Het EU-emissiehandelssysteem

‘De industriële lobby is ongelooflijk sterk’

Het was bedoeld als financiële prikkel om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen: het ETS. Maar de meeste grote industrieën in Nederland verdienen eraan zónder zich te hoeven inspannen.

Medium hh 42140326
Ingeklemd tussen de Maas en de Sint-Pietersberg, even buiten Maastricht, ligt de grootste cementfabriek van ons land, ENCI © Marcel van den Bergh / HH

Roetzwart kleurde in de jaren zestig de lucht boven Duijvestijn Tomaten in Pijnacker. Zelfs op een mooie zomerdag zoals vandaag. ‘We stookten net als alle tuinders olie in oude scheepsketels’, vertelt eigenaar Ted Duijvestijn. ‘Zo hielden we de kas warm. Altijd hing hier een grote rookpluim. Moeder kon het wasgoed niet buiten hangen zonder dat alles smerig werd.’

Duijvestijns tomatenkas in het Zuid-Hollandse Groene Hart strekt zich uit over vijftien hectare. Al vijftien generaties lang voedt zijn familie de nabijgelegen steden Rotterdam, Den Haag en Delft. Tegenwoordig produceert hij meer dan tien miljoen kilo tomaten, die hun weg over de hele wereld vinden.

De rookwolken verdwenen in de jaren zeventig toen de stookolie werd vervangen door aardgas. Zes jaar terug stapten de tuinders in Pijnacker over op aardwarmte. Vanaf twee kilometer diepte pompen ze water omhoog van zo’n zeventig graden Celsius. In vochtige, warme kassen (25 graden) gedijen tomatenplanten het best.

‘Mijn laboratorium’ noemt Duijvestijn een van de kassen. ‘Een plek om te experimenteren en innoveren.’ Vanaf een balkon in de kas wijst hij naar het plafond. ‘Met die glazen panelen verstrooien we het licht optimaal. We hebben computersimulaties gebruikt om de optimale lichtinval te berekenen. Zo creëren we elke dag onze ideale zon.’ Er klinkt gesis en gesputter. ‘Dat is het irrigatiesysteem, dat precies weet wanneer de planten water nodig hebben. En om ziektes tegen te gaan, drogen we de tomaten met speciale luchtstromingen. Een techniek die we hebben afgekeken van de luchtvaart.’

Duijvestijn is zichtbaar in zijn element. Hij vindt het leuk om te experimenteren, maar het is óók noodzakelijk. Sinds 2005 moeten bedrijven die CO2 uitstoten zogeheten ‘emissierechten’ inleveren, zo heeft Europa bepaald. Een deel van de rechten krijgen ze elk jaar gratis. Als hun uitstoot echter groter is dan door deze rechten wordt gedekt, moeten ze rechten bijkopen. Ook tuinders vallen onder dit ‘emissiehandelssysteem’ (ets). De Pijnackerse teler kwam aanvankelijk rechten te kort en had aldus een extra jaarlijkse kostenpost van ruim drie ton. ‘Daar was ik knap chagrijnig over’, bromt Duijvestijn, ‘maar niets doen was geen optie.’ De uitstoot moest omlaag: tien jaar geleden stootte zijn bedrijf nog dertigduizend ton CO2 uit, nu is het CO2-negatief. Door aardwarmte, maar ook doordat de kwekerij nu koolstofdioxide afneemt van bedrijven in de Botlek. Tomaten en andere groenten gedijen goed door CO2.

