De index als testcase

L. de Jong, P. Romijn e.a., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Register op de wetenschappelijke editie. Sdu Uitgeverij, 398 blz., f65,- (geb.)
NU HET REGISTER op de wetenschappelijke editie van De Jongs geschiedwerk is verschenen, dringt de vraag zich weer eens op wat geschiedschrijving tot wetenschap maakt. Dat is niet zo zeer begrijpelijkheid als wel controleerbaarheid. Geschiedenisboeken zonder noten en register zijn niet controleerbaar, dus niet wetenschappelijk.

Het grote verschil tussen de populaire uitgave van De Jongs Koninkrijk en de wetenschappelijke uitgave ervan was dan ook het vrijwel ontbreken van noten in de populaire editie. Maar in 1988 kreeg de populaire uitgave een personenregister en een topografisch register en vorig jaar kreeg de veertiendelige, 29 banden omvattende en 16.000 pagina’s dikke wetenschappelijke uitgave een personenregister, een topografisch register en een index op zaken. Dit voortreffelijke register van bijna vierhonderd pagina’s omvat ook alle voetnoten van de wetenschappelijke editie.
Zo is eindelijk, dank zij de redactie van Romijn en het werk van zijn medewerkers D. van der Meulen en A. Vogel, het boeiende geschiedwerk van De Jong opengelegd en in zijn geheel controleerbaar geworden. Beter dan ooit kan nu de ‘discussie zonder eind’ worden voortgezet die, mede, de geschiedenis tot wetenschap kan verheffen.
DE GESCHIEDENIS van Bart de Ligt kan uitstekend dienen voor een eerste toetsing van de bruikbaarheid van het nieuwe register. De Ligt stierf in september 1938. Zonder register ligt het dus voor de hand eens in het eerste deel, Voorspel, te gaan zoeken. Het register verwijst meteen naar het veertiende deel, Reacties. De Ligt wordt daarin genoemd door Ger Harmsen die zich in De Groene Amsterdammer van 27 december 1969 buigt over het eerste en het tweede deel van De Jongs toen nog groeiende opus. In zijn eerste deel had De Jong zijn betoog over de anarchistische beweging in Nederland gebaseerd op een uitspraak van de (oude) Bernard Lansink, een syndicalist, die in de anarchistische Vrije Socialist had gesuggereerd dat die anarchistische beweging werd beheerst door afgunst en wantrouwen, door 'scharrelaars en avonturiers’, kortom door 'ongure typen’. Harmsen weet dat dit beeld eenzijdig is en noemt daarom in zijn reactie verscheidene 'respectabele, principiele en erudiete mensen’ onder de anarchisten, zoals Albert de Jong, Arthur Lehning, Bart de Ligt en Kees Boeke. Hij wil daarmee bewijzen dat de 'rechtgeaarde sociaal-democraat’ De Jong zich schuldig zou hebben gemaakt aan 'kwalijk bronnengebruik’. Zonder het nieuwe register was de lezer deze mening over De Ligt alleen maar tegengekomen op een hernieuwde speurtocht door de 16.000 pagina’s.
Albert de Jong en Kees Boeke komen, evenals Bart de Ligt, in het eigenlijke geschiedwerk van De Jong niet voor. Maar Lehning wel en hij is met behulp van het register vlug gevonden. In Voorspel noemt De Jong in een noot Arthur Lehnings boek De draad van Ariadne als bron voor zijn betoog over de sociaal-democratenhater Erich Wichman. In Neutraal wijdt hij opnieuw een noot aan Lehning, wiens Draad van Ariadne opnieuw bron is, nu in verband met de door Menno ter Braak en Max Nord vertaalde editie van Hermann Rauschnings boek Hitlers eigen woorden. De Jong sluit het stukje over Ter Braak en diens uitgever Leopold af met een trefzeker zinnetje over de veertiende mei 1940, waarop beiden voor de rechter verantwoording zouden moeten afleggen: 'Het zou van beiden de laatste levensdag zijn.’ De schrijver van Het Koninkrijk is hiermee over Lehning uitgeschreven. Het register leidt ons gelukkig verder naar Reacties, waar de historicus Jan Rogier, bezwaar makend tegen de zijns inziens vaak vergoelijkende geschiedschrijving van De Jong, Lehning citeert: 'De wereld wordt geregeerd door misdadigers…’
Het register daagt ertoe uit om eens te kijken of De Jong nog meer over Ter Braak te vertellen heeft. Aardiger is het echter om eens te kijken naar een persoon die de oorlog heeft overleefd en die, zijns inziens, door De Jong verkeerd werd beschreven. Het gaat om Joop Zwart, 'schoonzoon’ van de voorzitter van SDAP en PvdA Koos Vorrink. Of deze uit een sociaal-anarchistisch milieu stammende Zwart nu een 'scharrelaar en avonturier’ of een 'respectabel, principieel en erudiet’ mens was, weet ik niet. Wel weet ik dat hij mij een gezond wantrouwen tegen allerlei 'authentieke’ documenten heeft bijgebracht, omdat vaak niet kan worden vastgesteld hoe deze documenten precies zijn ontstaan en wat zij voor betekenis hebben.
