah Arendt. Volgens Verhaeghe begint het betwisten van patriarchale macht met de Verlichting, met Kants oproep aan elk individu om zelf na te denken. De verzetsbewegingen van de jaren zestig zijn in Verhaeghes ogen slechts het uitroepteken bij een veel langer proces, dat voerde naar vrouwenbevrijding en democratie, maar in onze tijd ook naar eisende kinderen die naar niemand meer luisteren, naar burgers die schelden op de politie, naar een crisis in het onderwijs waar de leerkrachten het steeds lastiger krijgen en school en ouders onderling twisten wie het gezag moet uitoefenen. Er is een gezagscrisis. Een autoriteitsvacuüm.

Dit is ook de stelling van Verhaeghes vakgenoot Frank Koerselman. Die wordt in zijn recente pamflet Ontvadering heel nerveus van ‘het einde van de vaderlijke autoriteit’ en gaat – in tegenstelling tot De Swaan en Verhaeghe – voor restauratie daarvan. Hij knoopt aan bij Alexander Mitscherlichs Auf dem Weg zur Der Vaterlose Gesellschaft uit 1963. Mitscherlich – alweer een psychoanalyticus – zag veel afwezige vaders en voelde de onttroning van de vaders al ver voor mei ‘68 aankomen. Volgens hem lag de oorzaak van het probleem van de afwezige vaders in de teloorgang van de traditionele maatschappij van boeren en handwerkslieden. Daar vielen werk en thuisfront nog samen, daar konden zonen hun vaders opvolgen zoals de gezel de meester. De industriële revolutie haalde de vader echter weg van het thuisfront. ‘Daarmee knapt als het ware de hiërarchische ruggengraat van het gezin’, zo parafraseert Koerselman Mitscherlich.

Frank Koerselman pleit voor een restauratie van mannelijke flinkheid en vaderlijk gezag

Waar Mitscherlich in 1963 het verdwijnen van het vaderlijke gezag nog aan zag komen, vindt Koerselman dat het tijdperk van hiërarchieloosheid nu voluit is aangebroken. Koerselman heeft het vooral over stuurloze zonen die geen grenzen meer kennen, die niet flink of vasthoudend meer kunnen zijn. Ze kunnen zich niet verweren tegen concurrentie en tegenslag en dat is dan volgens hem meteen ook de verklaring voor de burnout-epidemie. Iedereen tutoyeert mekaar, kinderen worden extreem in de watten gelegd. Hedendaagse leiders nemen hun autoriteit niet en worden daarom ook niet meer gerespecteerd. Andere gezagsdragers – politieagenten en professionals in hulpverlening en zorg – kunnen hun werk niet meer doen omdat de hele samenleving ‘horizontaal’ is geworden.

Deze horizontaliteit is volgens Koerselman een ‘vrouwelijk’ beginsel terwijl verticaliteit ‘mannelijk’ zou zijn. Koerselman pleit voor een restauratie van mannelijke flinkheid en vaderlijk gezag, ook al hoeft dat traditioneel mannelijke repertoire niet door mannen te worden vervuld: als iemand het maar doet.

Dat laatste standpunt zou Koerselman tot een interessante gesprekspartner kunnen maken, als hij het ook zou waarmaken. Maar gezag blijft bij hem gewoon gebonden aan mannelijkheid, hij wil daar helemaal niet vanaf, hij heeft geen idee hoe dat zou kunnen.

Koerselman zit zichzelf in de weg door een mythisch, rozig beeld op te richten van het kerngezin. Zijn beeld is volkomen binair. Moeder zit binnen, vader werkt buiten, in de omgeving. Koerselman volgt eerst Mitscherlich, die de industrialisatie zag als breuk in deze idylle, maar komt dan met een oorsprongsverhaal dat hem fundamenteler en waarschijnlijker lijkt: het patriarchaat ontstond op de prehistorische steppen, waar moeder zoogde en zorgde, terwijl vader fysieke kracht ontplooide, dat is het ‘oergezin’. Deze projectie van het moderne kerngezin terug naar de prehistorie – waar mensen zoals bekend niet in gezinsverband maar eerder in groepen leefden – dient om die rozige mythe op te bouwen, zoals ook de stelling dat vaders het kind naar buiten begeleiden door ‘de overdracht van kennis en ambachtelijke vaardigheid. Dat gaat gepaard met uitdagen en afremmen, met kritiek en lof, met solidariteit en competitie. De vader leert zijn kind verantwoordelijk te zijn in de zin van moedig en verstandig, van strijdbaar en beheerst. In dat oergezin is het ook de vader die het kind laat kennismaken met de heersende normen en waarden. Waar moeder vergeeft, is het vader die straft. Waar alle kinderen moeder even lief zijn, hanteert vader een hiërarchie van verdienste. Moeders liefde kent geen wet, vaders liefde is de wet. Beiden bevredigen ze zo fundamentele behoeften.’