Onderzoek CO2

De Nederlandse Emissie Autoriteit (NEA), die toezicht houdt op de emissiehandel, publiceert jaarlijkse overzichten. Hierin staat per industriële vestiging in Nederland hoeveel broeikasgassen ze uitstoot en hoeveel gratis emissierechten ze krijgt toegewezen. Uit de NEA-lijsten hebben we alle energiebedrijven verwijderd, omdat deze in het ETS-regime geen gratis emissierechten (meer) krijgen. Van de overgebleven industriële installaties hebben we een saldo uitgerekend. Aan het eind van elk jaar moet elk bedrijf een hoeveelheid rechten inleveren die overeenkomt met zijn emissie. Sinds 2008 mogen bedrijven de rechten die ze aan het einde van een jaar overhouden, meenemen naar het volgende jaar. Wij hebben alle toewijzingen per vestiging van 2008 tot en met 2016 opgeteld. Vervolgens hebben we daar de werkelijke emissies in dezelfde jaren van afgetrokken. Bij veertig procent van de bedrijven bleek er een positief saldo, bij zestig procent een tekort.

Grote concerns met meerdere vestigingen kunnen de rechten tussen hun vestigingen ‘verhandelen’. Daarom hebben we alle vestigingen voor onze lijst gegroepeerd naar moederbedrijven. Een overzicht van de saldo’s per moederbedrijf geeft volgens ons een realistischer beeld van de krachtsverhoudingen op de emissiemarkt.

Tot slot hebben we berekend hoe lang moederbedrijven met een overschot aan gratis aandelen nog zouden kunnen doorgaan met opwarmen. Daarvoor deelden we het overschot dat sinds 2008 is opgebouwd door de gemiddelde jaaremissie van de afgelopen vijf jaar.

Zó was het ets bedoeld: bedrijven die hun emissie van broeikasgassen kunnen beteugelen, worden aangemoedigd om te innoveren. De emissierechten die ze daardoor overhouden, kunnen ze verkopen aan bedrijven die het moeilijker vinden om hun uitstoot te verminderen. Maar in de praktijk is er iets vreemds aan de hand. Het zijn vooral kwekers, ziekenhuizen, zuivelfabrieken, brouwerijen, papier- en steenfabrieken – zeg maar: kleine opwarmertjes – die rechten tekortkomen en moeten innoveren. Grote industriële complexen zoals Shell, Akzo, Chemelot en Dow daarentegen hebben rechten óver en hoeven dus niets te doen.

Bedrijven met de meeste invloed op het klimaat worden door het ets het minste gestimuleerd om hun CO2-uitstoot te verminderen. Dat blijkt uit onze analyse van cijfers van de Nederlandse Emissie Autoriteit (nea). Goed honderd industriële moederbedrijven in Nederland hebben in de afgelopen tien jaar een overschot opgebouwd. Diezelfde bedrijven zijn goed voor driekwart van de opwarming door de industrie in Nederland. Van de twintig bedrijven met de grootste buffers (zie lijst) staan er vijf óók in de top-tien van grootste opwarmers, die De Groene op 17 mei publiceerde. Voor heel Europa is het plaatje niet anders, weten we dankzij recent spitwerk van collega’s van het Franse online magazine AEF: de helft van alle verhandelbare emissierechten in het ets rust op de plank bij slechts veertig grote Europese bedrijven.

Van de grootste opwarmers in Nederland is zoutconcern Frisia in Harlingen koploper, met genoeg rechten – in theorie – om het nog veertig jaar uit te zingen. Gevolgd door polymerenfabrikant Lyondell Chemie op de Maasvlakte, die nog twintig jaar op het huidige niveau zou kunnen blijven uitstoten. De Amerikaanse chemiereus Hexion: zeventien jaar. Zinkproducent Nyrstar Budel: elf jaar. Papierfabriek Parenco: tien jaar. Tata Steel: zeven jaar.