Het register verwijst naar deel 8. Joop Zwart was, volgens De Jong in dat deel, een 'zeer actieve communistische illegale werker’ die in Sachsenhausen 'tallozen het leven had gered’. Uit gesprekken met Zwart weet ik echter dat hij al in december 1930 ontgoocheld uit de Sovjetunie was teruggekeerd en dat hij op 21 januari 1931 'wegens trotskisme’ door de Communistische Jeugdbond was geroyeerd. Het register geeft verder aan dat Zwart in het in 1982 verschenen deel 10b, Het laatste jaar, opnieuw aandacht van De Jong krijgt: 'Joop Zwart, een in december '41 gearresteerde, communistische illegale werker, die in Sachsenhausen met steun van de communistische kamphierarchie Vorarbeiter was geworden in het aan de Politische Abteilung toegevoegde Kommando.’ De bij Zwart behorende noten noemen de boeken van Lenglet (pseudoniem van De Neve) en Jaap Hemelrijk. Beiden kwamen pas na de zomer van 1944 in Sachsenhausen aan. Zwart vertelde mij dat hij al twee jaar daarvoor als hulptolk in de Politische Abteilung was gekomen. Kort na zijn binnenkomst in het kamp in het voorjaar van 1942 was hij op het nippertje van de ondergang 'gered’ door een oude schoolvriend van de communistische jeugdschool, de Oostenrijker Edmund Rzehorska. De communist gebleven 'prominent’ Rzehorska handelde niet volgens zijn ideologie, maar hielp zijn vriend en zorgde ervoor dat de afvallige Zwart door de communistische gevangenen werd geaccepteerd en daardoor zijn werk als hulptolk kon verrichten.
Dank zij het nieuwe register zijn 'Joop Zwart volgens De Jong’ en de door De Jong gebruikte bronnen snel te vinden. Zo kan de discussie overzichtelijk worden. Het is - wetenschappelijk gesproken - van belang dat de 'communistische illegale werker’ eens een 'sinds eind 1930 ex-communistische illegale werker’ wordt.
DE INDEX VAN zaken en onderwerpen is nieuw in het register. Hoe vlug kan een geinteresseerde lezer zich daarmee op de hoogte stellen van de resultaten van De Jongs onderzoek betreffende allerlei onderwerpen uit de bezettingstijd? Wie bijvoorbeeld Het Volk nog eens leest, komt in de jaargang 1934 artikelen tegen over een joods leer- en werkdorp in Nieuwesluis, vijf kilometer van Slootdorp, waar zo'n driehonderd jeugdige joodse vluchtelingen opgeleid zouden worden voor emigratie naar wat toen Palestina heette. De stichting Joodsche Arbeid opende dit leer- en werkdorp in het voorjaar van 1934. De trefwoorden 'Leer- en werkdorp’ of 'Werkdorp’ komen in het register echter niet voor. Temidden van enige tientallen stichtingen ontbreekt de stichting Joodsche Arbeid. Ook is er geen lemma 'Joods(ch)e Arbeid’. Dan maar terug naar het topografische register. 'Nieuwesluis’ ontbreekt. 'Middenmeer’ verwijst naar de delen 3 en 10b, waar geen gegevens over het 'leer- en werkdorp’ te vinden zijn. Maar onder 'Wieringermeer, werkdorp’ vindt de gebruiker een verwijzing naar vier delen. De Jong spreekt in deel 1 over 'werkdorp’ en 'joodse werkkolonie’ en dat laatste trefwoord staat in de index: 'Joodse Werkkolonie, Wieringermeer. Zie: Wieringermeer’. In deel 4 vertelt De Jong hoe het verder ging met de 'z.g. Joodse werkkolonie in de Wieringermeerpolder’, in deel 5 spreekt hij over het 'z.g. werkdorp Wieringermeer’ en over 'het werkdorp Wieringermeer’. In deel 6, ten slotte, opnieuw: 'het werkdorp Wieringermeer’. Het register wijst feilloos de bladzijden aan met de geschiedenis van het werkdorp. Zonder register was de volgende vraag niet zo gemakkelijk bij de lezer opgekomen: Waarom gebruikt De Jong in de delen 5 en 6 de term 'werkkolonie’ niet meer?
EN WAT SCHRIJFT De Jong over, om maar eens een kwade zaak en een naar onderwerp te noemen, de Grune Polizei gedurende de bezetting? Het trefwoord in het register is: 'Grune Polizei. Zie: Ordnungspolizei’. Het verwijst naar tien delen met vermelding van bijna 180 van de 16.000 pagina’s. In deel 1 introduceert de geschiedschrijver de Grune Polizei als volgt: 'De “normale” politie, de Ordnungspolizei, die vanwege haar uniform meest als Grune Polizei aangeduid werd.’ In deel 10b wordt afscheid genomen van deze politie: 'Een groep werd door de Ordnungspolizei ontwapend en gevankelijk weggevoerd, een tweede, grote groep werd door Landwachters ontdekt en vervolgens ook al door de Ordnungspolizei gevankelijk weggevoerd.’ De delen 11 tot en met 14 zwijgen over de verdere lotgevallen van die Grune Polizei. Die zal in mei 1945 wel ontwapend zijn en naar Duitsland teruggegaan. Het register geeft de gebruiker in ieder geval de zekerheid dat De Jong in zijn geschiedwerk de Ordnungspolizei niet meer met naam genoemd heeft.
Kan de lezer met behulp van het register ook toetsen of Ger Harmsen gelijk had toen hij De Jong in De Groene een 'rechtgeaard sociaal-democraat’ noemde? Welnu, de geschiedenis van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij vraagt volgens het register meer bladzijden dan die van de Ordnungspolizei. Of dr. L. de Jong een sociaal-democraat is of niet, zijn levenswerk, verrijkt met het wetenschappelijk register, blijkt ook een rijke bron voor de geschiedenis van de sociaal-democratie in de oorlog.
Het is jammer dat De Jong in 1969 met een populaire uitgave is gekomen die inhoudelijk verschilde van de wetenschappelijke. Nu kan gelukkig door aanschaf van het register op de wetenschappelijke editie het populaire register uit 1988 worden aangevuld. Als het erop aankomt kan dan zonder veel moeite ook de populaire editie, door gebruik van deze 'allerlaatste band’ van De Jongs Koninkrijk, optimaal bruikbaar worden gemaakt.