Klimaatdebat

De industrialisatie en het naderend einde der ijstijd

Bijna exact zeventig jaar geleden publiceerde De Groene een kort artikel over een ‘broeikastheorie’ en wat nog onomwonden ‘klimaatverbetering’ werd genoemd.

Afgelopen zomer ontving ik een e-mail van Hans Custers, een blogger die onderzoek doet naar de geschiedenis van de klimaatwetenschap. Hij was de digitale archieven ingedoken en was daarbij gestuit op een verwijzing naar een artikel van professor Rutten, dat begin 1951 in De Groene Amsterdammer verschenen zou zijn. ‘Dit zou weleens het allereerste artikel in de Nederlandse pers kunnen zijn over de risico’s van antropogene klimaatverandering’, schreef hij. Maar online was het nergens te vinden. Dus daalde ik af naar het souterrain van ons redactiepand, trok de map ‘1e deel 1951’ uit de archiefkast en begon te bladeren. En inderdaad: in de editie van 10 februari vond ik de kop ‘De industrialisatie en het naderend einde der ijstijd’. Inmiddels vrezen wetenschappers dat we afstevenen op een hittetijd, maar zeventig jaar geleden had geoloog M.G. Rutten het nog over ‘klimaatverbetering’. ‘Of het waar is, ik weet het niet, maar het is aardig gevonden’, schreef hij over de broeikastheorie, maar áls het waar was zou het betekenen dat de mens ‘het aangezicht der aarde’ op ‘de meest ingrijpende wijze’ veranderde.

‘De jaren vijftig zijn een interessante periode omdat er in die tijd in twee opzichten een omslag in het denken kwam’, aldus Hans Custers. 'In elk geval in de wetenschap, maar daarmee begon er ook een eerste beetje bewustzijn te ontstaan in de maatschappij. Tot dan toe werd een warmer klimaat vrij algemeen als een beter klimaat gezien. Maar in deze tijd begon men zich bewust te worden van de mogelijke nadelige consequenties, zoals de zeespiegelstijging. En opwarming door menselijke broeikasgasemissies kwam opnieuw in de belangstelling, nadat die hypothese een tijdlang door vrijwel alle deskundigen was verworpen. De onjuiste aanname was dat het broeikaseffect verzadigd zou zijn en dat extra CO2 dus geen invloed zou hebben.’

Bijna precies zeventig jaar na het verschijnen van het artikel van prof. Rutten publiceert De Groene deze week een onderzoek naar de klimaatverslaggeving van de afgelopen twintig jaar. De twijfel over de broeikastheorie die in de jaren vijftig nog domineerde zou de daaropvolgende decennia wegebben in de wetenschap, maar bleef nog lang rondzingen in de media.


De industrialisatie en het naderend einde der ijstijd

De Groene Amsterdammer, 10 februari 1951
Door Prof. Dr. M.G. Rutten

‘Het naderend einde der ijstijd?’ Hoe zit dat, zult u vragen? ‘Loopt u soms ook achter?’ De ijstijd, dat was immers in het grijs verleden, toen dat landijs van Scandinavië nog in het Gooi lag? Dat is immers al lang voorbij; de moderne tijd is immers niet zo koud en kil meer?
In onze omgeving, ja daar geldt dat. En het valt niet te ontkennen, dat het klimaat van thans veel beter is dan het tijdens de ijstijden (er zijn verschillende van deze perioden van intense koude geweest) was, maar normaal is het nog niet. Nòg zijn daar de grote ijsvelden aan de polen, het pakijs op zee en de landijskappen van Groenland, IJsland en Antarctica. Pas wanneer ook deze laatste resten van de koudeperiode verdwenen zullen zijn, heeft de aarde haar gewone toestand hervonden.
Atoomenergie, hoor ik u mompelen, zal hier te zijner tijd hulp kunnen brengen. Inderdaad, dit denkbeeld is reeds vele malen geopperd. Maar of men hier van ‘hulp brengen’ mag spreken is een tweede. Berekeningen toonden aan, dat de hoeveelheid ijs aan de polen nog zo groot is, dat het smeltwater de oceanen 50 meter zou doen rijzen. Londen en New York zullen dan, evenals Amsterdam en het grootste deel van Nederland, onbewoonbaar zijn. De Veluwe en de Mookerheide worden eilanden in de Noordzee, en het Amsterdam–Rijnkanaal is voor niets gegraven.
De schrikbeelden, welke het eventuele einde der ijstijd aldus oproept, zijn echter gelukkig niet van morgen, of zelfs maar van het volgend jaar. Hoewel berekeningen over de natuurlijke invloeden, die het einde der ijstijd kunnen veroorzaken, uiterst moeilijk en onzeker zijn, is toch wel aan te nemen dat men hier te doen heeft met een – althans naar menselijke maatstaven – uiterst langzaam verlopend proces. De Amerikaanse natuurkundige Gamow berekent bijvoorbeeld dat een dergelijke toestand over 20.000 jaar zou kunnen optreden.
Ongeveer even ver terug, dus een 20.000 jaar geleden, begon het landijs van de laatste ijstijd zich terug te trekken uit de noordelijke streven van Europa en en Amerika. Dit is niet geleidelijk gebeurd, want uit de geologische historie laat zich een afwisseling afleiden van snelle terugtochtfase en perioden van stilstand van de landijsrand. Hoewel het klimaat dus in het algemeen beter is geworden in de laatste 20.000 jaren, traden er nog wel variaties op van vrij lange duur. Er is zelfs een periode geweest met een beter klimaat dan het tegenwoordige, die ongeveer van 6000 j.v.Chr. tot 3000 j.v.Chr. geduurd heeft. Verschillende boomsoorten, waaronder de eik, de linde en de iep, kwamen toentertijd verder noordelijk voor dan met het tegenwoordige klimaat overeenkomt.