De honderd bedrijven met een overschot kunnen twee dingen doen met hun emissierechten: verkopen of oppotten. Van Tata Steel weten we dat het bedrijf het overschot te gelde maakt. Het vroegere Hoogovens kreeg tussen 2008 en 2016 gratis rechten voor 98 miljoen ton CO2. Het kreeg die rechten voor de CO2 die het produceert, niet voor wat het zelf de lucht in blaast. Een deel van de CO2 uit het productieproces levert Tata namelijk in de vorm van gas aan elektriciteitscentrales van Nuon in Velsen en IJmond. De Tata-CO2 komt vervolgens bij Nuon uit de schoorsteen. Nuon neemt de noodzakelijke emissierechten over van Tata en levert het staalconcern in ruil goedkope elektriciteit. Ook Akzo Nobel gebruikt de rechten voor elektriciteitsproductie. Frisia wilde inhoudelijk niet reageren

Maar de meeste bedrijven hebben opgepot. Dat kan worden afgeleid uit het feit dat er weinig wordt gehandeld. De nea bevestigt dit. ‘Een groot deel van de bedrijven neemt niet deel aan handelstransacties’, zegt Bas Kroon, die het register van emissies en toewijzingen beheert. ‘Wat we zien is dat ze nauwelijks verkopen.’

Eén reden om de emissierechten te bewaren is de lage prijs die er nu op de markt voor wordt betaald. De prijs voor een ton CO2 ligt al een tijd futloos op een bodem van rond de vijf euro. Om de handel zijn heilzame werk te laten doen, zou de prijs volgens deskundigen minstens moeten verachtvoudigen.

Waarschijnlijker is dat bedrijven proberen tijd te rekken. Ze willen nog een poosje op hetzelfde niveau blijven produceren, met de bestaande installaties. Sommige zien hun productie stijgen, nu de crisis voorbij is, terwijl de EU de uitgifte van gratis emissierechten elk jaar vermindert. Bedrijven die experimenteren met schonere technieken hopen vaak dat de toekomst een doorbraak zal brengen. Maar of ze nu verkopen of oppotten, beide is slecht nieuws voor het klimaat. Als ze hun rechten verkopen, stimuleren ze de CO2-uitstoot van anderen. Als ze oppotten, kunnen ze nog jaren op dezelfde voet doorgaan met opwarmen zonder dat het pijn doet in hun portemonnee.

Hoe deze situatie is ontstaan én hoe ze kan worden opgelost, toont de cementindustrie, een van de grootste veroorzakers van de gevaarlijke opwarming van onze planeet.

Het is nog geen vijf minuten lopen van Claude Lorea’s kantoor naar het Europees Parlement. Voor de lobbygroep Cembureau behartigt zij de belangen van de cementindustrie in de Europese politiek. Op haar bureau prijken betonnen ornamenten. ‘Wij hadden het gestoord druk, in de afgelopen periode van december tot februari’, zegt ze. ‘Het was rennen, vliegen, met zo veel mogelijk belangrijke mensen spreken, onderzoeken uitvoeren, presentaties geven: gekkenwerk.’

Wat was er aan de hand? De milieucommissie van het Europarlement vond dat te veel bedrijven gratis CO2-rechten kregen. Bij de oprichting van het emissiehandelssysteem in 2005 was een lijst opgesteld van maar liefst 170 sectoren die niet voor hun emissierechten hoeven te betalen: cement, staal, auto’s, meubilair, speelgoed, muziekinstrumenten, sieraden en zelfs ondergoed komen voor vrijstelling in aanmerking. Weinig industrieën moeten zelf hun rechten kopen. Van de ets-bedrijven in Nederland is er letterlijk niet één dat geen gratis rechten krijgt.

De gedachte achter de lijst was dat bedrijven in deze sectoren niet meer zouden kunnen concurreren op de wereldmarkt als ze zouden moeten betalen voor al hun emissies. En dat de bedrijven dan zouden vertrekken naar landen buiten Europa, van waaruit ze wél ongestraft de atmosfeer kunnen opwarmen. Om die reden werd de lijst ‘carbon leakage list’ genoemd.

‘Die lijst legt het hele systeem plat’, sneert europarlementariër Gerben-Jan Gerbrandy (d66). ‘Als je iedereen gratis rechten geeft, heeft geen enkel bedrijf meer behoefte om ze te kopen. En die vraag is juist essentieel. Het ets werkt alleen als de prijs steeds verder stijgt, want alleen dan voelen bedrijven zich aangemoedigd om te investeren in innovatie.’