Zoals wel vaker het geval is worden kennis, vaardigheden en ambachtelijkheid voetstoots toegeschreven aan mannen, terwijl de vrouwen altijd een enorm aandeel hebben gehad in technologieën als landbouw, vuur maken, voedsel bereiden, medicijnen uitvinden, lichaamswarmte creëren door het maken van kleding. Het toeschuiven van het hele domein van innovatie en technologie aan ‘vader’ is een grove vertekening. Even onjuist is het beeld dat moeders aan kinderen geen regels zouden stellen, hen niet zouden straffen, niet zouden leren om te gaan met gevaar, hun geen vaardigheden en ambachten zouden leren, geen normen en waarden zouden overdragen. Het is volslagen a-historisch.

© Peter Marlow / Magnum / HH

Alles is de afgelopen eeuw anders geworden, zegt Koerselman, en dat is een probleem: mannelijke spierkracht is overbodig geworden en de pil heeft een einde gemaakt aan de onvermijdelijkheid van het moederschap. Vrouwen maakten ook aanspraak op de buitenwereld en ja, ja, dat creëert welvaart en het is goed voor vrouwen, dat wil hij nog wel toegeven. Maar waarom blijven de horizontale en verticale werelden dan toch gegenderd, vraagt hij zich af, dus respectievelijk een vrouwelijk en mannelijk domein? Waarom doen mannen niet meer in het huishouden? Waarom vluchten ze weg uit vrouwenberoepen? Omdat… de natuur kennelijk niet te overrulen is!

In deze redenering ontbreekt elk politiek bewustzijn en elk politiek engagement. Lukt het niet om de honger uit de wereld te verdrijven? Dan heeft de natuur het kennelijk zo gewild. Blijven mannen zich te buiten gaan aan groepsverkrachtingen? De natuur spreekt. Deze psychiater legt zich bij voorbaat al neer bij ongelijke kansen, discriminatie, ongelijke lonen, keiharde glazen plafonds en suggereert zelfs, vreemder nog, dat die helemaal niet meer bestaan. Het feminisme was té succesvol: ‘Dit leidt nu tot de historisch misschien wel unieke situatie dat de van oudsher moederlijke waarden ook in het openbare leven zijn gaan domineren. De huidige westerse samenleving is immers horizontaal, inclusief en vrij van traditionele normen geworden. Hiërarchie, selectiviteit en traditie zijn overal in het defensief gedrongen. Het patriarchaat maakt zo plaats voor een matriarchaat.’ Dit is niet alleen inconsequent – eerst lukt de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen niet omdat de natuur niet te overrulen is, vervolgens zitten we toch opgescheept met een volgroeid matriarchaat? – maar behalve inconsequent is het laatste beeld ook te naïef voor woorden. Vrouwen komen nog nauwelijks aan de top. De loonkloof gaapt. Hoezo zijn er geen traditionele normen meer? Man, wit en autochtoon is in vele contexten nog altijd beter. Koerselmans visie is dat de ‘ontvadering’ een symptoom is van regressie: ‘Waar het vaderlijke verticale domein verdort en als het ware overwoekerd wordt door het horizontale domein […] is ook het verdwijnen van geslachtsverschil een te verwachten ontwikkeling. Genderfluïditeit maakt het niet eenvoudiger om vaders hoe dan ook nog te herkennen – laat staan dat kinderen zich nog als jongen of meisje kunnen identificeren. Het taalgebruik wordt hier heel suggestief: ‘overwoekerd’ (vrouwelijkheid als niet uit te roeien onkruid) en het matriarchaat als spookbeeld. Dat het binaire sekseverschil niet langer de maat van alle dingen zou kunnen zijn is voor Koerselman angstaanjagend, daarin betoont hij zich een oerconservatieve psychoanalyticus. Voor mij – en ook voor analytici als Verhaeghe en De Swaan – is het relativeren van het binaire sekseverschil juist bevrijdend: het vaagt de verschillen tussen mensen niet weg, maar geeft ze juist ruimte.

Koerselman zet zijn psychoanalytische kennis vooral in voor het schetsen van een typologie van vaders, waaronder onrijpe, narcistische en dominante vaders (die zich te buiten gaan aan ‘narcissistic rage’) tot en met rijpe, stimulerende vaders. Zijn ideaal is dat van de wijze vader die ‘durft te tonen dat flinkheid, zelfbeheersing en zelfrelativering deugden zijn waar je nog altijd trots op zou moeten zijn’. Die vaders hebben we nodig. Lijkt me prima. Alleen gaat dit over ouderschap. Moeders dragen deze deugden evengoed over. Maar het aanvankelijke idee dat de voorheen als mannelijk bestempelde vaderlijke waarden ook door moeders kunnen worden belichaamd is inmiddels ver achter de horizon verdwenen.

