Nagekomen

De Indische wortels van Geert Wilders

Op 4 september schreef Lizzy van Leeuwen in De Groene Amsterdammer een essay over de politieke roots van Geert Wilders. Daarin ging het onder meer over vermeend wangedrag van Wilders’ grootvader in Indonesië en over de motieven van Indo’s om zich te blonderen. De auteur van het essay ontving talloze reacties, waarop zij nu reageert.

BIJ DE GROTE HOEVEELHEID reacties op mijn essay over het postkoloniale tekort in Nederland, geïllustreerd door een andere visie op Geert Wilders, zaten enkele opzienbarende brieven en mails.
Eén daarvan had betrekking op de verschillende motieven van Indo’s om zich te blonderen. Dat er een precedent bestaat van het politieke motief om de Indo-afkomst te verbergen blijkt uit een reactie die ik kreeg uit Athens, Ohio, van de historicus prof. dr. Bill Frederick. Hij liet weten dat hij bij archiefonderzoek over de periode 1945-1950 in Oost-Java was gestuit op meldingen over gewelddadige geblondeerde Indo’s, die samen met Indonesiërs opereerden. Deze geblondeerde criminelen hielden huis in de omgeving van Soerabaja in de bersiap-periode (1945-1946) en als handlangers van pemoeda’s beroofden, ontvoerden en vermoordden zij zowel Indo’s en totoks als Chinees-Indische Nederlanders. Volgens Frederick hadden zij zich aangesloten bij de bende van de beruchte en gevreesde politieke terrorist Sabaroeddin, bijgenaamd ‘de Beul’, die in de regio honderden sadistische moorden op zijn geweten had, zowel op Indo’s, totoks, (vele) Indonesiërs als Brits-Indische militairen. Frederick veronderstelt dat het ‘racisme’ dat deze geblondeerde Indo’s tentoonspreidden hen, net als hun geblondeerde haren, moest beschermen tegen het Indonesische geweld dat tegen Indo’s losbarstte tijdens de bersiap. Deze paradoxale overlevingsstrategie is zonder grote en gedetailleerde kennis van plaats en tijd onmogelijk te doorgronden. Alleen de tragiek ervan staat als een paal boven modderig water.

WAT BETREFT DE GESCHIEDENIS van Wilders’ grootvader Johan Ording stak de zaak wat anders in elkaar dan het dossier kennelijk mocht prijsgeven. Dat vele stukken als ‘geheim’ waren geclassificeerd en dat de afdoening op het hoogste niveau in Den Haag had plaatsgevonden had bepaalde vermoedens bij me doen rijzen, maar uit niets in de documenten bleek – vanzelfsprekend – dat ze deel uitmaakten van een koloniaal doofpotje.
Toch was dat het geval. Daarover werd ik ingelicht door een familielid van de man die in 1933 een grote fraude- en corruptiezaak aan het licht bracht, de sous-chef van de afdeling Financieel Toezicht van de provincie Oost-Java de heer J. van Dijk (het familielid wil anoniem blijven). Deze Van Dijk trad, vers uit Holland, in 1931 aan als adjunct-inspecteur en als rechterhand van zijn chef Ording, die er toen al veertien tropenjaren op had zitten. Na verloop van tijd was het de 26-jarige, rechtlijnig-gereformeerde Van Dijk op gaan vallen dat Ording nooit met verlof ging – een mogelijke indicatie van (betrokkenheid bij) frauduleuze ambtelijke praktijken. Diens plaatsvervanger zou het immers snel opmerken als er systematische onregelmatigheden in de boeken of contacten voorkwamen.
Van Dijk, die regelmatig naar zijn ouders in Holland schreef over de wederwaardigheden in zijn werk (zonder evenwel namen te noemen), onderzocht heimelijk de gang van zaken en bracht aanvang 1933 een ‘grote fraudezaak’ aan het licht, die leidde tot arrestaties van ondergeschikten en het met verlof sturen van Ording, die betrokken bleek bij de affaire. Van Dijk heeft het familielid in kwestie (eveneens accountant) nog in de jaren zestig verteld over de ‘malversaties’ van zijn chef en de ‘Augiasstal’ die hij destijds had uitgemest. Hoogstwaarschijnlijk waren er ook topfunctionarissen van de provincie bij de fraude betrokken, hetgeen verklaart waarom aan de zaak geen ruchtbaarheid werd gegeven en waarom Ording geen strafontslag kreeg, maar een eervol ontslag, onderstand (financiële bijstand) en later in Nederland opnieuw een betrekking bij de overheid. Minister van Koloniën Colijn was tot 1939 immers ook minister-president, wat hem de nodige armslag gaf. Ording wist als oudgediende waarschijnlijk te veel belastends over zijn meerderen om hem de volle laag van strafontslag en eventuele aangifte te kunnen geven. Of de plotselinge aankondiging, in maart 1933, van het vertrek van de gouverneur van Oost-Java G.H. de Man – nog geen twee jaar in functie – met deze grote fraudezaak te maken had, is mij onbekend. Aan De Mans Indische carrière kwam toen in ieder geval een eind.
Van Dijk, die na het vertrek van Ording in diens plaats werd bevorderd tot chef van de afdeling Financieel Toezicht, was inmiddels ingeburgerd en trof zijn voorzorgsmaatregelen: hij nam geen gebak meer aan van zijn personeel tijdens verjaardagen, uit angst te worden vergiftigd. In zijn brieven valt te lezen dat het maar liefst tot eind 1939 duurde voordat de fraudezaak voor de rechter kwam en dat hij er als getuige-deskundige veel tijd mee kwijt was. Van Dijk, die weinig op had met ‘Indisch boekhouden’, was intussen op nog weer andere fraudes gestuit, zoals de ‘Chinezenfraude’ bij de afdeling Belastingen. Over Van Dijks straffe hand van controleren bij de afdeling Financieel Toezicht van de provincie Oost-Java werden herhaaldelijk vragen gesteld in de Volksraad, het Indische (machteloze) equivalent van het parlement, gezeteld in Batavia. De bestuurlijke indeling van Java in drie provincies, een nieuw idee van Colijn, was in 1933 nog maar net doorgevoerd en kwetsbaar voor ambtelijke knoeierijen en fraude; allicht had Colijn er belang bij dat hiervan zo min mogelijk naar buiten kwam.