In de milieucommissie was een meerderheid ontstaan voor het schrappen van een aantal sectoren van de lijst, waaronder de cementsector. Het voorstel sneuvelde 28 februari echter in de plenaire vergadering van het Europarlement. ‘Lobbyisten hebben veel van mijn collega’s bang gemaakt door te dreigen met een vertrek naar het buitenland’, geeft Bas Eickhout (GroenLinks) als verklaring. ‘Maar dat is flauwekul, er is geen enkel geval van carbon leakage bekend. De parlementsleden in de milieu- en industriecommissies weten dit, zij hebben genoeg expertise om dit argument te doorzien. Maar niet alle parlementariërs hebben genoeg kennis van dit complexe dossier. Zij waren een makkelijk doelwit voor de lobbyisten.’

Klopt het dat de lobby zich vooral richtte op parlementsleden die eigenlijk niet deskundig zijn op het vlak van emissiehandel? Lobbyist Lorea toont een glimlach: ‘Je doet wat je moet doen. Het plan was in onze ogen dramatisch en de beslissing in de milieucommissie was overhaast. We moesten iets doen.’

‘Vooral de christen-democraten zijn gemakkelijk te beïnvloeden’, zegt Eickhout. ‘Zij hebben een grote achterban in zowel de industrie als de landbouw.’ Bovendien zegt partijdiscipline volgens hem ook niet alles. ‘Een Oost-Europese liberaal stemt anders dan een West-Europese liberaal. De Oost-Europese industrie is veel vervuilender, en wordt daarom veel harder geraakt door het EU-emissiehandelssysteem. Natuurlijk behartigen zij ook hun nationale belangen, en dat weet de lobby ook.’

Ingeklemd tussen de Maas en de Sint-Pietersberg, even buiten Maastricht, ligt de grootste cementfabriek van ons land, die van de enci. Op deze plaats lagen miljoenen jaren geleden de ondiepe, tropische binnenzeeën van het huidige Limburg, bevolkt door ontzagwekkende zeemonsters als de Mosasaurus, en zeeslakjes, kreeftjes en andere schaal- en schelpdieren. Van de zee is niets meer over, maar van haar oorspronkelijke bewoners wel. De schelpen zijn miljoenen jaren lang samengeperst tot kalksteen – of ‘mergel’ zoals ze in Limburg zeggen.

Cement wordt gemaakt van kalk. En kalk (calciumcarbonaat) bevat, net als olie en steenkool, koolstof. Samen zijn cementproducenten wereldwijd verantwoordelijk voor liefst vijf procent van de door mensen veroorzaakte CO2-uitstoot. Elke verbetering die hun product minder schadelijk maakt voor het klimaat is een zegen.

‘Als je iedereen gratis rechten geeft, heeft geen enkel bedrijf meer behoefte om ze te kopen. En die vraag is juist essentieel’

We worden opgewacht door algemeen directeur Günther Gach en technisch manager Mark van Halderen. Even later lopen we in zware werkschoenen en onder een veiligheidshelm naar de rand van de mergelgroeve. Daar ligt, uitgestrekt als een gevelde woudreus, de roestbruine cilinder waarin het cement wordt gemaakt. Dichterbij blijkt pas hoe groot het gevaarte is: langer dan de schoorsteen (van 150 meter) die ernaast prijkt en hoger dan een huis. Net als een betonmolen loopt de cilinder naar één kant iets af en draait hij trage rondjes om zijn as.

Binnenin wordt de mergel door een vlam van tweeduizend graden verhit. Door de immense temperatuur valt de kalksteen uiteen in calciumoxide en CO2. Verpulverde mergel gaat er aan de ene kant in, harde klinkerkorrels, een halffabrikaat voor het cement, komen er aan de andere kant uit. En de schoorsteen? Die zorgt voor het afvoeren van de CO2.