Dat een samenleving breed gedragen vormen van gezag nodig heeft, lijkt me duidelijk. Dat er een postpatriarchaal autoriteitsvacuüm is ontstaan is een vaak geconstateerd fenomeen. Maar dat het gezag niet goed werkt, komt in mijn ogen doordat er iets mis is gegaan in het werkelijk delen van de macht met vrouwen. Mannen hebben de macht slechts schoorvoetend gedeeld, te langzaam, te onvolledig. Vrouwen zijn op veel terreinen gesaboteerd. Waar vrouwen hadden moeten staan, als mede-gezagdragers, staat een man die er niet langer in zijn eentje recht op heeft. Hij verdient die positie op grond van verdiensten, maar krijgt hem te vaak op de loze grond van het man-zijn. Dat schuurt. Het klopt niet. In die domeinen waarin vrouwen dominant zijn, zoals het onderwijs, wordt hun gezag betwijfeld – en wordt het als probleem gezien dat het onderwijs ‘feminiseert’. Dat talloze domeinen bepaald zijn door mannen is in het verleden nooit tot een probleem gemaakt – ja, toen het helemaal uit de klauwen liep met de bankensector hoorde je wel zeggen dat de mannelijke alleenheerschappij daar niet vreemd aan was. Er zijn weinig consequenties aan verbonden.

Er is de belofte van gelijkheid, en een werkelijkheid die daar vaak haaks op staat. In welke wereld leven we?

Het gezagsvacuüm heeft, kortom, te maken met het gebrek aan werkelijk delen van de macht met vrouwen. Ditzelfde geldt voor mensen van kleur. In het westen is mei ’68 gelukt waar het mannen betreft, en nog maar half waar het vrouwen betreft. Er is de belofte van gelijkheid, en een werkelijkheid die daar vaak haaks op staat. Daardoor weet niemand meer in welke wereld hij of zij eigenlijk leeft.

Dit alles is dus ook een slechte voorbereiding op gelijkheid met mensen van kleur, met vluchtelingen en migranten. Het scheppen van een democratische wereld is halverwege blijven steken. We moeten ermee verder. En in dat opzicht hebben we weer veel aan Paul Verhaeghe, die veelbelovende postpatriarchale vormen van gezag ziet ontstaan.

Verhaeghe richt zich op drie democratiserende domeinen: kinderen opvoeden, economie en bedrijfsmanagement en ten derde de politiek. Bijzonder aanstekelijk is zijn visie op onderwijs en opvoeden vanuit het principe ‘it takes a village to raise a child’: ouderschap en onderwijs kunnen heden ten dage het best opgevat worden als teamwork, waarbij het gaat om nabijheid en groepsverbanden, waarbij het ‘lastige’ kind niet buiten de groep wordt geplaatst, al dan niet voorzien van psychiatrische probleemlabels, maar juist erbinnen wordt gehouden. Als kinderen zich onderdeel weten van een levend verband van ouders en mee-ouders, van echte of aangenomen oma’s en opa’s, stieffamilie, juffen, meesters en buren die de handen ineenslaan om thuis en school tot leefbare plekken te transformeren, zal er niet zoveel verkeerd gaan als er nu gaat.

Even aanstekelijk is zijn visie op een verduurzaming van de economie en het horizontaal managen van bedrijven. Dat verhaal is gelardeerd met praktijkvoorbeelden die laten zien dat de wereld kan draaien zonder macho-leiders, zonder schuldenexplosie en groeiverslaving, en dat veel bedrijven al democratisch werken, met meer tevredenheid van werknemers en meer succes. In het politieke domein bepleit Verhaeghe een deliberatieve democratie, waarbij mensen samen beslissen over hun gedeelde wereld, naar het model van de ‘commons’, de weidegronden rondom het dorp, die onze voorouders gemeenschappelijk gebruikten voor hun vee. Autoriteit kan in al die domeinen gebaseerd worden op horizontaal georganiseerde groepen, die samen een praktijk ontwikkelen of een regeling bedenken waaraan ieder zich min of meer vrijwillig onderwerpt.

De Swaan en Verhaeghe bevrijden de psychoanalyse en geven deze een nieuwe maatschappelijke relevantie. Koerselman behelpt zich met een versie die ver over de datum is. De vierde postpatriarchale denker die recentelijk het verdwijnen van de klassieke vaderfiguur beschreef, is Bart Vieveen.