VAN DE HEER Harmen Snel uit Amsterdam kwam een verzoek om uitleg over de vraag waar Wilders’ fascinatie voor Israël vandaan komt. Mijn vermoeden is nog steeds dat die fascinatie grotendeels voortkomt uit zijn obsessionele behoefte positie te kiezen in disputen over territoriumkwesties (vooral als daar intimi van Wilders bij betrokken zijn). Dat blijkt ook een beetje uit de titel die ik zelf aan mijn essay had gegeven: Over de grens. De Indische roots van Geert Wilders. Harmen Snel bericht dat Wilders’ Indische familie Meijer niet van joodse oorsprong was. Voor vele families is het de vraag of een niet-praktiserende familie van joodse herkomst in Nederlands-Indië na generaties nog wel joods genoemd kan worden; vele joodse families assimileerden namelijk volledig in het Indische milieu. De Indische familienaam Meijer biedt nazaten de mogelijkheid tot joodse identificatie; of dan wel of niet feitelijk sprake was van een ‘echt’ joodse en praktiserende voorfamilie is in dat geval niet belangrijk. In het voorgeslacht van Wilders bevinden zich overigens (andere) joodse voorouders zoals de familie Goldman.
Geert Wilders zelf, gevraagd naar zijn reactie op mijn essay bij NU.nl, ‘schaamt zich nergens voor’, begrijpt niet waarom ‘die vrouw’ over zijn ‘overgrootouders’ schrijft (hij bedoelt zijn grootouders); mijn ‘gedachtekronkels’ over zijn geblondeerde haar vindt hij ‘diep triest’ en hij begrijpt niet waarom hij een ‘cultureel revanchist’ wordt genoemd (hij bedoelt postkoloniaal revanchist). Hij beweert verder dat hij mijn stuk ‘heel snel opzij [heeft] gelegd’. ‘Maar goed, er is vrijheid van meningsuiting, dat mag allemaal.’

TOT SLOT HET VOLGENDE. Ook in de kolommen van ettelijke stukjesschrijvers en opiniemakers is, al dan niet met de nodige gender- en kleurgerelateerde laatdunkendheid, aandacht besteed aan mijn essay over Wilders. Het heeft mij vooral verbaasd dat geen van allen (behalve Hans Beerekamp in NRC Handelsblad) stilstaat bij de conclusie van het stuk: ‘Dat Wilders opzichtig opereert in een postkoloniale dimensie, zonder dat dit herkend wordt, zegt veel over hoe Nederland omgaat, en omging, met het koloniale verleden. Zwijgen, ontkennen, vergeten en de andere kant op kijken luidt sinds decennia het devies.’
Komt dit door slecht lezen? Toch niet, lijkt me. Is het misschien wat veel gevraagd van onze dijkbewakers, onder wie H.J.A. Hofland, Bert Vuijsje en Max Pam, om openlijk toe te geven dat ze hier tientallen jaren aan voorbij zijn gegaan of dat ze de andere kant op zaten te kijken? Dat er inderdaad zoiets bestaat als een postkoloniaal-politiek tekort in Nederland – waaraan ze al opiniërend hun wekelijkse steentje hebben bijgedragen?
‘Het succes van Wilders is niet door zijn voorouders geïnspireerd’, schrijft Hofland in dit blad als reactie op mijn stuk. Nee, en dat heb ik ook niet beweerd of gesuggereerd. Wat ik wél heb geschreven, is dat Nederland een belangrijk en collectief gedeeld perspectief op naoorlogse politieke stellingnamen en carrières ontbeert: een langetermijnperspectief waarin het echec van het afgestolen Hollandse imperium een verklarende factor kan vormen. Dat vele ‘gewone’ lezers dat met mij eens blijken te zijn maar dat de opiniërende elite van haar gezond niet afweet, is een veeg teken. Of zou het toch aan slecht lezen liggen?

Het essay van Lizzy van Leeuwen is hier na te lezen