Wat valt hieraan te verbeteren? Gach schuift de veiligheidsbril hoger op zijn neus tegen het opwaaiende stof. ‘De CO2 komt van de kalksteen.’ Hij wijst naar de volgeladen trucks die langzaam uit de groeve omhoog klimmen. ‘Eén oplossing is: minder klinker gebruiken.’

enci heeft in de voorbije jaren de hoeveelheid klinker in het cement weten te halveren. Voor de andere helft worden voornamelijk hoogovenslakken en vliegas uit kolencentrales gebruikt. Driekwart van het cementaanbod van enci wordt nu op deze CO2-zuinige manier gemaakt.

Verder werkt HeidelbergCement, het Duitse moederbedrijf van enci, aan een nieuw procédé waarbij een mix van mineralen met de kalksteen ervoor zorgt dat de temperatuur in de ovens tweehonderd graden omlaag kan, met energiebesparing en dertig procent minder CO2-uitstoot als gevolg. Massale toepassing zal dit echter voorlopig niet krijgen, waarschuwt innovatiedeskundige Van Halderen: ‘Het is geen Haarlemmer olie.’

Medium hh 40869433
Tomatenkas van de firma Duijvestijn in Pijnacker © Goos van der Veen / HH

Even later lopen we langs de installatie waar de vlam gemaakt wordt die door de ovenbuis blaast. ‘Vroeger gebruikten we hiervoor vooral fossiele brandstoffen’, zegt Van Halderen. ‘Maar nu is dat aandeel nog maar dertig procent. Voor de rest verbranden we rioolslib, plastics, textielresten en andere industriële reststoffen. De extreme hitte reduceert deze materialen tot afzonderlijke atomen, waardoor er geen gevaar is voor het milieu.’

Terug in het enci-kantoor projecteert Van Halderen een veelzeggende grafiek op de muur. Die toont de inspanning waartoe de mondiale cementindustrie zich heeft gecommitteerd (‘roadmap’) om de CO2-uitstoot tot 2050 langzaam met een derde te verminderen. Dit kan deels door de knappe innovaties die we zojuist hebben gezien. Maar meer dan vijftig procent van dat doel is afhankelijk van de mogelijkheden om CO2 op te slaan of opnieuw te gebruiken. En dat is helaas een onzekere weg met veel hobbels.

Als carbon capture en storage om een of andere reden niet tijdig lukt, zal de milieuwinst uit de bestaande innovaties zelfs ruimschoots teniet worden gedaan door de verwachte groei van de wereldwijde vraag naar cement.

Volgend jaar stopt de mergelwinning in Maastricht, na een jarenlange strijd van natuur- en milieuorganisaties. enci verwerkt dan alleen nog halffabrikaten van elders. De bodem van de groeve is al deels ingericht als recreatieplas. De belangstelling was deze zomer meteen zo groot dat het water om veiligheidsredenen een tijd moest worden afgezet. Op het terrein er omheen lopen leden van de Limburgse vogelwacht die hun kijkers hebben gericht op de boerenzwaluwen die de vochtige mergel als bouwmateriaal kiezen voor hun nesten.

Directeur Gach vertelt dat hij recent naar de klimaatfilm van Leonardo DiCaprio is geweest, Before the Flood. Cement kan waarschijnlijk nog veel schoner geproduceerd worden, denkt hij. Dat is volgens hem meer een kwestie van regie dan van geld: ‘Belangrijk is dat iedereen gedwongen wordt om te innoveren, ook onze Chinese concurrenten. Dan kunnen we de kosten van innovatie doorberekenen in onze prijzen.’