Onder de titel De ontvoogding van de tragische held volgt Vieveen de onttroning van de vaderlijke autoriteit niet in maatschappelijke domeinen, maar in toonaangevende culturele verbeeldingen ervan, respectievelijk in Bordewijks Karakter uit 1938, De avonden van Gerard Reve uit 1947 en Tom Lanoyes toneelstuk Hamlet versus Hamlet uit 2014. In Lanoyes Hamlet leest Vieveen het voorlopige eindpunt van een ontwikkeling, namelijk het ontstaan van een nieuwe horizontale autoriteit, waar jonge mannen elkaar een identiteit in de symbolische orde verschaffen en als gelijken een nieuwe grond voor gezag aanvaarden. Naar die psychologische constellatie bewegen we ons nu: dit postpatriarchale toekomstbeeld echoot dat van Verhaeghe. Vieveen richt zich tot een specialistisch publiek van kenners van de lacaniaanse psychoanalyse. In zijn van zwaar jargon doorspekte proefschrift vind je wel prachtige beschouwingen. Zijn analyse van Karakter – de krachtmeting tussen de deurwaarder Dreverhaven en diens onwettige zoon Katadreuffe – is fascinerend. De verschillende versies ervan leggen steeds andere accenten. Het oorspronkelijke feuilleton uit 1928 is vooral het verhaal van de vader, een hardvochtige deurwaarder die zijn onwettige zoon met opzet een faillissement aandoet en hem uitdaagt hem te doden. Hij is een levensmoede oude man geworden, die in de strijd met zijn zoon zijn laatste voldoening zoekt. Maar de zoon weigert de dolk en weigert daarmee zijn rol te spelen in de patriarchale erfopvolging waarin zonen vaders moeten overwinnen om hun plaats in te nemen. Katadreuffe legt elke rol in die vader-zoon-constellatie naast zich neer, maar wie is hij dan nog?

In volgende versies – de roman uit 1938, de film uit 1997 – wordt het verhaal verteld vanuit de zoon: hij wordt tijdens de laatste krachtmeting bijna door zijn vader vermoord, maar toont zelfs op dit moment suprême een diepe minachting voor hem. Dat slaat Dreverhaven uit het lood. Niet de zoon blijkt afhankelijk van de vader, het is andersom. Dreverhaven pleegt zelfmoord. Maar Katadreuffe wil de overwinning niet meer incasseren. Hij heeft zichzelf al geheel buiten de patriarchale mannelijke erfopvolging geplaatst.

Vieveen gaat vrijwel geheel aan de vrouwelijke personages voorbij. Hoe genuanceerd de analyse van de verschillende versies van Karakter ook is, wat Vieveen onderbelicht is de positie van Katadreuffes moeder Joba. Zij is degene die de band met Dreverhaven (die haar verkrachtte) al veel eerder heeft doorgesneden, zij is degene die hem meteen al doorzag, die elke vorm van afhankelijkheid afwees en haar zoon direct op eigen benen zette. Zij is dus degene die de beloftes die het patriarchaat aan zijn onderworpenen doet meteen al zag als bedrieglijk en voos. Katadreuffe treedt in de voetsporen van zijn moeder.

In Hamlet ziet Vieveen een samenleving ontstaan van broers. De manier waarop Hamlets geliefde Ophelia al bij Shakespeare wordt heengezonden – ‘Get thee to a nunnery’ – wordt in Lanoyes versie niet herschreven. Dit voorbijzien aan de rol van vrouwen is zelf een patriarchale reflex. Ook herhaalt Lanoye Hamlets tirade tegen Ophelia – een van de gruwelijkste anti-vrouw-tirades uit de wereldliteratuur. Ophelia staat daarin voor de verraderlijkheid van alle vrouwen, terwijl zij part noch deel heeft gehad aan de vadermoord die Hamlet in vertwijfeling stort.

Ophelia mag niet meedoen met de broederschap: het patriarchaat verwordt tot een fraternitaat. Vieveen maakt daar geen probleem van en herhaalt op die manier de lege plek die al in Freuds Totem und Tabu zat: de ‘oervader’ was zelf al een mannelijke projectie, vindt Verhaeghe. De mannenbroeders plegen de vadermoord en gaan hem postuum vereren, opdat ‘diens autoriteit [afstraalt] op alle latere vaders, die daardoor ook kleine oervadertjes kunnen worden’, zoals hij ironisch opmerkt. Zo lijkt het erop dat de dochters en de zonen zich op hun eigen wijze bevrijden van het patriarchaat en geen band met elkaar als lotgenoten ontwikkelen.

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat het patriarchaat niet wordt veranderd in een fraternitaat? Hoe kunnen mannen zich blijvend ontdoen van de illusies van de mannelijke erfopvolging? Het maatschappelijke proces van diepe democratisering is nog maar net begonnen. En ondanks alle verklaringen dat het patriarchaat nu bijna of helemaal is ontmanteld: het herschrijven van de psychoanalyse is voorlopig nog lang niet klaar.