Ook uit historische tijd zijn dergelijke klimaatsschommelingen bekend. In de Zwitserse Alpen kent men bijvoorbeeld uit de 9e en de 10e eeuw koopcontracten van alpenweiden die thans onder het ijs bedolven liggen. De gletsjers waren toen dus kleiner dan thans. Omstreeks het jaar 1600 bereikten zij echter weer een maximum-uitbreiding. Deze toestand bleef daarna enigermate stationair, totdat na 1880 een snelle teruggang der der gletsjers inzette, welke nog steeds onverminderd voortduurt. Een terugtrekken niet alleen in de Zwitserse Alpen, want ook in Noorwegen, Groenland en Noord-Amerika vindt men hetzelfde verschijnsel. Dit is dus de jongste grote klimaatsvariatie, een gevolg van een algemene klimaatsverbetering in deze streken.
Het is mogelijk dat wij hier te doen hebben met een normale fluctuatie in de klimaatsontwikkeling, veroorzaakt door natuurlijke factoren. Dan zal zij over enkele decennia wel weer in tegengestelde zin veranderen. De Engelse meteoroloog G.S. Callendar wees er echter kortgeleden op, dat deze jongste klimaatverbetering samenvalt met het begin van de grote industrialisatie. Deze is op haar beurt gekenmerkt door een steeds toenemend gebruik van energie, die tot nu toe hoofdzakelijk opgewekt wordt door verbranding van koolstof of van koolstofverbindingen.
Hierdoor worden zeer grote hoeveelheden koolzuurgas in de dampkring gebracht, hoeveelheden welke thans op 5 miljard ton per jaar geschat worden. Ofschoon het water der Oceanen dit koolzuur-overschot te zijner tijd zal absorberen, verloopt dit proces minder snel dan de kunstmatige menselijke toevoer van verbrandingsgassen aan de atmosfeer. Zo zou de hoeveelheid koolzuur in de lucht van 0,029% in 1900 tot 0,032% in 1935 toegenomen zijn. Koolzuur, dat zeer sterk de warmtestralen absorbeert, kan in kleine hoeveelheden reeds een grote invloed oefenen. Volgens Callendar zou de hier geschetste geringe toename van het koolzuurgehalte der dampkring reeds voldoende zijn om de algemene klimaatsverbetering sinds 1880 te verklaren.

Of dit werkelijk zo uit, dat zou ik in het midden willen laten. De berekeningen zijn ook hier moeilijk en onzeker. Er schuilt voor mij echter een grote aantrekkelijkheid in deze idee. Niet langer is de variatie van het klimaat uitsluitend een gevolg van veranderingen in de aardbaan of van dergelijke, geheel buiten onze invloed liggende factoren. Nee, volgens Callendar zouden wij zelf dus druk bezig zijn, om met onze potkacheltjes en onze elektrische centrales, met onze benzine en dieselmotoren, de aarde stiekem weg op te warmen. Zonder het zelf te weten stoken wij dus het laatste restje van de ijstijd weg, en veranderen daarmede op de meest aangrijpende wijze het aangezicht der aarde. Of het waar is, ik weet het niet maar het is aardig gevonden.

Geologisch Instituut
Nieuwe Prinsengracht 190
Amsterdam