Ook een nauwere samenwerking tussen leveranciers en afnemers binnen één bedrijfskolom zou innovatie gemakkelijker maken, meent Gach: ‘Als bijvoorbeeld cementproducenten én bouwers én architecten én wetenschappers samen aan verbeteringen zouden werken. Wie gaat de regie voeren? Dat is een belangrijke vraag. Voor een antwoord moeten we misschien ook eens kijken naar andere beleidsinstrumenten dan het ets.’

Vriend en vijand van het ets zijn het erover eens: in theorie is dit een prachtig instrument om de CO2-uitstoot terug te dringen. Maar twaalf jaar en een bureaucratisch circus later valt de winst voor het klimaat tegen. Voorzover er sprake was van een daling van broeikasgassen uit industriële schoorstenen (vier procent in Nederland sinds 2005) was deze vooral te danken aan de economische crisis en een iets kleinere honger van de chemie naar zware broeikasgassen zoals stikstofmonoxide (300 keer zo krachtig als CO2). In 2016 steeg de C02-uitstoot van de Nederlandse industrie bovendien weer.

Is het instrument nog vlot te trekken? Oplossingen die de ronde doen en waarover iedereen het wel eens lijkt zijn: leg een bodem van twintig euro per ton koolstofdioxide in de markt en verminder het aantal rechten dat jaarlijks gratis wordt uitgedeeld sneller dan nu het geval is. Minder eensgezindheid is er te bespeuren over een andere maatregel die wel eens veel effectiever zou kunnen blijken: een belasting op koolstof, een carbon tax. Koolstofbelasting is wat je feitelijk overhoudt als je bedrijven in het ets al hun gratis rechten zou ontnemen.

Gratis rechten

Het EU-ETS trad in 2005 in werking als grootschalig emissiehandelssysteem voor de Europese industrie. De gedachte? Hang een prijskaartje aan het uitstoten van CO2, maak het bovendien ieder jaar iets duurder, en bedrijven kiezen vanzelf eieren voor hun geld: het wordt goedkoper om te investeren in schonere productie dan emissierechten aan te schaffen.

De EU bepaalde dat de Europese industrie elk jaar met z’n allen 2,2 miljard ton CO2 mag uitstoten. Dit plafond daalt ieder jaar met iets meer dan twee procent, zodat de EU in 2050 CO2-neutraal is. Omdat het plafond daalt, zijn er elk jaar minder rechten beschikbaar. Die schaarste zou er in theorie voor moeten zorgen dat de vraag en dus de prijs van een recht stijgt. Dit is niet het geval. Al jaren kost het recht om één ton CO2 te mogen uitstoten zo’n vijf euro.

Bijna de helft van de 2,2 miljard rechten geeft de EU gratis weg, de andere helft moet de industrie zelf bijkopen. Maar dit betekent niet dat alle bedrijven de helft van hun rechten gratis krijgen: een schone fabriek krijgt als beloning alles gratis, een vuile fabriek moet als stimulans bijna alles kopen. Energiebedrijven moeten al hun rechten al zelf betalen.

De meeste Nederlandse bedrijven horen bij de top-tien procent van schoonst producerende bedrijven in hun sector, en krijgen dus vrijwel alle rechten gratis, ook al stoten ze grote hoeveelheden CO2 uit. De rest hoeft ook zelden te betalen. Omdat de extra kosten van het EU-emissiehandelssysteem hun concurrentiepositie kunnen aantasten, krijgen zij een uitzondering. Het gevaar zou namelijk bestaan dat zij het te duur vinden om in Europa te produceren en vertrekken naar gebieden met soepele milieuwetten. Dit ‘weglekken’ van CO2 noemt men carbon leakage.

De (demissionaire) Nederlandse regering is een voorstander van het verminderen van gratis rechten en het verkorten van de lijst met bedrijven die in bescherming worden genomen. Maar tijdens de onderhandelingen in Brussel, begin dit jaar, moest ze inbinden.

‘Ik heb één lidstaat aan mijn zijde gevonden die net als wij vindt dat er voldoende reden is om minder bedrijfssectoren in aanmerking te laten komen voor gratis emissierechten’, schreef staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu Dijksma in februari aan de Kamer. ‘Een grote meerderheid van lidstaten lijkt er nu, net als het Europees Parlement, voor te kiezen om indien nodig meer emissierechten te reserveren voor gratis toewijzing aan bedrijven ten koste van de hoeveelheid te veilen emissierechten. Hoewel dit een richting is waartegen Nederland zich vanaf het begin heeft verzet, is dit gezien het krachtenveld mogelijk de minst slechte oplossing.’

Het Nederlandse beleid is tot nu toe gebaseerd op het idee dat alles goed komt, als er op koolstof maar een prijs wordt geplakt. Is het niet via het ets, dan misschien via een carbon tax. Zo is onze overheid een actieve deelnemer, samen met dsm, Shell en Unilever, aan de zogenaamde Carbon Pricing Leadership Coalition, een internationaal initiatief van overheden en bedrijven om ‘het nut en de noodzaak van wereldwijde koolstofbeprijzing voor het voetlicht te brengen’. Koolstofbelasting is één van de opties die de coalitie uitdraagt. Maar de kans dat daar ooit de handen voor op elkaar gaan in officiële gremia is nihil, als je ziet hoe moeilijk de Europese lidstaten doen over het verminderen van gratis rechten in het ets.

De voorstellen stuiten echter keer op keer op een muur van gevestigde belangen. ‘De industriële lobby is ongelooflijk sterk’, weet ook Gerben-Jan Gerbrandy die voor d66 in het Europarlement zit. ‘Daardoor is er geen enkel politiek draagvlak voor deze aanpassingen, en ik verwacht ook niet dat dit draagvlak gaat komen.’ Europese regeringen, met hulp van een meerderheid in het Europees Parlement, houden dus willens en wetens een systeem in stand dat grote vervuilende industrieën de kans biedt om aan de klimaatramp te verdienen.

Maar Nederland zou natuurlijk ook een eigen koers kunnen varen, en zélf een koolstofbelasting kunnen invoeren. Groot-Britannië, Ierland, Zweden en Finland gingen haar al voor. Een Nederlandse CO2-belasting kan bij wijze van spreken volgend jaar ingevoerd worden als de Eerste en Tweede Kamer daarmee zouden instemmen.

Top-20 Overschotten gratis emissierechten

Moederbedrijf Absolute buffer Buffer in maanden Buffer in euro’s
Tata Steel 43.121.733 85 226.820.316
Lyondell Chemie Nederland 3.019.228 242 15.881.139
ENCI 1.621.419 45 8.528.664
Akzo Nobel 1.259.211 36 6.623.450
Chemelot 1.221.560 3 6.425.406
Air Liquide Industrie 1.029.443 21 5.414.870
Shell Nederland 938.256 2 4.935.227
Yara Sluiskil 839.405 3 4.415.270
Dow Benelux 709.885 3 3.733.995
Parenco B.V. 665.698 121 3.501.571
Emmtec Services B.V. 585.086 41 3.077.552
Hexion 549.291 207 2.889.271
BioMethanol Chemie Nederland B.V. 472.451 26 2.485.092
Nyrstar Budel B.V. 359.807 133 1.892.585
DSM Delft Permit B.V. 331.673 76 1.744.600
Emerald Kalama Chemical B.V. 280.005 45 1.472.826
Wienerberger 246.364 19 1.295.875
AVEBE 242.915 14 1.277.733
ADM Europoort B.V. 218.747 16 1.150.609
Frisia Zout B.V. 213.846 473 1.124.830

Absolute buffer is in tonnen CO2-equivalent. Buffer in maanden is de buffer gedeeld door de gemiddelde jaaremissie sinds 2012. Buffer in euro’s is berekend op basis van de actuele waarde van ruim 5 euro per ton CO2. (Bron: NEA)


Dit onderzoek is mogelijk gemaakt door Fonds 1877